Jakobus 4:11-17
In dit gedeelte van het hoofdstuk wordt ons:
I. Een waarschuwing gegeven tegen de zonde van kwaadspreken. Broeders, spreekt niet kwalijk van elkaar, vers 11. Het Griekse woord katalaleite betekent iets zeggen, dat een ander kwaad berokkent of beledigt. Wij moeten geen slechte dingen van anderen spreken, ofschoon ze waar zijn, tenzij wij er toe geroepen worden en er noodzaak toe is. Veel minder nog moeten wij slecht gerucht verbreiden, dat vals is, of voorzover wij weten vals kan zijn. Onze lippen moeten bestuurd worden door de wet der vriendelijkheid, zowel als door die van waarheid en rechtvaardigheid. Hetgeen Salomo opnoemt als een noodzakelijk deel van het kenmerk ener deugdelijke huisvrouw: zij doet haar mond open met wijsheid en op haar tong is leer der goeddadigheid, Spreuken 31:26, moet beschouwd worden als een der kentekenen van iedere waren Christen. Spreekt niet kwalijk van elkaar.
1. Omdat gij broederen zijt. De apostel geeft voor zijn vermaning een sterke beweegreden. Omdat de Christenen elkanders broederen zijn, behoren zij elkaar niet te benadelen en te onteren. Van ons wordt vereist dat wij teder zijn met den goeden naam onzer broederen. Indien wij niets goeds kunnen zeggen, is het beter te zwijgen dan iets kwaads te spreken, wij moeten er geen behagen in scheppen het kwaad van anderen te vertellen, geheime dingen te openbaren, alleen om ze bekend te maken. Wij mogen hun bekende gebreken niet meer openbaren dan zij werkelijk verdienen, en vooral geen vals gerucht verbreiden omtrent hen, die onschuldig zijn. Dat is immers niet anders dan den haat en de vervolgingen der wereld aanmoedigen tegen hen, die dezelfde belangen hebben als wij en met wie wij zelven dus moeten staan en vallen! Overweegt dat, mijne broederen.
2. Omdat zo iets is de wet oordelen.
Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. De wet van Mozes beveelt: Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uwe volken, Leviticus 19:16. De wet van Christus luidt: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, Mattheus 7:1. De hoofdsom en inhoud van beide is dat de mensen elkaar moeten liefhebben. Een lasterende tong veroordeelt dus de wet van God en het gebod van Christus, terwijl zij haar naasten onteert. Gods geboden overtreden is eigenlijk kwaad er van spreken, en ze veroordelen alsof ze al te rechtvaardig waren en ons te grote onthouding oplegden. De Christenen, aan wie Jakobus schreef, waren geneigd om zeer harde dingen van elkaar te zeggen, ter oorzake van hun geschillen over onverschillige dingen (zoals het onderhouden van spijzen en dagen, gelijk blijkt uit Romeinen 14). Welnu, zegt de apostel, hij die zijn broeder beschuldigt en veroordeelt omdat die met hem niet overeenstemt in deze dingen, welke Gods wet in `t midden laat, beschuldigt en veroordeelt daardoor de wet, alsof die kwaad gedaan had door die dingen als middelmatige te behandelen. Hij, die met zijn broeder twist en hem veroordeelt om enige zaak, die niet door Gods Woord beslist is, maakt daardoor aanmerking op dat Woord alsof het geen volmaakte regel ware. Laat ons er tegen waken om de wet te veroordelen, want de wet des Heeren is volmaakt. Indien de mensen de wet overtreden, kunnen wij aan haar overlaten hen te oordelen, en indien zij die niet overtreden, mogen wij hen niet oordelen. Het is een boosaardige zonde, omdat ze ons geheel onze plaats doet vergeten, in plaats van daders der wet te zijn werpen wij ons op tot haar rechters. Wie zich schuldig maakt aan de hier-besproken zonde is geen dader, maar een rechter, hij bemachtigt een plaats, die hem niet toekomt, en hij zal zeker eindelijk voor die aanmatiging gestraft worden. Zij, die er het gemakkelijkst toe overgaan om als rechters van de wet op te treden, komen gewoonlijk het meest tekort in haar te gehoorzamen.
