12. IV.
Vers 12-
22. Maar hoewel de mens het meest verborgene en het kostbaarste der aarde weet op te zoeken en te vinden, zo kan hij toch de Wijsheid, noch in het land der levenden, noch in de diepte der zee vinden, en voor al zijne schatten niet kopen. Geen levend wezen ziet haar en de benedenwereld heeft slechts een gerucht van haar vernomen.
12. Maar de Wijsheid 1), die alles in waarde overtreft, de kennis van Gods wegen, van waar zal zij gevonden worden? en waar is de plaats des verstands 2), de erkentenis van hetgeen goed of kwaad, waarheid of leugen is?
1) Uit deze vraag blijkt duidelijk, wat Job met het voorgaande bedoeld heeft. Hij wil zeggen, dat de mens in staat is te ontdekken, vanwaar het goud en zilver, het koper en de edelgesteenten komen, maar hoe zal de mens aan de ware Wijsheid komen? Waar zal hij die vinden? Een vraag, die genoegzaam insluit, dat de mens die Wijsheid niet bij zich zelven heeft, niet op de aarde had vinden.
Hiermede doet Job het aan zijne vrienden gevoelen, dat al hun ingevingen van gene betekenis waren. Zij hadden het wel voorgesteld, dat zij ware wijsheid hadden, maar een wijsheid uit de aarde, want zij hadden zich beroepen op de ervaringen der ouden en op hun eigene ervaringen, op wat de vaders hadden gezegd en wat zij zelf gezien hadden. Job zal nu aantonen, dat de ware wijsheid niet op aarde is te vinden.
2) Bedenkt men, dat het gehele 28ste Hoofdstuk tot zijn hoofddoel heeft, aan te wijzen, dat de goddeloze moet verloren gaan, omdat hij de wijsheid niet bezit, om de Goddelijke wijsheid aan te tonen, die in het onnaspeurlijk Godsbestuur is, zo is het duidelijk, dat onder "Wijsheid" hier niet alleen aan ene eigenschap van God kan gedacht zijn, maar ook ene door God zelven in den mens gelegde gezindheid, door welke deze recht erkent, wat Gods wil van hem is, wie hij zelf is, en hoe hij met zijnen God verzoend kan worden. Vers 24-28 toont dan, hoe zulk ene wijsheid van den mens slechts het uitvloeisel en de schaduw der eeuwige, Goddelijke wijsheid zelf is, volgens welke God alle schepselen geschapen heeft, door welke Hij ze steeds ouderhoudt en tot het van eeuwigheid bepaalde doel leidt (vgl. Spreuken 3:19,20; 8:22-31). Deze wijsheid van den mens is geen theoretisch, onvruchtbaar weten, maar ene gesteldheid des harten, die uit liefde en eerbied tot God voortkomt, die zich steeds in een godzalig leven openbaart. God zelf geeft ze, de mens ontvangt ze op aanhoudend, waarachtig gebed, door gelovig onderzoek van Gods woord en door volharden in den strijd (oratio, meditatio, teutatio). Dan stemt hij overeen niet het heilig ideaal, naar hetwelk en tot hetwelk God hem ook geschapen heeft, en heeft deel aan de Goddelijke wijsheid. Deze wijsheid, die in zijn hart woning maakt, is dan echter in haren diepsten grond van de wereldse wijsheid verschillend. Die is, volgens Jakobus (3:15) aards; zij heeft haren oorsprong, hare geboorteplaats op de aarde, zij kruipt slechts over de aarde heen, zonder hoger en dieper te zien, bevat slechts bestanddelen der aarde, vergankelijke elementen, en een menigte vuil. Zij kan wel op een zeer noodzakelijk en nuttig gebied der aarde betrekking hebben, haar kan een zeer rijk en scherp oordeel eigen zijn; zij kan juiste voorstellingen geven en ware meningen hebben; zij kan zich uitstrekken over het gehele gebied van de kennis der aarde, zich dus als grote kennis der natuur openbaren, of, als poëtische genialiteit, als kennis van politiek, als de grondigste geleerdheid, zo als die zeldzaam ook op niet Christelijken bodem gevonden wordt: zij kan er echter geen aanspraak op maken de wijsheid en het verstand in den volkomensten zin te zijn- haar karakter is en blijft aards. Ten tweede is deze wijsheid natuurlijk (psychisch) d.i. zij heeft niet in den geest, maar in de psyche haren oorsprong, in het leven, dat zich openbaart in gewaarwordingen, aandoeningen, prikkelingen, affecten, als lust en begeerte naar hetgeen onder het bereik der zinnen valt en de dingen, die bekoren, als spijs, drank, geslachtslust, haat, nijd enz: maar ook met betrekking tot het karakter, als op wil en besluit, weten en erkennen, verbeelden