27. Een bedrieger, en luiaard. zal zijn jachtvang niet braden, maar het kostelijk goed des mensen is het deel des vlijtigen, maar ook vele anderen ten zegen.
De meeste oude en vele nieuwe uitleggers geven den zin alzo aan: Een luiaard braadt zijn reeds geschoten en hem toebehorend wildbraad niet, niet eens dat, wat hij reeds heeft, heeft hij lust om te gebruiken: maar de vlijtige is voor de mensen, zelfs voor anderen; een kostelijke rijkdom..
Anderen, zoals Schultens, Delitzsch vertalen het woord in den grondtekst, door onze Staten-Overzetters door braden vertaald, door bewegen. Beide vertalingen duiden hetzelfde aan, hoewel het laatste nog sterker spreekt. Iemand die braadt, heeft iets, maar iemand die zelfs niet de moeite neemt, om het wild op te jagen, of in de engte te drijven, die heeft helemaal niets. Doel van dit vers is de armoede van den luiaard tegenover de rijkdom van den vlijtige te stellen.