24. Een luiaard a) verbergt de hand in den boezem, 1) en hij zal ze niet weer aan zijnen mond brengen 2); hij is te traag zelfs om te eten en zijne spijze te kauwen, hij zou, zo als men spreekwoordelijk zegt, dit gaarne door anderen laten doen (
Hoofdstuk 12:27).
a) Spreuken 26:15
1) In het Hebreeën txlub wdy lue Nmj (Taman afsal jado batsalchath). Beter: De luiaard steekt zijn hand in den schotel. Het laatste woord toch betekent niet boezem maar schotel. Dan komt ook het tweede gedeelte beter tot zijn recht. De Spreuken-dichter tekent hier den luiaard, die wel zijn hand in den schotel steekt, maar te lui is om te eten. In het Oosten was het de gewoonte, om met de handen te eten, zelfs melkspijs met het holle van de hand tot zich te nemen.
Onze Staten-Overzetters hebben de vertaling van de Septuaginta gevolgd.
2) Dit is, helaas! ook dikwijls in ene geestelijke betekenis waar. Ieder heeft zijne bijzondere soort van luiheid. -Leraars, regeerders, bedienden verzuimen dikwijls hunnen post, ofschoon zij dien gemakkelijk konden waarnemen.
Alle Spreuken van onze verzameling, die van de bestraffing der luiheid spreken zijn scherp satyriek. In een vernuftig aanschouwelijk beeld stelt ons de bovenstaande Spreukenuk de onverbeterlijke traagheid voor, die zo erg is, dat de luiaard, zelfs bij het stillen van zijnen honger, waarbij men toch wel wat meer vlugheid zou mogen verwachten, nog niet van zijn traagheid afgaat. -Luther spreekt van de hand in enen pot, en Lange van die in enen schotel te steken. Beiden merken hierbij op, dat de Oosterlingen zich bij het eten niet van lepels, vorken en messen bedienen; en zelfs soep en melkspijs wordt met de holle hand uit den schotel in den mond gebracht, of men doopt het brood daarin..