18. a) De goddeloze is of wordt eens, wanneer de Heere gericht houden zal, als het ware een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze, de verachter der Goddelijke waarheid en gerechtigheid zal het zijn voor de oprechten; want de toorn Gods, de billijke verdoemenis, die op de zonde volgt, zal op zijn hoofd nederkomen en blijven, maar de rechtvaardige en vrome, die zich zelven richt, komt niet in het gericht, maar kan vrij uitgaan.
a) Spreuken 11:8.
Ook van de tijdelijke gerichten van God is het waar, dat de goddelozen er door in het eeuwig verderf worden gestort, terwijl de gelovigen wel getuchtigd, maar daarna toch gered en met eer en heerlijkheid gekroond worden, die hun hier meestal door de goddelozen worden onthouden..
De Spreuken-dichter wijst hier op het feit dat dikwijls de goddeloze ten val komt, wanneer hij het er op gezet had, de vromen ten val te brengen. Wij wijzen dan op Haman en Mordechai. Ook mag als voorbeeld wel aangehaald worden dat Israël vrij uit ging, toen Achan gestenigd werdt en de droogte op hield in de dagen van David, toen de zonen van Saul waren opgehangen. Het woord in den grondtekst, Kopher, betekent eigenlijk zoengeld, of zoenmiddel, een middel waardoor verzoening wordt gevonden, waardoor de schuld bedekt wordt. Daarom hield de toorn Gods op, toen Achan uit het midden van Israël was weggedaan.