Spreuken 21:25-26
1. Hier is de ellende van de luiaards, wier handen weigeren te werken in een eerlijk beroep, waarmee zij op eerlijke wijze hun brood zouden kunnen verdienen. Zij zijn even geschikt voor arbeid als andere mensen, en er doen zich zaken voor, die zij ter hand zouden kunnen nemen en waarop zij zich met hun verstand zouden kunnen toeleggen, maar zij willen niet en zij denken dwaselijk dat zij hierin wel voor zichzelf handelen, zie Hoofdst. 26:16. Ziel neem rust, maar in werkelijkheid zijn zij vijanden van zichzelf, want behalve dat hun luiheid hen doet hongeren, omdat zij daardoor van het nodige levensonderhoud beroofd worden, worden zij terzelfder tijd doorstoken door hun begeerten. Ofschoon hun handen weigeren te werken, houdt hun hart niet op van rijkdom te begeren en genot en eer, welke toch niet zonder arbeid verkregen kunnen worden, hun begeerten zijn gebiedend en onverzadelijk, de gehele dag begeren zij begeerlijke dingen, en roepen: Geef, geef, zij verwachten dat iedereen iets voor hen zal doen, hoewel zij niets voor zichzelf doen, en nog veel minder voor iemand anders. Deze begeerten nu doden hen, zij zijn hun tot een voortdurende kwelling, verbitteren hen ten dode toe, en doen hen misschien zulke gevaarlijke wegen inslaan om hun lusten te bevredigen, dat zij daardoor tot een ontijdige dood gebracht worden. Velen, die geld moesten hebben om voorziening te maken voor het vlees, en zich de moeite niet wilden geven om het door eerlijke arbeid te verkrijgen, zijn struikrovers geworden, en dat heeft hen gedood. Zij, die lui en traag zijn ten opzichte van de belangen hunner ziel, en toch een begeerte hebben naar hetgeen de zaligheid hunner ziel zou zijn, zullen door die begeerte gedood worden, zij zal hun verdoemenis verzwaren en tegen hen getuigen, dat zij overtuigd waren van de waardij van geestelijke zegeningen, maar weigerden zich de moeite te geven, die nodig was om ze te verkrijgen.
2. De eer van de eerlijken en de vlijtigen. De rechtvaardigen en vlijtigen zien hun begeerten bevredigd, en genieten niet slechts van deze voldoening, maar ook nog van de verdere voldoening van goed te doen aan anderen. De luiaards zijn altijd begerig om te ontvangen, maar de rechtvaardigen zijn altijd verzadigd en bedenken altijd om te geven, en het is zaliger te geven dan te ontvangen. Zij geven en houden niet in, geven mildelijk en verwijten niet, zij geven een deel aan zeven, ja ook aan acht, en houden niet in uit vrees van tekort te komen.