Spreuken 20:4
Zie hier het kwaad van luiheid en gemakzucht.
1. Zij houdt de mens terug van het noodzakelijkste werk, van ploegen en zaaien als het er de tijd voor is. De luiaard heeft grond te bewerken, en heeft er de bekwaamheid toe, hij kan ploegen, maar hij wil niet, hij heeft de een of andere verontschuldiging om het van zich af te schuiven, maar de ware reden is dat het winter is, het is koud- hoewel de ploegtijd niet in het hartje van de winter valt, is hij toch op de grens ervan, en hij denkt dat het te koud voor hem is om buiten de deur te zijn. Diegenen zijn ergerlijk lui, die het ook voor hun werk en hun zaken niet van zich kunnen verkrijgen om zo weinig arbeid te verrichten als ploegen is, en die zo weinig ongemak kunnen verduren, dat zij niet eens tegen een koude rukwind kunnen. Evenzo onverschillig zijn velen omtrent de aangelegenheden hunner ziel, een kleine moeilijkheid zal hen wegschrikken van de gewichtigste plicht. Maar goede krijgsknechten moeten hardheid en ongemak kunnen lijden.
2. Daarbij berooft zij hen van het noodzakelijkste levensonderhoud. Zij, die niet willen ploegen in de zaaitijd, kunnen niet verwachten in de herfst te zullen oogsten, en daarom zullen zij met ontzetting hun brood moeten bedelen als de vlijtigen hun schoven met blijdschap in de schuren brengen. Hij, die zich niet wil onderwerpen aan de arbeid van ploegen, moet zich onderwerpen aan de schande van bedelen, hij zal bedelen in de oogsttijd, maar daar zal niets zijn, neen, zelfs dan niet, als er de grootste overvloed is. Het kan wel barmhartigheid zijn om een luiaard te helpen, maar men zou hem in gerechtigheid hulp kunnen weigeren, hij verdient dat men hem laat verhongeren. Zij, die zich niet van olie wilden voorzien voor haar vaten, hebben er om gebedeld toen de bruidegom kwam, maar zij werden afgewezen.