1. De wijn, onmatig gedronken zijnde, is velen mensen ten verderve; hij berooft niet alleen den onmatigen gebruiker van zijne beste vermogens, maar maakt hem ook tot een spotter met al wat heilig is; en de sterke drank, (hebr. schekar) een uit gerst en ooft bereide bedwelmende drank, naar mede of bier gelijkende (
Leviticus 10:16 Numeri 6:4 Jesaja 5:22) is van nog erger gevolgen; deze maakt den gebruiker wild en woelachtig, zodat hij raast en tiert, en bijna aan een redeloos dier gelijk wordt; al wie zich daaraan overgeeft, en lust heeft om zich daardoor inhet verderf te storten, dwaalt grotelijks en verliest alle achting, hij zal niet alleen niet wijs zijn, maar het toppunt van dwaasheid bereiken; want de wijsheid eist boven alles lichamelijke en geestelijke nuchterheid (
Hoofdstuk 22:29,
Jesaja 28:7).
De wijn, zo als alle bedwelmende dranken, bevat in zich enen geest, die nuttig is voor de aardse bestanddelen van den mens, maar die in staat is om den geest, die uit God is, met enen sluier te bedekken, zodat hij ongeschikt wordt gemaakt om goddelijke dingen te verrichten en deel te nemen aan het rijk van God; daarom wordt in Efeze 5:18 dit vervuld zijn met den geest van beneden tegenover gesteld aan het vervuld worden met den Geest van boven, met den Heiligen Geest. Omdat echter op de deelneming aan het rijk Gods, op het bezit van de wijsheid, die van Boven is, het beeld Gods berust, daarom is de dronkenschap een aanval op het beeld van God zelf, ene poging om den Geest van God in den mens te vernietigen, als het ware ene vernieuwing van den zondenval. Wordt de dronkenschap een hartstocht, dan wordt zij ene hoofdzonde, de bron van bijna alle andere zonden des vleses (vergelijk de geschiedenis van Noach en Lot), bijzonder van alle geslachtszonden, de bron van de begeerlijkheid der ogen en van de hovaardij, en is bijna ongeneeslijk. De laatste eeuwen hebben ons met middelen ter bedwelming bekend gemaakt, die de Heilige Schrift nog niet kent: de brandewijn en het opium, welk laatste tot nu toe alleen door de heidenen gebruikt wordt, maar ook tot ons dreigt te komen. Wat van wijn en bier gezegd wordt, is nog in hogere mate op den brandewijn toepasselijk; hij maakt den mens aan het beest gelijk, maar sneller en zekerder dan de eerstgenoemde dranken.. Terwijl bijna alle volken de zonde der bedwelming wegens de daaruit voortkomende bewusteloosheid veracht hebben, hebben de Germaanse volken, helaas, ten allen tijde daarmee gespot, wat ook daaruit blijkt, dat alle spreekwoorden aan de dronkenschap en het onmatig gebruik van drank ontleend, bijna altijd schertsend daarvan spreken..