3. Omdat God, de Wetgever, zich de macht heeft voorbehouden om het eindvonnis te vellen over de mensen. Er is een enig Wetgever, die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een ander oordeelt? Vorsten en staten zijn door het hier gezegde niet uitgesloten van de bevoegdheid om wetten te maken, evenmin worden onderdanen er door aangemoedigd om menselijke wetten ongehoorzaam te zijn, maar God moet erkend blijven als de opperste Wetgever, die alleen de wet geven kan aan het geweten, en die alleen onvoorwaardelijk gehoorzaamd moet worden. Zijn recht om de wet voor te schrijven is onbetwistbaar, omdat Hij de macht heeft tot gehoorzaamheid te dwingen. Hij kan behouden en verderven, zoals niemand anders het kan. Hij heeft volkomen macht om alle vervulling van Zijn wetten te belonen, en alle ongehoorzaamheid te straffen, Hij kan de ziel zalig en voor eeuwig gelukkig maken, en Hij kan haar na haar gedood te hebben, in de hel werpen. En daarom moet Hij als de grote Wetgever geëerbiedigd en alle oordeel aan Hem overgelaten worden. Omdat Hij de enige Wetgever is, moeten wij tot het besluit komen, dat geen mens en geen gezelschap op aarde voorgeven mag wetten te kunnen uitschrijven, die de gewetens binden, dat is Gods kroonrecht, waarop geen inbreuk mag gemaakt worden. Gelijk de apostel tevoren vermaand heeft niet vele meesters te zijn, zo waarschuwt hij hier niet vele rechters te zijn. Laat ons niet onzen broederen de wet stellen, niet hen beoordelen en veroordelen, het is genoeg dat wij de wet Gods hebben, die ons allen regeert, en daarom mogen wij er geen andere wetten bij maken. Wij mogen ons niet aanmatigen onze eigen inzichten en meningen aan anderen op te dringen, want er is een enig Wetgever.
II. Wij worden gewaarschuwd tegen roekeloos vertrouwen op het voortduren van ons leven en tegen het ontwerpen van plannen alsof wij daarvan of van het welslagen dier plannen zeker waren, vers 13, 14. De apostel na hen te hebben bestraft, die rechters en veroordelaars van de wet waren, berispt nu hen, die geen ontzag voor Gods Voorzienigheid hadden.
Welaan nu, - een wijze van spreken om de aandacht te vragen, het Griekse woord kan vertaald worden: Let nu eens op! -gij die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk ene stad reizen, en aldaar een jaar overblijven, en koopmanschap drijven en winst doen. Denkt eens even na over deze wijze van spreken en geeft er uzelven rekenschap van. Ernstige beschouwing van zulke woorden en daden zal ons tonen in hoeveel ondeugden wij gereed staan daardoor, schoon onopzettelijk, te vervallen en te blijven. Steeds waren er mensen, gelijk er nu nog zijn, die zeiden: Wij zullen naar die of die stad gaan en dit of dat doen, op een wijze, waardoor alle eerbied voor de beschikkingen der Voorzienigheid werd verwaarloosd. Merk hierbij op:
1. Hoe geneigd wereldse ondernemende mensen zijn om God buiten hun plannen te laten. Aardse dingen hebben, wanneer zij onze zielen innemen, een eigenaardig vermogen om de hoge gedachten der harten te vermenigvuldigen. Wij moeten er daarom tegen waken, dat we niet opgaan in het zoeken en najagen van de dingen, die van de aarde zijn.
2. Hoeveel werelds geluk er ligt in de beloften, die de mensen zich zelven doen. Hun hoofden zijn vol van heerlijke droombeelden van hetgeen zij denken te verrichten en te zijn, en te genieten in de toekomst, ofschoon zij niet de minste zekerheid hebben van den tijd en van de voordelen, die zij zich zelven beloven.
