10. De zelfzuchtige ziel des goddelozen, die nog een slaaf der zonde is, begeert het kwaad, 1) tracht slechts naar datgene, wat hem zelven voordeel, maar een ander schade en nadeel aanbrengt; zijn naaste, die beter is dan hij, en hem wel eens vermaant tot het goede, wordt door hem bars en ruw bejegend, en krijgt gene genade in zijne ogen. Al was het zijn vriend of zijn broeder, wanneer het verderf van deze hem voordeel kan geven, dan kent hij geen erbarmen (
Jesaja 26:10).
1) De wortel der goddeloosheid is diep in zijn harte ingeschoten en de lust, welke de mensen hebben tot het kwade, is juist die begeerlijkheid, welke de zonde ontvangt en voortbrengt. En als hij er op uit is, om het kwade na te streven, zal hij niemand ontzien, die hem in den weg mocht staan, en zich omtrent zijne beste vrienden en bekenden niet beter dan jegens vijanden en vreemden gedragen.. 11. a) Als men den spotter, die opzettelijk alles, wat God en goddelijke zaken betreft, veracht, ook nog zo streng straft, dan zal hij toch niet veranderen, maar eer erger dan beter worden; want hij is onverbeterlijk; maar deze straf zal heilzaam werken kunnen op meer eenvoudigen, die nog geen spotters zijn, en wier zonden voortkomen uit onervarenheid en verleiding; voor hen wordt niet te vergeefs gesproken, en alzo wordt de onnozele, de slechte de onhandige wijs, want het voorbeeld van den spotter is hem nuttig. En als men den wijze, die uit zwakheid overtreedt, met bestraffende woorden onderricht, neemt hij wetenschap aanen leert begrijpen, dat hij zijne eigene ziel schaadt, en tegen Gods heiligheid zondigt.
a) Spreuken 19:25.