Handelingen 16:16-24
Paulus en zijne metgezellen waren gedurende enigen tijd te Filippi als begraven in onbekendheid, maar nu begint er notitie van hen genomen te worden.
I. Ene dienstmaagd, die een waarzeggenden geest had, heeft gemaakt, dat er notitie van hen genomen wordt, door hen bekend te maken als dienstknechten Gods. Merk op:
1. Het bericht, dat van deze dienstmaagd wordt gegeven. Zij was pythonissa, bezeten door zulk een waarzeggenden geest als zij geweest is, door wie de orakelen van Apollo te Delphos overgegeven werden. Zij werd gedreven door een bozen geest, die haar dubbelzinnige antwoorden inblies aan hen, die haar raadpleegden, hetgeen diende om hun ijdele nieuwsgierigheid naar toekomende zaken te bevredigen, maar hen dikwijls bedroog. In die tijden van onwetendheid, ongeloof en afgoderij heeft de duivel, onder de toelating Gods, aldus de mensen gevangen geleid tot zijn wil, en hij zou niet zulk ene verering van hen hebben ontvangen, als zij hem toebrachten, indien hij niet had voorgewend hun orakelen te geven, want daardoor kan hij zich als den god dezer wereld staande houden. Deze dienstmaagd bracht haren heren groot gewin toe met waarzeggen. Velen kwamen deze waarzegster raadplegen ter ontdekking van roverijen, het terugvinden van verlorene zaken, en inzonderheid, om zich door haar hun toekomst te laten voorspellen, en niemand kwam zonder het loon der waarzeggingen in zijne hand, overeenkomstig den rang en de hoedanigheid van den persoon en het gewicht der zaak, waar het om ging. Waarschijnlijk waren er velen, die voor zulke waarzeggers werden gehouden, maar deze was meer vermaard dan al de anderen, want, terwijl anderen enig gewin aanbrachten, heeft deze haren heren groot gewin toegebracht, daar zij meer dan de anderen geraadpleegd werd.
2. Het getuigenis, dat deze dienstmaagd gaf van Paulus en zijne metgezellen. Zij ontmoette hen op straat, als zij tot het gebed heengingen, naar het huis des gebeds, of liever, naar het werk des gebeds aldaar, vers 16. Zij gingen er openlijk heen, iedereen wist waar zij heengingen, en wat zij er gingen doen. Indien nu hetgeen deze dienstmaagd deed ene afleiding voor hen was, of hen hinderde in hun werk, dan is hier op te merken hoe listig Satan, deze grote verleider, is, daar hij ons juist dan zoekt af te leiden, als wij ons tot Godvruchtige oefeningen begeven, ten einde onze gemoedsrust te storen, ons uit ons humeur te brengen, juist wanneer wij het meest kalmte van geest nodig hebben. Toen zij hen ontmoette, volgde zij hen, roepende: "Deze mensen, hoe gering hun voorkomen ook zij, en met hoeveel minachting zij ook worden aangezien, zijn voorname mannen, want zij zijn dienstknechten Gods, des Allerhoogsten, mannen, die ons zeer welkom behoorden te wezen, omdat zij ons den weg der zaligheid verkondigen, zij verkondigen ons de zaligheid, die ons geluk zal wezen, en wijzen ons den weg om er toe te komen, en dat zal onze heiligheid wezen." Nu was dit getuigenis waar. Het is ene veelomvattende lofspraak op de getrouwe predikers van het Evangelie, en maakt, dat hun voeten liefelijk zijn, Romeinen 10:15. Zij zijn mensen van gelijke bewegingen als wij, en aarden vaten, maar:
a. "Zij zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, zij dienen Hem, worden gebruikt door Hem, zij wijden zich aan Zijne eer en verheerlijking, als dienstknechten. Zij komen tot ons met Zijne boodschap, zij dienen de doeleinden en belangen van Zijn koninkrijk. De goden, die wij, Heidenen, aanbidden, zijn mindere wezens, en dus gene goden, maar zij behoren den oppersten Numen, den allerhoogsten God, die boven alle mensen is en boven alle goden, die ons allen gemaakt heeft, en aan wie wij allen verantwoordelijk zijn. Zij zijn Zijne dienstknechten, en daarom is het onze plicht hen te eren, naar hen te luisteren, om den wille huns Meesters, en het is gevaarlijk voor ons hen te beledigen,"
b. "Zij verkondigen ons den weg der zaligheid." Zelfs de Heidenen hadden enig begrip van den ellendigen, jammerlijken toestand van het mensdom, en van hun behoefte aan verlossing, en dat was het, waarnaar zij zochten. "Welnu", zegt zij, "dat zijn de mensen, die ons verkondigen, ons tonen, wat wij zo lang, en zo te vergeefs gezocht hebben in onze bijgelovige, nutteloze aanzoeken bij onze priesters en orakelen. -In het Evangelie van Zijn Zoon heeft God ons duidelijk den weg der zaligheid getoond, ons gezegd wat wij doen moeten, om verlost te worden van de rampzaligheid, die wij door de zonde over ons gebracht hebben. Maar hoe kwam dit getuigenis in den mond van ene, die een waarzeggenden geest had? Is Satan tegen zich zelven verdeeld? Zal hij hen roemen en verheffen wier werk en roeping het is hem neer te werpen? Wij kunnen dit beschouwen:
