Spreuken 19:5
Hier hebben wij:
1. De zonden, die met straf bedreigd worden: een vals getuigenis af te leggen voor het gerecht, en leugens te spreken in de omgang met elkaar. De mensen zouden niet tot zo'n diepte van goddeloosheid zijn vervallen om een vals getuigenis af te leggen (door hetwelk aan de schuld van liegen nog die van meineed en onrecht gevoegd wordt) indien zij er niet toe gekomen waren door onwaarheid te spreken in scherts, of onder voorwendsel van er goed mee te doen. Aldus leren zij hun tong leugen spreken, Jeremia 9:5. Zij, die zich de vrijheid veroorloven leugens te spreken in hun gesprekken, zijn goed op weg om zich schuldig te maken aan de nog grotere goddeloosheid van een vals getuigenis af te leggen zodra zij er toe worden verzocht hoewel zij haar schenen te verfoeien. Zij, die een leugen kunnen slikken, verderven hun geweten, zodat zij in een valse eed niet zullen stikken.
2. De bedreiging zelf. Zij zullen niet onschuldig zijn, dat is: zij zullen niet ongestraft blijven, zij zullen niet ontkomen. Dit geeft te kennen, dat hetgeen hen aanmoedigt in de zonde de hoop is op straffeloosheid, daar het een zonde is, die gewoonlijk aan de straf van de mensen ontkomt, hoewel de wet streng was Deuteronomium 19:18, 19. Maar aan het rechtvaardig oordeel Gods zal zij niet ontkomen, Hij is een ijverig God, en zal niet toelaten dat Zijn naam ontheiligd wordt. Wij weten waar het eeuwig deel zal zijn van de leugenaars.