en begeren. De wijsheid, die uit deze ontstaat en daarop betrekking heeft is, hoewel zij in vele harer openbaringen een natuurlijk recht heeft, toch altijd aan materialistischen aard en vertoont zich als een uitvloeisel van een door de zonde besmet leven. Ten derde is deze wijsheid duivels; zij staat in verband met het rijk en de macht der demonen. Deze echter zoeken, juist als geesten, die in de lucht heersen, de van hen uitgaande overweldiging, verdrukking, verwoesting en vernieling als de wijsheid dezer wereld in de harten der mensen te planten en in te prenten, en zich daardoor hun eigen bestaan en bezit te verzekeren. De duivel en de demonen bezitten ene veel omvattende wetenschap, welke echter de bron wordt van al wat afschuwelijk en verschrikkelijk is, daar de wijze van het bezit en het gebruik er van ze niet adelt Daarom verwoest deze demonische wijsheid het inwendig en uitwendig levensbestaan van den mens. -De ware wijsheid echter komt niet van beneden, maar van Boven; zij daalt uit de hemelse gewesten tot den mensen neer; zij wordt niet door vlees en bloed geopenbaard. Zij is, volgens Jakobus: 1. zuiver; want zij stamt af van het door gene zonde aangeraakte leven en den lichtglans van God. 2. Zij is onvermengd, want zij moet reine, heilige, gewijde, priesterlijke harten maken. Uit deze hare zuiverheid komen alle andere eigenschappen voort. 3. Zij is vreedzaam, want God, uit welke zij is, is geen God van wanorde, maar van vrede, en roept tot vrede. Waar zij ingaat, daar maakt zij de mensen vreedzaam, stelt den hoogsten, volkomensten staat van geluk, de integriteit van den gehelen mens als voleindigd gebouw des vrede voor. Daarom openbaart zij zich ook 4. als bescheidenheid, zachtmoedigheid, goedheid, als ene gezindheid tot lijden en verdragen, als gelatenheid in het bewustzijn, dat beperking, vernedering en ontbering tot zegen zijn. Zo is zij dan ook 5. gezeggelijk; zij verneemt gaarne de gedachten en de wegen van anderen en hoort wat deze opmerkten met belangstelling. Daarenboven is zij 6. vol van barmhartigheid en van goede vruchten in werkzame uitoefening van barmhartigheid, die men zelf ondervonden heeft. Eindelijk 7. sluit zij buiten alle onpartijdig oordeel, al wat dubbelzinnig is en verdeeld, alle afzondering, allen sektegeest en alle geveinsdheid. Al deze eigenschappen, die de ware wijsheid bezit, werken een hemelsen vrede, welke gene wijsheid der mensen bezit of, geven kan, zij maken waarlijk vreedzame harten.
Alles wat tot het natuurlijke gebied behoort, hoe verborgen ook, kan door den menselijken arbeid en vlijt ontdekt en verkregen worden. De Wijsheid Gods echter is niet door menselijken ijver en volharding te ontdekken, noch te verkrijgen. Want ofschoon zij zelf er goed verborgen zijn, in de diepste plaatsen der bergen kunnen echter de schatten als prikkelende tot misdadigheid met veel moeite gevonden en uitgegraven worden. Evenzo kan het ijzer, hoe diep het ook verborgen is in de benedenste delen der aarde gevonden worden, maar niemand onder ons verkrijgt de Wijsheid Gods door menselijken ijver.
Laten we toch duidelijk er op acht geven, wanneer hier gezegd wordt, dat de Wijsheid niet onder de mensen wordt gevonden, dat Job in hoofdsom (of liever de Heilige Geest door zijn mond), de onze ingeboren verhevenheid ons heeft willen ontnemen, omdat wij menen met zulk een scherp en schrander oordeel begaafd te zijn, dat wij van oordeel zijn, alles met ons verstand te kunnen omvatten. Hier nu kondigt de H. Geest den mensen aan, dat, wie zich dit inbeeldt, zich bedriegt, want dat hun de Wijsheid ontbreekt.
Welke wijsheid nu? Den Raad Gods te kennen. Want wij kunnen wel enige kennis van de dingen hier beneden voorbrengen, en, ofschoon die duister zijn, toch heeft God ons iets er van geopenbaard. En die kennis wordt genoemd de natuurlijke, dewijl wij allen, ofschoon niet allen in dezelfde mate, er iets van hebben. Maar wanneer men zou moeten weten, wat God is, of Zijne oordelen, dan behoren de menselijke gevoelens ingebonden te worden, en hoe meer zij zich willen verheffen, des te meer behoren zij onderdrukt en naar binnen gedrongen te worden..