a. Als door de kracht Gods afgedwongen, afgeperst van dien waarzeggenden geest tot eer van het Evangelie, zoals de duivel gedwongen was van Christus te zeggen: Ik ken U wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods, Markus 1:24. De waarheid wordt soms verheerlijkt en groot gemaakt door de belijdenis van hare tegenstanders, waarin zij tegen zich zelven getuigen. Christus wilde dat het getuigenis dezer dienstmaagd in het oordeel op zou staan tegen de mannen van Filippi, die de apostelen hebben geminacht en mishandeld. Het Evangelie heeft zulk een getuigenis niet van node, maar het zal hun oordeel verzwaren, dat de dienstmaagd, die zij voor andere dingen als een orakel, ene godsspraak hielden, de apostelen als Gods dienstknechten heeft bekend gemaakt. Of wel:
b. Als door den bozen geest, de arglistige slang, bedoeld tot oneer van het Evangelie. Sommigen denken, dat zij er mede op het oog had aanzien en vertrouwen te winnen voor zich zelf en voor hare voorspellingen, en aldus de winst voor hare meesters te vermeerderen door voor te wenden de belangen der apostelen voor te willen staan, die, dacht zij, ene toenemende vermaardheid begonnen te verkrijgen, of wel, dat zij Paulus naar den mond wilde spreken, in de hoop, dat hij den waarzeggenden geest niet van haar uit zou drijven. Anderen denken, dat Satan, die zich veranderen kan in een engel des lichts, en zeggen kan wat hem voor `t ogenblik dienstig is, hiermede bedoelde de apostelen te onteren, alsof dezen van hetzelfde gilde waren als hun waarzeggers, omdat zij getuigenis van hen ontvingen, en het volk dus even goed hen kon blijven aanhangen, aan wie zij gewoon waren. Zij, die geneigd waren de leer der apostelen aan te nemen, waren dezen waarzeggers niet genegen, en dus zullen zij door het getuigenis, dat zij den apostelen gaven, tegen het Evangelie bevooroordeeld worden. En wat hen betreft, die op deze waarzeggers acht gaven, de duivel dacht, dat hij van hen zeker kon zijn.
II. Christus heeft gemaakt, dat er notitie van hen werd genomen, door hun de macht te geven den duivel van deze dienstmaagd uit te werpen. Vele dagen lang bleef zij hen aldus naroepen, vers 18, en Paulus scheen toen gene notitie van haar genomen te hebben, niet wetende, of het niet misschien door God aldus verordend was ten dienste van Zijne zaak. Maar bevindende, dat het hun veeleer nadelig dan van dienst was, heeft hij haar spoedig het zwijgen opgelegd door den duivel van haar uit te werpen.
1. Paulus was daarover ontevreden. Het smartte hem te zien, hoe deze dienstmaagd als een werktuig van Satan gebruikt werd om het volk te bedriegen, te zien ook hoe het volk door hare waarzeggerijen bedrogen werd. Het verstoorde hem ene heilige waarheid aldus te horen misbruiken, en uit zulk een slechten mond en met zo slechte bedoelingen goede woorden te horen. Wellicht werden zij op spottenden toon gesproken als om hetgeen, waarop de apostelen aanspraak maakten, belachelijk te maken, zoals toen Christus' vervolgers Hem toeriepen: Wees gegroet, koning der Joden, en dan kon Paulus wel gegriefd zijn, smart gevoelen, zoals het hart van ieder Godvruchtige vervuld zal zijn van droefheid, als hij de goede waarheid Gods op smalende, spottende wijze op straat hoort uitschreeuwen.
2. Hij gebood den bozen geest van haar uit te gaan. Hij keerde zich om, in heilige verontwaardiging, vertoornd, zowel om de vleierij als om den smaad van den onreinen geest, en zei: Ik gebied u in den naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat, en daarmee zal hij tonen, dat deze mensen dienstknechten zijn van den levenden God, en zonder haar getuigenis kunnen bewijzen dit te zijn. Haar zwijgen zal het meer aantonen dan haar spreken. Aldus toont Paulus in waarheid den weg der zaligheid door de macht van Satan te verbreken en hem te ketenen, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, Openbaring 20:3, en dat deze zaligheid alleen te verkrijgen is in den naam van Jezus Christus, gelijk nu in Zijn naam de duivel uitgeworpen was, en door geen ander. Het was een grote zegen voor het land, als Christus door een woord den duivel uitwierp van hen, in wie hij de mensen verschrikte en kwelde, alzo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan, Mattheus 8:28, maar het was ene nog grotere weldaad voor het land, als Paulus nu, in den naam van Christus, den duivel uitwierp van ene, die de mensen bedroog, en misbruik maakte van hun lichtgelovigheid.
