Job 14:1-6
Wij worden hier geleid te denken:
I. Aan de oorsprong van het menselijk leven. God is zijn grote oorsprong, want Hij heeft de mens de adem des levens ingeblazen, en in Hem leven wij. Maar wij dateren het van onze geboorte, en van dat tijdstip moeten wij zijn broosheid en verontreiniging dateren.
1. Zijn broosheid. De mens van een vrouw geboren, is daarom kort van dagen, vers 1. Dit kan betrekking hebben op de eerste vrouw, die Eva genoemd werd, omdat zij de moeder aller levenden was, die, bedrogen zijnde door de verleider, de eerste in de overtreding is geweest. Wij zijn allen uit haar geboren, en bijgevolg ontlenen wij aan haar de zonde en het bederf, die onze dagen verkorten en treurig maken. Of het kan betrekking hebben op ieders eigen, onmiddellijke moeder. De vrouw is het zwakkere vat, en wij weten, dat "Partus seguitur ventrem-Het kind naar de moeder aardt." Laat dan de sterke niet roemen in zijn kracht, of in de kracht van zijn vader, maar gedenken dat hij geboren is van een vrouw, en dat, als het God behaagt, "de helden tot vrouwen worden," Jeremia 51:30.
2. Zijn verontreiniging, vers 4. Wie zal een reine geven uit de onreine? Indien de mens geboren is van een vrouw, die een zondares is, hoe kan het dan anders, dan dat hij een zondaar is? Zie Hoofdst. 25:4. Hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is? Reine kinderen kunnen niet uit onreine ouders voortkomen, evenmin als reine stromen uit een onzuivere bron of druiven van doornen. Ons bederf is met onze natuur ontleend aan onze ouders, is ons dus aangeboren, zit in ons bloed, ons bloed is besmet door een erfelijke kwaal. Onze Heere Jezus, zonde voor ons gemaakt zijnde, wordt gezegd geworden te zijn uit een vrouw, Galaten 4:4.
II. Aan de aard van het menselijk leven, het is een bloem, het is een schaduw, vers 2. De bloem verwelkt en al haar schoonheid vergaat. De schaduw gaat voorbij en haar bestaan zal spoedig verloren zijn, zich oplossen in de schaduwen van de nacht. Geen van beide achten wij van enigerlei belang, in geen van beide stellen wij vertrouwen.
III. Aan de kortheid en onzekerheid van het menselijk leven. De mens is van weinige dagen. Het leven wordt berekend, niet naar maanden of jaren, maar naar dagen, want wij kunnen van geen dag zeker zijn, dat hij niet onze laatste dag zal wezen. Deze dagen zijn weinige, weiniger dan wij denken, weinig op hun meest, in vergelijking met de dagen van de eerste patriarchen, en nog veel meer in vergelijking met de dagen van de eeuwigheid, maar veel weiniger voor de meesten, die tekortkomen aan hetgeen wij "de leeftijd des mensen" noemen. De mens wordt soms terstond na zijn geboorte afgesneden, niet zodra uit de moederschoot voortgekomen, of hij sterft in de wieg, komt in de wereld en treedt in haar zaken, en is even spoedig weggevaagd als hij zijn hand aan de ploeg heeft geslagen. Al wordt het leven ook al niet terstond afgesneden, dan vliegt het toch heen als een schaduw, en blijft nooit in een vorm, de gedaante ervan gaat voorbij, en zo gaat ook de wereld voorbij, en met haar ons leven, 1 Corinthiers 7:31.
IV. Aan de rampspoedige toestand van het menselijk leven. Gelijk het leven des mensen kort is, zo is het ook treurig. Als hij slechts weinige dagen hier had door te brengen, maar er zich toch in kon verblijden, er ongestoord van kon genieten, alles zou wel zijn, -een kort, maar een vrolijk leven- zoals de roem is van sommigen, maar zo is het niet. Gedurende die weinige dagen is hij vol van onrust, niet slechts onrustig, maar vol van onrust, zwoegende of tobbende, treurende of vrezende, geen dag gaat voorbij zonder kwelling, zonder gejaagdheid, zonder wanorde in het een of ander. Zij, die de wereld liefhebben, zullen er weldra genoeg van hebben. Hij is "satur tremore-vol van beroering." De weinigheid van zijn dagen bezorgt hem voortdurend onrust en ongerustheid in de verwachting van het einde ervan, en hij is altijd in onzekerheid omtrent zijn leven. Daar nu de dagen des mensen zo vol zijn van onrust, is het maar goed dat zij weinige zijn, dat de gevangenschap van de ziel in het lichaam en haar ballingschap van de Heere niet eeuwig, niet langdurig zijn. Als wij in de hemel komen zullen onze dagen vele zijn en volkomen vrij van alle onrust, en intussen kunnen geloof, hoop en liefde tegen het tegenwoordige leed opwegen.
