24. a) In het aangezicht des verstandigen, die het onderscheid kent tussen leugen en waarheid, tussen onrecht en recht, is wijsheid; 1) hij heeft de wijsheid, die uit God is, in het oog en laat zich door haar in zijne schriften besturen (
Hoofdstuk 15:14); maar de ogen des zots, die de waarheid veracht, dwalen van het een op het ander, en zijn dan hierheen, dan daarheen gericht, zij zouden tot in het einde der aarde 2) willen doordringen; `t is echter jammerlijk met hem gesteld, want hij denkt aan alle dingen, die hem maar voor den geest komen, alleen niet aan het nodigste en het gewichtigste (
Hoofdstuk 4:25).
a) Prediker 2:14; 8:1.
1) In het Hebreeën Etphenee mebin chokmah. Beter: voor het aangezicht des verstandigen ligt wijsheid. Dat is: de verstandige heeft het oog gericht op de wijsheid om die te bezitten. Dan komt de tegenstelling met het tweede gedeelte ook beter uit, wanneer gezegd wordt, dat de ogen der zotten zijn in of op de einden der aarde, m.a.w. dat hij zijne ogen niet op een vast doel, d.i. op wijsheid heeft gericht, maar dat deze her- en derwaarts dwalen. - 2) Gelijk het verstand eens wijzen zich zelfs in zijn gelaat vertoont, en een dwaas gekend wordt aan zijne dartele en wonderlijke ogen, zo heeft de ene zijne wijsheid altijd gereed, om daardoor geleid en bestuurd te worden, terwijl de andere niet weet wat te volgen, en zijne gedachten te vergeefs op en neer zwerven, al doorloopt hij de aarde tot haar einde toe.