Er ging kracht uit met het woord van Christus, waar Satan niet tegen bestand was, maar genoodzaakt was zijne sterkte op te geven: hij ging uit ter zelfde ure.
III. De heren van de dienstmaagd van wie de boze geest uitgedreven was, maakten, dat er notitie van hen genomen werd, door hen voor de oversten te brengen, omdat zij dit gedaan hadden, het hun als ene misdaad ten laste leggende. De predikers van het Evangelie zouden nooit in de gelegenheid zijn geweest om tot de oversten te spreken, indien zij niet als kwaaddoeners voor hen gebracht waren geworden. Merk hier op:
1. Dat hetgeen hen vertoornde was, dat zij, toen de dienstmaagd tot zich zelf was gekomen, zagen, dat de hoop huns gewins weg was, vers 19. Zie hier het kwaad, waarvan geldgierigheid de wortel is! Indien de prediking van het Evangelie het bedrijf der zilversmeden te gronde richt, Hoofdstuk 19:24, veel meer nog zal zij het bedrijf der waarzeggers vernietigen, en daarom wordt hier een geweldig geschreeuw aangeheven, als Satans macht om te bedriegen verbroken is. En de priesters hebben het Evangelie gehaat, omdat het de mensen van den blinden dienst der stomme afgoden heeft afgekeerd, en aldus de hoop huns gewins weg was. De macht van Christus, welke bleek in het uitwerpen van den bozen geest uit deze vrouw, en de grote vriendelijkheid, aan haar bewezen, door haar uit Satans macht te bevrijden, maakten geen indruk op hen, nu zij begrepen, dat zij er geld door zouden verliezen.
2. De maatregelen, die zij ten hunnen opzichte genomen hebben, waren, de autoriteiten tegen hen in te nemen, hen aan dezen als strafwaardige lieden voor te stellen. Zij grepen Paulus en Silas en trokken hen met het uiterste geweld naar de markt, waar in het openbaar recht gesproken werd. Zij brachten hen voor de oversten, hun vrederechters, de duumviri. Van dezen brachten zij hen naar de hoofdmannen, de prætoren, of gouverneurs der stad, tois stratêgois -de officieren van het leger, zoals de betekenis is van het woord, maar het is in algemenen zin genomen voor rechters, of opperbestuurders. Tot dezen kwamen zij met hun klacht.
3. Waar zij hen van beschuldigden is, dat zij de stad beroeren, vers 20. Zij beschouwen het als ene uitgemaakte zaak, dat zij Joden zijn, die toen voor de Romeinen evenzeer een gruwel waren, als zij het lang te voren voor de Egyptenaren geweest zijn. Zeer treurig stond het met de zaak der apostelen, als het hun tot ene versmaadheid wordt gerekend, dat zij Joden zijn, terwijl toch de Joden hun heftigste vervolgers waren. De algemene beschuldiging luidt, dat zij de stad beroerden, onenigheid zaaiden, den openbaren vrede verstoorden, opschudding en oproer veroorzaakten, terwijl toch niets meer onwaar en onrechtvaardig kon zijn, zoals Achabs beschuldiging van Elia vals was, 1 Koningen 18:17. Zijt gij die beroerder Israël's? Indien zij de stad beroerden, dan was dit slechts als het beroeren van het badwater van Bethesda door den engel, ten einde genezing teweeg te brengen, schudding veroorzakende, om tot ene gelukkige, vreedzame rust te komen. Zo roept men tegen hen, die de luiaards wakker schudden, dat zij hen storen en ontrusten. Waar zij hun beschuldiging op gronden, is, dat zij zeden verkondigden, die door ene Romeinse kolonie niet aangenomen mogen worden, vers 21. De Romeinen waren altijd achterdochtig tegenover nieuwigheden in den Godsdienst. Aan hetgeen zij door overlevering van hun vaderen hadden ontvangen, hoe ijdel dit ook was, wilden zij vasthouden, gene vreemde godheid werd, zonder goedkeuring van den senaat, toegelaten, de goden van hun land, hetzij zij waar of vals zijn, moeten hun goden wezen. Het was een der wetten van de twaalf tafelen. Heeft ene natie hare goden veranderd? Dit bracht hen in woede tegen de apostelen, dat zij een Godsdienst leerden, verderfelijk voor het polytheïsme en de afgoderij, en hen vermaanden dat zij zich van die ijdelheden zouden bekeren. Dat konden de Romeinen niet verdragen. "Indien dit toeneemt, lopen wij gevaar om onzen godsdienst kwijt te raken."
