Spreuken 17:7
Twee dingen worden hier als iets zeer ongerijmds voorgesteld.
1. Dat mensen van geen naam of faam opperste gezagvoerders zijn. Wat kan meer onvoegzaam zijn dan dat dwazen, die er voor bekend staan dat zij weinig verstand of oordeel hebben, staan naar hetgeen boven hen is en waarvoor zij in geen enkel opzicht geschikt zijn. In Salomo's spreuken is een dwaas een goddeloze, aan wie een voortreffelijke lip, dat is: een voortreffelijke rede of sprake, niet voegt omdat zijn wandel zijn voortreffelijke rede logenstraft. Wat hebben zij Gods inzettingen te vertellen, die de tucht haten? Psalm 50:16. Christus wilde aan de onreine geesten niet toelaten te zeggen, dat zij wisten dat Hij de Zone Gods is. Zie Handelingen 16:17, 18.
2. Dat mensen van grote naam en faam bedriegers zouden zijn. Indien het een verachtelijk mens niet voegt om te willen spreken als een wijsgeer of een staatsman, en niemand acht op hem slaat, daar men ingenomen is tegen zijn karakter, dan is het nog veel onbetamelijker voor een prins, voor een man van eer, om zich zijn hoedanigheid en het vertrouwen, dat in hem gesteld wordt, ten nutte te maken om te kunnen liegen, te veinzen en er geen bezwaar in te zien om zijn woord te breken. Liegen voegt slecht aan ieder mens, wie hij ook zij, maar wel het slechtst aan een prins, maar zo verdorven is de hedendaagse politiek, dat zij beweert dat vorsten zich niet verder gebonden moeten achten aan hun woord, dan met hun belangen strookt, en "qui nescit dissimulare, nescit regnare. Wie niet weet te veinzen, weet niet te regeren."