Spreuken 20:22
Zij, die in deze wereld leven, moeten verwachten dat hun kwaad gedaan wordt, dat men hen beledigt, hun ten onrechte moeilijkheden schept, want wij wonen onder de doornen. Nu wordt ons hier gezegd wat wij moeten doen als ons onrecht geschiedt.
1. Wij moeten onszelf niet wreken, ja de gedachte er aan moet niet eens bij ons opkomen. "Zeg niet neen, niet eens in uw hart, ik zal het kwaad vergelden, verlustig u niet in het denkbeeld, dat gij vroeg of laat de gelegenheid zult hebben om hem met gelijke munt te betalen. Verlang naar geen wraak, hoop er niet op, veel minder nog moet gij er het besluit toe nemen, neen, ook niet als de belediging nog vers is, en de wrok er over diep in uw hart is. Zeg niet dat gij iets doen zult, waarvoor gij niet in het geloof om Gods hulp kunt bidden, en dat kunt gij niet als gij op wraak zint."
2. Wij moeten ons in Gods handen stellen het aan Hem overlaten om onze zaak te bepleiten, ons recht te handhaven, en af te rekenen met hen, die ons onrecht doen, op zo'n wijze als Hij geschikt oordeelt en op Zijn eigen bestemde tijd. "Wacht op de Heere, op Zijn welbehagen, berust in Zijn wil en hij zegt niet dat Hij hem zal straffen, die u geschaad of beledigd heeft, in plaats van dat te begeren, moet gij hem vergeven en voor hem bidden, maar dat Hij u zal verlossen en dat is genoeg. Hij zal u beschermen, zodat uw voorbijzien van een belediging u niet (zoals men gewoonlijk vreest) aan een andere zal blootstellen, ja Hij zal u goed vergelden en uw lijdzaamheid aanmoedigen," zoals David gehoopt heeft, toen Simeï hem vloekte, 2 Samuël 16:12.