IV. De hoofdmannen hebben door de maatregelen, die zij tegen hen namen, gemaakt, dat er notitie van hen genomen werd.
1. Door de vervolging te steunen, zij hebben de schare tegen hen opgezet, vers 22. De schare stond gezamenlijk tegen hen op, gereed om hen te verscheuren. Het is Satans kunstgreep geweest, om Gods dienstknechten en Zijn volk hatelijk te maken in de ogen van het gemeen door hen voor te stellen als gevaarlijke lieden, die het op de vernietiging der landswet gemunt hadden, en de zeden wilden veranderen, als er toch in werkelijkheid geen grond was voor die aantijging.
2. Door over te gaan tot ene strafoefening hebben zij hen voorgesteld als de ergsten der boosdoeners. Zij scheurden hun de klederen af, met toorn en woede, daar zij geen geduld hadden om hen op gewone wijze te doen ontkleden, ten einde gegeseld te worden. Hierop doelt de apostel, als hij er van spreekt, dat hun smaadheid was aangedaan te Filippi 1 Thessalonicenzen 2:2. Zij bevalen hen te geselen als landlopers, door de lictoren, die de prætoren vergezelden, en tot dat doel roeden droegen. Dit was een van de drie malen, dat Paulus met roeden was geslagen, volgens Romeins gebruik, dat niet onder de barmhartige beperking stond, waarbij de Joodse wet verordineerde, dat het aantal slagen niet boven de veertig mocht zijn. Hier wordt gezegd, dat zij hun vele slagen gegeven hadden, vers 23, zonder ze te tellen, omdat zij hen verachtelijk hielden Deuteronomium 25:3. Nu zou men denken, dat hun wreedheid hiermede voldaan zou zijn. Indien zij gegeseld moeten worden, dan voorzeker, moeten zij ook losgelaten worden. Maar neen! zij worden gekerkerd, en waarschijnlijk was het hun voornemen om nog verder ene vervolging tegen hen in te stellen, en dan de doodstraf te eisen. Waartoe anders die uiterste zorge om te voor komen, dat zij zouden ontsnappen? De rechters gaven bevel hen strikt en nauwkeurig te bewaken, zij geboden den stokbewaarder, dat hij hen zeker bewaren zou, een waakzaam oog op hen zou houden, alsof zij gevaarlijke lieden waren, die of zelf zouden trachten uit te breken uit de gevangenis, of in verbond waren met hen, die zouden pogen hen te bevrijden. Aldus bedoelden zij hen hatelijk te maken, ten einde zich te kunnen rechtvaardigen wegens de lage behandeling, die zij hun aandeden. De stokbewaarder maakte hun gevangenschap dan ook zeer streng, vers 24. Hoewel hij hen veilig genoeg in den buitensten kerker had kunnen bewaren, wierp hij hen toch in den binnensten kerker. Hij bemerkte, dat de hoofdmannen zeer vertoornd waren op die mensen, en streng jegens hen wilden handelen, daarom wilde hij zich aangenaam bij hen maken, door met de uiterste strengheid jegens de gevangenen te handelen. Als overheidspersonen wreed zijn, dan is het niet te verwonderen, dat de onder hen dienende ambtenaren het ook zijn. Hij wierp hen in den binnensten kerker, waar gewoonlijk alleen veroordeelde misdadigers opgesloten werden. waar het zelfs op den middag duister was, vochtig en koud, waarschijnlijk ook vuil, in alle opzichten onaangenaam, zoals het kerkerhol, waarin Jeremia werd neergelaten, Jeremia 38:6, en, alsof dat nog niet genoeg was, verzekerde hij hun voeten in den stok. Hij had wellicht gehoord van het ontkomen van predikers van het Evangelie uit de gevangenis, waarvan de deuren met alle verzekerdheid waren toegesloten, Hoofdstuk 5:19, 12:9, en nu dacht hij wijzer te zullen zijn dan die andere gevangenbewaarders, en zich van zijne gevangenen te verzekeren, door hen in boeien te slaan, hun voeten in den stok. En zij waren niet de eersten van Gods boodschappers, wier voeten in den stok geklemd werden, Jeremia heeft die behandeling ondervonden, en dat wel in het openbaar, in de bovenste poort Benjamins, Hoofdstuk 20:2. Ook Jozef: men drukte zijne voeten in den stok, Psalm 105:18. O welke harde behandeling hebben de dienstknechten Gods ondervonden, in de latere zowel als in de vroegere tijden! Getuige het Boek der Martelaren, der martelaren uit den tijd van koningin Maria.