1 Timotheus 6:6-12
Uit de vermelding van het misbruik, dat sommigen van den godsdienst maken, door dien hun bijzondere belangen te laten dienen, komt de apostel:
I. Tot het bespreken van de voortreffelijkheid der tevredenheid en het kwade van de gierigheid.
1. De uitnemendheid van tevredenheid of vergenoegdheid, vers 6-8. Sommigen achten het Christendom een voordelige belijdenis voor deze wereld. In den zin zoals zij het bedoelen, is dat niet waar, en toch is het ontwijfelbaar waar, dat ofschoon het Christendom de slechtste handelszaak is, het de beste roeping is. Zij, die er koophandel van maken, alleen om er hun voordeel in deze wereld mede te bevorderen, zullen teleurgesteld worden en slechte zaken doen. Maar zij, die het als hun roeping beschouwen en daar hun werk van maken, zullen het een winstgevende roeping vinden, want het heeft de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
A. De waarheid, waarop hij de aandacht vestigt, is dat de godzaligheid een groot gewin is met vergenoeging. Sommigen lezen hier: godzaligheid met genoegzaamheid, dat is: indien iemand slechts weinig in de wereld heeft, zo het maar toereikend is om hem door dit leven heen te helpen, dan begeert hij niets meer, zijn godzaligheid met dat weinige zal hem een groot gewin zijn. Want het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen, Psalm 37:16. Wij lezen het: godzaligheid met vergenoeging, godzaligheid op zichzelf is een groot gewin, zij is nuttig voor alle dingen, en waar ware godzaligheid is, daar zal ook vergenoeging zijn, want zij, die met godzaligheid het verst gevorderd zijn in vergenoeging, zijn zeker de gelukkigste mensen ter wereld. Godzaligheid met vergenoeging, dat is Christelijke vergenoeging die uit de beginselen der godzaligheid ontspruit, is een groot gewin en overtreft alle weelde der wereld. Hij, die goddelijk zeker is dat hij in de toekomende wereld gelukkig zijn zal, heeft, zo hij zich tevreden schikt naar zijn toestand in deze wereld, altijd genoeg. Wij zien hier:
a. Het gewin eens Christens, dat is godzaligheid met vergenoeging, dat is de zekerste weg om dat gewin te verkrijgen, ja het is het gewin zelf.
b. Het gewin des Christens is groot, het is niet gelijk de kleine winsten der wereldlingen, die zo gesteld zijn op een weinig wereldsen voorspoed.
c. Godzaligheid gaat in meerdere of mindere mate altijd gepaard met vergenoeging, alle ware godzaligen hebben met Paulus geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen zij zijn, Filippenzen 4:11. Zij zijn vergenoegd met hetgeen God over hen beschikt, wel wetende dat dit het beste voor hen is. Laat ons daarom altijd trachten naar godzaligheid met vergenoeging.
B. De reden, die hij er voor aangeeft: Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daar uit dragen, vers 7. Dat is de reden, waarom wij met weinig tevreden moeten zijn.
a. Omdat wij niets als een schuld kunnen eisen, want wij kwamen naakt in de wereld. Wat wij ook sinds dat ogenblik hebben, is te danken aan de goddelijke voorzienigheid, maar Hij die geeft mag ook nemen wat en wanneer het Hem behaagt. Wij hadden ons wezen, ons lichaam, ons leven (die meer zijn dan voedsel en kleding) toen wij in de wereld kwamen, doch wij kwamen naakt en brachten niets mede, zullen wij dan niet tevreden zijn indien ons leven verlengd wordt, ofschoon wij niet alles hebben wat wij zouden begeren? Wij brachten niets mede in de wereld, en toch voorzag God ons, droeg zorg voor ons, wij zijn levenslang door Hem gevoed tot op dezen dag, en daarom, al worden we in de grootste moeilijkheden gebracht, wij kunnen niet armer zijn dan toen wij in de wereld kwamen, en toen werden wij van al het nodige voorzien, laat ons daarom op God vertrouwen voor het overige deel van onze pelgrimsreize.
b. Wij zullen ook niets uit deze wereld uitdragen. Een lijkkleed, een doodkist, een graf, meer kan ook de rijkste niet verkrijgen van al zijn wereldse schatten! Waarom zullen wij naar meer gieren? Waarom zullen wij niet met een weinig tevreden zijn, omdat wij, hoeveel wij ook mogen bezitten, toch alles zullen moeten achterlaten, Prediker 5:15, 16.
