Spreuken 24:28-29
Hier wordt ons verboden om op enigerlei wijze schadelijk te zijn voor onze naaste, inzonderheid in en door de vormen van de wet, hetzij:
1. Als getuige. "Nooit moet gij zonder oorzaak tegen iemand getuigen", tenzij gij zeker weet dat hetgeen gij zegt zuiver en in alle delen volkomen waar is, en gij er bepaald en ontwijfelbaar toe geroepen zijt om het te getuigen. Leg nooit een vals getuigenis tegen iemand af, want er volgt: "Zoudt ge verleiden met uw lippen? Bedrieg de rechter en de gezworenen niet, bedrieg hen niet met wie gij spreekt en omgaat, om hen een slechte mening te doen koesteren van uw naaste. Als gij van uw naaste spreekt, zeg dan niet alleen hetgeen waar is, maar hoed u er voor om op zo'n wijze te spreken als waardoor gij te kennen geeft wat niet waar is, en aldus door wenken en toespelingen of door overdreven voorstellingen zoudt bedriegen." Of,
2. Als aanklager, of vervolger voor het gerecht. Als het nodig is om een klacht in te dienen tegen uw naaste, laat dit dan niet uit wraakzucht geschieden. Zeg niet: ik ben vast besloten om hem dit of dat betaald te zetten, gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen, zelfs een rechtvaardige zaak wordt onrechtvaardig als zij aldus in boosaardigheid behandeld wordt. Zeg niet, ik zal een ieder vergelden naar zijn werk, en er hem duur voor laten betalen, want het is Gods kroonrecht om dit te doen, en wij moeten het aan Hem overlaten, niet op Zijn troon gaan zitten, Hem niet het werk uit de handen willen nemen. Als wij zelf voor onze zaken willen optreden, onze eigen rechters willen zijn dan verbeuren wij het voordeel van een beroep op Gods rechterstoel, daarom moeten wij onszelf niet wreken, want Hij heeft gezegd: "Mij is de wraak".