Spreuken 21:9
1. Zie hier welk een grote beproeving het is voor een man, om een kijfachtige vrouw tot huisvrouw te hebben, die bij iedere gelegenheid, en soms zonder een gelegenheid of aanleiding, in drift en woede ontsteekt en hem, of degenen die om haar heen zijn, bekijft, zij is gemelijk en bitter, vergrimd op haar kinderen en dienstboden, en kwellend voor haar man. Als iemand een ruim, prachtig ingericht huis heeft, geschikt voor gezellig verkeer, dan zal dit het genot ervan voor hem verbitteren, het zal hem en zijn huis ongezellig maken, ongeschikt voor de omgang met vrienden. Het maakt dat een man zich schaamt over zijn keus en zijn bestier, en stoort het gezelschap.
2. Wat menig man genoodzaakt is te doen onder zo'n beproeving. Hij kan zijn gezag niet ophouden, hij vindt het nutteloos om de onredelijke hartstocht tegen te spreken, want die is onhandelbaar en woedt slechts te meer. Zijn wijsheid en genade laten hem niet toe om schelden voor schelden te vergelden, noch zijn huwelijksliefde om strengheid te gebruiken, en daarom acht hij, dat het beste voor hem is om zich terug te trekken op een hoek van het dak daar eenzaam neer te zitten buiten het gehoor van het geraas en getier, en als hij zich daar nuttig bezighoudt, dat hij wel kan, dan is dit ook het beste wat hij doen kan. Het is beter zo te doen dan het huis uit te gaan en zich in slecht gezelschap te begeven om daar afleiding en vermaak te zoeken, zoals velen doen die evenals Adam, de zonde hunner vrouw tot een verontschuldiging aanvoeren van hun eigen zonde.