C. Hier voegt hij aan toe: Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmee vergenoegd zijn, vers 8. Voedsel en deksel, het laatste bedoelt woning zo goed als kleding. Wanneer God ons het nodige levensonderhoud geeft, moeten wij daarmee vergenoegd zijn, al ontbreken ons de genoegens en weelde van het leven. De natuurlijke mens behoort met weinig tevreden te zijn, maar de begenadigde niet minder, ofschoon wij geen keur van spijzen en geen fraaie klederen hebben, moeten wij tevreden zijn met geschikt voedsel en kleed. Agur bad: Armoede of rijkdom geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels, Spreuken 30:8. Hier zien wij:
a. De dwaasheid van ons geluk te stellen in die dingen, omdat wij niets in de wereld medebrachten en er ook niets uitdragen kunnen. Wat zullen wereldlingen aanvangen, wanneer de dood hen ontbloot van al hun geluk en bezittingen, en zij al die dingen een vaarwel voor eeuwig moeten toeroepen, waarop ze al hun vertrouwen gesteld hadden? Dan kunnen zij met den armen Micha zeggen: Gij hebt mijne goden weggenomen, wat heb ik nu meer! Richteren 18:24.
b. De noodzakelijkheden des levens zijn de grens van begeerte van een waar Christen, en daarmee moet hij trachten tevreden te zijn. Zijn begeerte is niet onverzadelijk, neen, een weinig, een weinig van de gemakken dezes levens, is hem genoeg, en dat mag hij hopen te zullen genieten: voedsel en deksel.
2. Het kwaad der gierigheid. Doch die rijk willen worden, - zij, die hun hart gesteld hebben op de weelde der wereld, en besloten hebben dat zij het, goedschiks of kwaadschiks, zullen verkrijgen, - vallen in verzoeking en in den strik, vers 9. Er wordt niet gezegd: die rijk zijn, maar: die rijk willen worden, dat is: die hun geluk stellen in de weelde der wereld, die daarnaar onredelijk begeren, en ijverig en woest zijn in het najagen daarvan. Zulke vallen in verzoeking en in den strik, onvermijdelijk, want, zodra de duivel ziet in welken weg hun begeerten hen leiden, zal hij daar zijn lokaas uithangen. Hij wist hoe begerig Achan naar een gouden haak was, en daarom hield hij hem er een voor. Zij vallen in vele dwaze en schandelijke begeerlijkheden. Merk hier op:
A. De apostel onderstelt dat:
a. Sommigen rijk willen worden, zij zijn daartoe besloten, niets minder dan grote overvloed zal hen voldoen. b. Dezen zullen niet veilig of onschuldig blijven, zij zullen in gevaar komen van zich zelven voor eeuwig te verwoesten, zij vallen in verzoeking en strikken.
c. Wereldse begeerlijkheden zijn dwaas en schandelijk, want zij trekken de mensen in verderf en ondergang.
d. Het is nuttig voor ons te letten op het gevaar van wereldse, vleselijke lusten. Zij zijn dwaas, en daarom moeten wij er ons voor schamen, schandelijk, en daarom moeten wij er voor bevreesd zijn, vooral omdat ze in zo hoge mate schandelijk zijn, dat zij de mensen in verderf en ondergang trekken.
