24. a) De treden des mans, zijne lotgevallen, zijn van den HEERE, Hij alleen richt en bestuurt zijn leven, en zendt hem zijn lot toe, als een antwoord op het eigen doen en laten des mensen. b) Hoe zou dan een mens zijnen weg verstaan, hoe zou hij zelf weten, welken weg hij moet inslaan, om gelukkig en zalig te worden? Moet niet de Heere hem gedurig op nieuw in elken nood, in elke moeilijkheid raad en hulp schenken? (
Hoofdstuk 16:9).
a) Job 31:4. Psalm 37:23; 139:2,3. b) Jeremia 10:23.
Achter het gehele leven van een mens staat een hoger leven, dat hem, wanneer hij dat voor ogen heeft, met wijsheid leidt en vasthoudt, en waarop hij steeds met verbazing moet staren. Laat het daarom altijd uwe voornaamste zorg zijn, vroom en oprecht te handelen, en laat God voor het overige zorgen. Vertrouw in uwe aardse aangelegenheden niet op uwe eigene overleggingen, zorgen en arbeiden. Vertrouw, bij al wat gij voorneemt, met uw ganse hart op God. Wie op den Heere vertrouwt, dien zal niets ontbreken..
Hier geldt inzonderheid ons spreekwoord, dat de mens wel wikt, maar het God is die beschikt. Want toch onze ondernemingen gelukken niet naar onze wensen en bedoelingen, maar naarmate God ze bestuurt. God beschikt daarom ook alles ten goede voor alle Zijne gunstgenoten. 25. Het is een uiterst gevaarlijke valstrik voor het hart des mensen, dat hij het heilige verslindt; 1) even dwaas en goddeloos is het, na gedane geloften eerst onderzoek te doen of men die wel kan houden.
1) Volgens deze overzetting spreekt de Spreukenuk van mensen, die, nadat zij enen tijdlang alles gedaan hebben, wat hun verdorven hart aangenaam is, nu op eens met ene enkele boetedoening hun bedrevene zonde menen te kunnen verzoenen, maar later weer hunnen vroegeren zondigen weg inslaan, en het dan nog erger maken dan te voren (Lukas 11:24). Zulk een zal gedurig op nieuw, en steeds onbeschaamder en moedwilliger zondigen, en zich daarmee gerust stellen, dat hij na duizend bedrevene zonden zich weer even gemakkelijk door ene kleine moeite van alle schuld zal kunnen vrijmaken. Kan men zulk ene handelwijze niet noemen, met Gods genade te spotten? Het is ene grote troost, dat ons God, om Christus wil, onze zonden wil vergeven, maar alleen na een ernstig en waar berouw. Wanneer wij, na belijdenis van schuld gedaan, en de genademiddelen te hebben gebruikt, niet ernstig beginnen onze vorige zonden na te laten, onze fouten af te leggen, onze plichten zorgvuldiger te vervullen, en in onzen godsdienst ijveriger te worden, dan leggen wij ons enen strik om den hals, en roepen het oordeel Gods over ons in. (Hebreeën 10:26). Het is ene boze zaak den Naam, het Woord en den dienst van God te lasteren, en daarna aalmoezen te geven, te bidden, te vasten enz. Luther zegt er van: Gij, heilige Martinius, zij offeren u enen penning en ontstelen u een paard..
In het Hebreeën Mokeesch adam jala' kodesch. Beter: Het is een valstrik van een mens, ondoordacht uit te spreken: het is heilig. Er volgt dan en na gelofte eerst onderzoek te doen. De Spreuken-dichter waarschuwt hier tegen het ondoordacht iets afzonderen voor het heiligdom, (zie Markus 7:11) zonder dat men weet of men het volbrengen kan, of men die gelofte kan houden. Dit wordt dan een valstrik genoemd. Want heeft men eenmaal een gelofte gedaan, dan moet men die houden, dewijl men die aan God, den Heilige gedaan heeft. Volbrengt men die niet, dan doet men zonde. En volbrengt men haar, dan brengt men zichzelve in moeilijkheid. Volgt men de vertaling der Staten-Overzetters dan is de hierboven gestelde verklaring van Dächsel alleen juist.