Spreuken 1:7-9
Het ondernomen hebbende om de jongeling wetenschap en bedachtzaamheid te leren stelt Salomo nu hier twee algemene regelen vast welke te dien einde waargenomen moeten worden, en deze zijn: God te vrezen en zijn ouders te eren, met welke twee fundamentele zedewetten Pythagoras zijn gulden verzen begint, maar de eerste ervan allerellendigst verminkt, "primum, deos immortales cole parentesque honora, Ten eerste, aanbid de onsterflijke goden en eer uw ouders."
Om jonge lieden te maken wat zij behoren te zijn:
I. Laat hen acht geven op God als de Allerhoogste, vers 7. De vreze des Heeren is het beginsel van de wetenschap) zij is het voornaamste deel van de kennis, zo heeft het de kanttekening, zij is het hoofd, het voornaamste, van de wetenschap, dat is:
1. Van alles wat geweten moet worden is dit het duidelijkst, het klaarblijkelijkst dat God gevreesd moet worden, geëerd, gediend en aangebeden, dit is zozeer het begin van de wetenschap dat zij niets weten, die dit niet weten.
2. Om tot alle nuttige wetenschap te geraken, is het volstrekt noodzakelijk dat wij God vrezen, wij zijn niet in staat om voordeel te trekken uit het onderwijs, dat ons gegeven wordt, tenzij er in ons hart een heilige eerbied voor God is, en iedere gedachte binnen in ons tot Zijn gehoorzaamheid is gebracht. Indien iemand wil deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen of zij uit God is, Johannes 7:17.
3. Gelijk al onze kennis ontstaan moet uit de vreze Gods, zo moet zij er naar uitgaan als tot haar volkomenheid en haar middelpunt. Diegenen weten genoeg, die weten hoe God te vrezen, die er zich op toeleggen om Hem in alles te behagen, die vrezen Hem in iets te beledigen. Dit is de alfa en de omega van de kennis.
Om deze waarheid te bevestigen, dat het oog op God al ons streven naar kennis moet leiden en aansporen, merkt hij op: de dwazen de atheïsten, die op God geen acht slaan, verachten wijsheid en tucht, daar zij geheel geen vrees hebben voor Gods toorn, noch begeerte naar Zijn gunst, zij zullen er u niet voor danken, als gij hun zegt wat zij kunnen doen om aan Gods toorn te ontkomen en Zijn gunst te verkrijgen. Zij, die tot de Almachtige zeggen: Wijk van ons, die Hem zo weinig vrezen dat zij Hem trotseren, kunnen er ons niet verbaasd over doen staan, dat zij de kennis van Zijn wegen niet begeren, maar Zijn tucht verachten. Diegenen zijn dwaas, die God niet vrezen en de Schriften niet waarderen, en hoewel zij kunnen voorwenden bewonderaars te zijn van vernuft, zijn zij toch in werkelijkheid vreemdelingen voor en vijanden van de wijsheid.
II. Laat hen achting hebben voor hun ouders als hun meerderen, vers 8, 9. Mijn zoon hoor de tucht uws vaders. Hij bedoelt dat hij niet alleen wenst dat zijn eigen kinderen hem eerbied zullen betonen, zullen acht slaan op hetgeen hij tot hen zegt, ook niet alleen dat zijn leerlingen en degenen, die tot hem kwamen om door hem onderricht te worden, tot hem zullen opzien als hun vader en op zijn voorschriften zullen letten in de gezindheid van kinderen, maar dat hij wenst dat alle kinderen gehoorzaam zullen zijn aan en eerbiedig jegens hun ouders, zich zullen gedragen naar de deugdzame en Godsdienstige opvoeding, die deze hun geven, overeenkomstig de wet van het vijfde gebod. 1. Hij beschouwt het als aangenomen, dat zij hun kinderen zullen onderwijzen met al de wijsheid die zij hebben, en met al het gezag dat zij over hen hebben hun wet zullen voorschrijven tot hun welzijn. Zij zijn redelijke wezens en daarom moeten wij hun geen wet geven zonder onderricht, wij moeten hen trekken met mensenzelen, en als wij hun zeggen wat zij moeten doen, dan moeten wij er hun bij zeggen waarom. Maar zij zijn verdorven en eigenzinnig, en daarom is met het onderwijs ook wet nodig. Abraham zal niet slechts zijn huisgezin onderwijzen, maar bevelen. Beiden vader en moeder moeten doen wat zij kunnen voor de goede opvoeding hunner kinderen, en dat alles is dan nog weinig genoeg.
2. Hij beveelt kinderen om de goede lessen en wetten, die hun ouders hun geven, aan te nemen en te onthouden.
A. Ze te ontvangen met bereidwilligheid. Hoor de tucht uws vaders, hoor haar, en neem haar ter harte, hoor haar, en heet haar welkom, wees er dankbaar voor, stem er mee in.
B. Er aan vast te houden. Verlaat hun wet niet. Denk niet dat gij als gij volwassen zijt en niet langer onder voogden en verzorgers zijt, nu naar uw zin en wil kunt leven, neen de wet uwer moeder, vers 8, is in overeenstemming met de wet van God, en derhalve moet zij nooit worden verlaten, gij zijt onderricht in de weg die gij gaan moet, en daarom moet gij, als gij oud zijt geworden, er niet van afwijken. Sommigen hebben opgemerkt dat, terwijl de zedenleer van de heidenen en de wetten van de Perzen en Romeinen aan kinderen alleen voorschreven om achting en eerbied te hebben voor hun vader, de wet van God evenzo ook eerbied voor de moeder gebiedt.
3. Hij beveelt dit aan als iets, dat zeer bevallig en lieflijk is, en ons eer zal bijzetten. "De tucht en de wet uwer ouders zullen, als zij zorgvuldig nageleefd worden, uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, vers 9, een sieraad, dat in de ogen Gods van grote waarde is, en u een even groot en voornaam aanzien zal geven als zij hebben, die gouden ketenen aan hun hals dragen." Laat Goddelijke waarheden en geboden u een kroon, het hoogste ereteken wezen-laat ons die op prijs stellen, er eerzuchtig naar zijn, en dan zullen zij dit voor ons wezen. Diegenen zijn in waarheid van waardij, die zich meer schatten naar hun deugd en Godsvrucht, dan naar hun wereldlijke rijkdom en waardigheid.