B. De apostel bevestigt dat de geldgierigheid is de wortel van alle kwaad, vers 10. Tot welke zonden worden de mensen al niet verleid door geldgierigheid! Zij was de voorname oorzaak van den afval van het Christelijk geloof van velen, omdat zij geldgierig waren, dwaalden zij af van het geloof, verlieten het Christendom, en doorstaken zich zelven met vele smarten. Merk op:
a. De wortel van alle kwaad is de liefde tot het geld. Men mag geld bezitten, maar het niet liefhebben, want indien wij het onredelijk liefhebben, zal het ons tot allerlei kwaad verleiden.
b. Geldgierige personen zullen het geloof verlaten, zodra zij daardoor geld kunnen machtig worden. Tot welke sommigen lust hebbende, zijn afgedwaald van het geloof. Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen, 2 Timotheus 4:10. Want de wereld was hem dierbaarder dan het Christendom. Zij, die van het geloof afdwalen, doorsteken zich zelven met vele smarten. Die God verlaten leggen zich toorn als een schat op.
II. Hij gebruikt deze gelegenheid om Timotheus te waarschuwen, en hem te raden te blijven in den weg van God en van zijn plicht, en vooral om zijn plichten als dienaar te vervullen. Hij noemt hem mens Gods. Dienaren zijn mensen Gods, en behoren zich in alles als zodanig te gedragen, zij zijn mensen in Gods dienst, meer onmiddellijk aan Zijne eer gewijd. De profeten van het Oude Testament werden mannen Gods genoemd.
1. Hij waarschuwt Timotheus op zijn hoede te zijn tegen de liefde voor het geld, die voor menigeen zo noodlottig geworden was. Vlied deze dingen. Het benadeelt iedere mens, maar vooral den mens Gods, het hart op de dingen dezer wereld te zetten. Mensen Gods moeten alles geven aan de dingen Gods.
2. Ten einde hem te wapenen tegen de liefde voor de wereld, beveelt hij hem het goede te volgen: Jaag na gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid, vers 11. Gerechtigheid in zijn omgang met de mensen, godzaligheid jegens God, geloof en liefde als levensbeginselen, om hem te steunen en te leiden in de praktijk der gerechtigheid en godzaligheid. Zij die, uit een beginsel van geloof en liefde, gerechtigheid en godzaligheid najagen, moeten lijdzaamheid en zachtmoedigheid aandoen, lijdzaamheid om de beproevingen der Voorzienigheid en de verwijten der mensen te verdragen, zachtmoedigheid in het wederleggen van de tegensprekers en om beledigingen en onrecht, die hun aangedaan worden, onopgemerkt te laten. Het is niet genoeg dat mensen Gods verkeerde dingen vlieden, zij moeten ook najagen wat daar tegenover staat. Hoe uitnemende personen zijn mensen Gods, die de gerechtigheid najagen! Zij zijn de beste van de wereld, en aangenaam zijnde bij God, zullen zij door de mensen aangenomen worden. 3. Hij vermaant hem den plicht van een krijgsknecht te vervullen. Strijd den goeden strijd des geloofs. Zij, die den hemel willen binnengaan, moeten zich den weg daarheen vrijvechten. Er moet botsing zijn met bederf en verzoekingen en met de machten der duisternis. -Het is een goede strijd, het is een goede zaak, het zal een goede uitslag zijn. Het is de strijd des geloofs, wij strijden niet naar het vlees, want de wapenen onzes strijds zijn niet vleselijk, 2 Corinthiërs 10:3, 4.
4. Hij vermaant hem: Grijp naar het eeuwige leven. Merk hier op:
A. Het eeuwige leven is de kroon, die ons voorgehouden wordt, tot onze aanmoediging in den strijd, en om den goeden strijd des geloofs vol te houden.
B. Daar moeten wij naar grijpen, als dezulken die bevreesd zijn haar te verliezen. Grijp er naar, grijp het, en: Houd wat gij hebt, dat niemand u uw kroon ontneme, Openbaring 3:11.
C. Wij worden opgeroepen om te strijden en het eeuwige leven te grijpen.
D. De belijdenis, die Timotheus-en alle getrouwe dienaren-afgelegd heeft voor vele getuigen, is een goede belijdenis, want zij belijden en verbinden zich den goeden strijd des geloofs te strijden en naar het eeuwige leven te grijpen, hun roeping en hun eigen belijdenis verplichten hen daartoe.