V. Aan de zondigheid van het menselijk leven, voortkomende uit het zondige van de natuur. Aldus verstaan sommigen deze vraag: Wie zal een reine geven uit de onreine? vers 4. Of, naar de Engelse overzetting: Wie zal iets reins geven uit het onreine? Een reine verrichting uit een onrein beginsel? Werkelijke overtredingen zijn het natuurlijke voortbrengsel van hebbelijk bederf, dat daarom de oorspronkelijke zonde wordt genoemd, wijl het de oorsprong is van al onze zonden. Daarover treurt hier Job zoals allen er over treuren, die geheiligd zijn, daar zij de stromen terugleiden naar de bron, Psalm 51:7, en sommigen denken dat hij het bedoelt als een pleitgrond bij God om barmhartigheid van Hem te verkrijgen: "Heere, let niet ten uiterste op mijn zonden van menselijke zwakheid, want Gij kent deze mijn zwakheid, o gedenk dat ik vlees ben." De Chaldeeuwse paraphrase heeft een opmerkelijke lezing van dat vers: "Wie kan een mens rein maken, die verontreinigd is door de zonde. Dat kan iemand, namelijk God. Of wie anders dan God, die een is, en hem zal sparen?" God kan door Zijn almachtige genade de huid van de Moorman veranderen, de huid van Job, hoewel zij bekleed is met het gewormte.
Vl. Aan het vastgestelde einde van het menselijke leven, vers 5. Hier wordt ons verzekerd:
1. Dat er een einde zal komen aan ons leven, onze dagen op aarde zijn niet talloos, zijn niet eindeloos, neen, zij zijn geteld, en zullen spoedig voleindigd zijn, Daniël 5:26.
2. Dat het in het raadsbesluit Gods bepaald is, hoe lang wij zullen leven en wanneer wij zullen sterven. Het getal van onze maanden is bij God, ter beschikking van Zijn macht, die niet in bedwang gehouden kan worden, en onder het oog van Zijn alwetendheid, die niet bedrogen of misleid kan worden. Het is zeker dat Gods voorzienigheid het einde van ons leven regelt, onze tijden zijn in Zijn hand, de krachten van de natuur zijn afhankelijk van Hem en werken onder Hem, in Hem leven wij en bewegen wij ons, krankheden zijn Zijn dienstmaagden, Hij doodt en maakt levend, niets geschiedt bij geval, neen, zelfs niet de voltrekking van een doodstraf door een boog, die iemand in zijn eenvoudigheid heeft gespannen, het is dus zeker dat Gods voorwetenschap het tevoren bepaald heeft, want Gode zijn alle Zijn werken van eeuwigheid bekend. Al wat Hij doet heeft Hij besloten te doen, maar deels met betrekking tot de vastgestelde loop van de natuur en in overeenstemming daarmee, (het doel en de middelen zijn tezamen vastgesteld), en deels met betrekking tot en in overeenstemming met de vastgestelde regelen van de zedelijke regering, het kwaad straffende en het goede belonende in deze wereld, wij worden evenmin door het blinde noodlot van de Stoïcijnen als door de blinde fortuin van de Epicuristen geregeerd. 3. Dat wij de perken, door God gesteld, niet kunnen overschrijden, want Zijn raadsbesluiten zijn onveranderlijk, daar Zijn voorzien onfeilbaar is. Deze overwegingen voert Job hier aan als redenen:
a. Waarom God niet zo strikt en streng kennis behoorde te nemen van al zijn misstappen en tekortkomingen, vers 3. "Ik heb zo'n verdorven natuur in mij en ben onderhevig aan zoveel ellende, die een voortdurende verzoeking voor mij is van buiten, en opent Gij nu Uwe ogen om ze gevestigd te houden op zodanig iemand om met de uiterste oplettendheid na te gaan wat ik verkeerds doe? Hoofdst. 13:27. En brengt Gij mij, nietswaardige worm die ik ben, in het gericht met U, die zó scherpziend zijt om de minste fout te ontdekken, zó heilig om haar te haten, zó rechtvaardig om haar te veroordelen, en zo machtig om haar te straffen?" De gedachte aan onze eigen onmacht om met God te strijden, aan onze zondigheid en zwakheid, moet ons aansporen om te bidden: "Here, treed niet in het gericht met Uwen knecht.:
b. Waarom Hij niet zo streng moet wezen in Zijn handelingen met hem. "Heere, ik heb nog slechts weinig tijd om te leven, ik moet zeker en spoedig van hier gaan en de weinige dagen, die ik hier nog heb door te brengen, zijn op zijn best genomen vol van moeite en verdriet. O laat mij tot verademing komen, sta mij een ogenblik van rust toe vers 6. Wend U af van aldus een arm schepsel te beproeven, laat hem een ogenblik met rust, tot hij als een dagloner zijn dag volbracht hebbe.
Het is mij gezet eenmaal te sterven, laat die ene dag van sterven voor mij volstaan, en laat mij niet voortdurend sterven, duizend doden sterven. Laat het genoeg zijn dat mijn leven op zijn best, als de dag eens dagloners is, een dag van arbeid en zwoegen. Ik ben tevreden om die te volbrengen, en zal mij de gewone moeite en ontberingen van het leven, de last des daags en de hitte gaarne getroosten, maar laat mij niet die buitengewone folteringen verduren, laat mijn leven niet wezen als de dag eens boosdoeners, een dag van strafvoltrekking. Zo kunnen wij verlichting vinden onder zwaar leed door ons de barmhartigheid aan te bevelen van die God, die weet wat maaksel wij zijn, onze rampen kent en mededogen met ons kan hebben.