3. Hoe ijdel het is op enig goeds in de toekomst te rekenen buiten de besturingen van de Voorzienigheid. Wij zullen gaan naar de stad, naar Antiochië, naar Damascus, naar Alexandrië, toen de grote handelsplaatsen, -maar hoe konden zij er zeker van zijn dat zij gaan zouden, dat zij er zouden aankomen? Hoe gemakkelijk kon er iets gebeuren, dat hun reis verhinderde, dat hen ergens anders riep of den draad huns levens afsneed! Menigeen, die een reis begon, heeft die nooit voleind maar is naar zijn eeuwig huis gegaan. Maar ondersteld dat zij de bedoelde stad bereikten, hoe zouden zij weten dat zij er konden blijven? Er kon iets in den weg komen, dat hen terug of ergens anders heen riep en op die wijze hun verblijf verkortte. Of aangenomen dat zij den gehelen voorgenomen tijd konden blijven, dan was het nog niet zeker dat zij daar konden kopen en verkopen, misschien zouden zij er ziek liggen, of zouden zij er niet de handelswaar vinden, die zij zochten. Ja, ondersteld dat zij in die stad aankwamen, en er werkelijk een jaar konden blijven, en zouden kopen en verkopen, dan kon het nog zijn dat zij er geen winst maakten, want het maken van winst is een van de onzekerste dingen in de wereld, en het kon zeer goed zijn dat zij verliezen leden in plaats van winst maakten. En daarom moeten al deze bijzonderheden zowel als de zwakheid, kortheid en onzekerheid des levens, de ijdelheid en het aanmatigend vertrouwen van zulke beschikkers over de toekomst, knotten. Want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. vers 14. God heeft ons wijselijk in het onzekere gelaten omtrent toekomstige gebeurtenissen, zowel als omtrent den duur onzes levens. Wij weten niet wat morgen geschieden zal, wij kunnen weten wat wij ons voornemen te zijn en te doen, maar er kunnen duizend dingen gebeuren, die het ons beletten! Wij zijn niet zeker van het leven zelf, want het is niet meer dan een damp, het schijnt iets te zijn, maar het is niet degelijk en zeker, het wordt gemakkelijk verstoord en verwoest. Wij kunnen uur en minuut van zonsopgang en ondergang berekenen, maar we kunnen niet weten hoeveel tijd een damp zal nodig hebben om te verdwijnen. Zodanig is ons leven, het wordt voor een weinig tijds gezien en verdwijnt daarna, het verdwijnt uit deze wereld, maar er is een leven, dat in de andere wereld voortgezet wordt, en aangezien het tegenwoordige leven zo onzeker is, past het ons voor het toekomende ons voor te bereiden en alles in gereedheid te brengen.
III. Ons wordt geleerd een gestadig gevoel van onze afhankelijkheid van God voor ons leven en al onze daden te bewaren. In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil en wij leven zullen, zo zullen wij dit en dat doen, vers 15. Nadat de apostel in hen bestraft had wat verkeerd was, onderricht hij hen nu wat zij doen moeten. Gij behoort te zeggen-altijd in uw hart en bij passende gelegenheden met de tong- voornamelijk in uw gedurige gebeden en godsdienstoefeningen, dat indien de Heere u gelegenheid geeft, indien Hij het wil toestaan en zegenen, gij het voornemen hebt om dit of dat te doen. Dat moet niet gezegd worden op oppervlakkige, vormelijke en gewone wijze, maar zo dat wij er bij denken en eerbiedig en ernstig daarbij zijn. Het is goed op die wijze te spreken wanneer wij enig voornemen aan anderen bekendmaken, maar het is een onmisbaar vereiste het bij alle onze plannen, tot ons zelven te zeggen sun theooi, met toestemming en zegen Gods, waren de Grieken gewoon te zeggen bij het begin van elke onderneming.
