Spreuken 26:15
Met heel veel moeite is de luiaard nu uit zijn bed gekomen, maar hij kon er even goed nog in liggen, want hij voert niets uit, hij is zo onhandig en links met zijn werk, dat hij hoegenaamd niet vordert.
Merk op:
1. Het voorwendsel om zijn luiheid te verontschuldigen. Hij verbergt zijn lamheid in de boezem uit vrees voor koude. Na zijn warm bed komt zijn warme boezem, of wel voorwendende dat hij lam is, zoals sommige bedelaars van beroep doen, zegt hij dat er iets scheelt aan zijn hand, hij wil dat men denken zal dat er door het harde werken van gisteren blaren op gekomen zijn, of het duidt in het algemeen zijn afkeer van werk aan, hij heeft het beproefd maar zijn handen zijn niet gewend om te werken, en daarom verheugt hij zich in zijn rust en bekommert zich om niemand. Het is iets geheel gewoons dat zij, die hun plicht niet willen doen, voorgeven dat zij het niet kunnen. Graven kan ik niet, Lukas 16:3.
2. Het nadeel, dat hij door zijn luiheid teweegbrengt. Hij zelf lijdt er verlies door, want hij laat zich verhongeren, hij is te moe om zijn hand naar zijn mond te brengen, hij kan het niet van zich verkrijgen om zich te voeden, ziet er tegen op, alsof het een zware arbeid was, om zijn hand naar zijn hoofd op te heffen. Het is een sierlijke hyperbole, om zijn zonde te verzwaren, dat hij het niet dragen kan om zich de minste moeite te geven, neen, al zou Hij er ook het grootste voordeel door verkrijgen, en om aan te tonen dat zijn zonde zijn straf is. Zij die lui zijn in het werk van de godsdienst, willen zich de moeite niet geven om hun ziel te voeden met het Woord van God, het brood des levens, of om door het gebed beloofde zegeningen te verkrijgen, hoewel zij ze slechte voor het vragen hebben.