1. Zo de Heere wil en wij leven. Wij moeten steeds bedenken, dat onze tijden niet in onze hand zijn, maar ter beschikking van God, wij leven zolang als God het bepaalt en in de omstandigheden die God vaststelt, en daarom moeten wij, evenals ons leven zelf, aan Hem onderworpen zijn. 2. Zo de Heere wil zullen wij dit of dat doen. Al onze voornemens en daden staan onder het bestier des Hemels. Onze hoofden kunnen vervuld zijn met zorgen en voornemens. Wij kunnen denken dit en dat te doen voor ons zelven, voor onze verwanten, voor onze vrienden, maar de Voorzienigheid breekt soms al onze maatregelen en werpt al onze plannen in duigen. Daarom moeten onze raadslagen en onze daden zowel als ons gedrag alleen en geheel met het oog op God geschieden, zodat wij alles, wat wij doen, verrichten in onderworpen afhankelijkheid van God.
IV. Ons wordt geleerd ijdelen roem te schuwen en daarop te zien als op een zwak, en ook zeer boos ding. Maar nu roemt gij in uw hoogmoed, alle zodanige roem is boos, vers 16. Zij beloofden zich zelven leven en voorspoed en grote dingen in de wereld, zonder enigen rechten eerbied voor God, en daarna beroemden zij zich er op. Dat is de vreugde der wereldlingen: zich te beroemen op hun welslagen, ja, dikwijls beroemen zij zich op hun plannen zonder nog te weten of zij er in slagen zullen. Hoe menigmaal beroemen mensen zich op dingen, zonder daartoe enig ander recht te hebben dan dat voortkomt uit hun ijdelheid en aanmatiging. Al zulke roem is boos, zegt de apostel, hij is dwaas en schadelijk. Want de mensen beroemen zich op wereldse dingen en op hun ontwerpen, terwijl zij behoorden acht te slaan op de nederige, voor hen liggende plichten, vers 8-10, en dat is een zeer boos ding. Het is een grote zonde in Gods schatting, het zal over hen zelven grote teleurstelling brengen en het zal eindigen in hun verwoesting. Wanneer wij ons in God er over verheugen, dat onze tijden in Zijne hand zijn, dat alle gebeurtenissen onder Zijne leiding staan, en dat Hij de God onzes verbonds is, dan is onze blijdschap goed, de wijsheid, macht en voorzienigheid Gods zijn dan bezig om alle dingen ons ten goede te doen medewerken. Maar het is verkeerd wanneer wij ons verheugen in onze eigen ijdele verwachtingen en aanmatigenden roem, dat is een kwaad, hetwelk alle wijze en goede mensen zorgvuldig moeten vermijden.
V. Hier wordt ons geleerd in alle handelingen, in ons gehele gedrag, onze overtuiging te volgen en hetzij wij met God of met mensen te doen hebben, op te letten dat wij nooit tegen ons weten ingaan, vers 17. Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde, vers 17, het is verzwarende zonde, het is zonde onder getuigen, en het is de slechtste getuige, die iemand hebben kan, wanneer hij zondigt tegen zijn geweten. Merk hier op:
1. Dit staat in onmiddellijk verband met de les om te zeggen: Indien de Heere wil, zullen wij dit of dat doen. Zij zouden kunnen zeggen: "Dat spreekt vanzelf, wie weet niet dat wij allen voor leven, adem en alle dingen afhankelijk zijn van den almachtigen God?" Indien gij dat dan weet, denkt er dan aan dat wanneer gij handelt niet overeenkomstig die afhankelijkheid, het te groter zonde is voor hem, die weet goed te doen en het niet doet.
2. Verzuimen zijn, evengoed als verkeerde daden, zonden waarvoor wij in het gericht zullen komen. Hij, die het goede dat hij weet niet doet, zal evenzeer veroordeeld worden als hij, die het kwade doet dat hij weet. Laat ons daarom zorg dragen dat ons geweten goed onderricht worde en daarna getrouw en geregeld gehoorzaamd, want indien ons hart ons niet veroordeelt, dan hebben wij vrijmoedigheid voor God, maar indien wij zeggen: wij zien! en dan niet handelen overeenkomstig hetgeen wij zien, dan blijft onze zonde. Johannes 9:41.