Spreuken 15:21
Het is de aard van een goddeloos man, dat hij behagen schept in zonde, hij heeft lust in het lokaas en slikt het gretig in, hij vreest de haak niet, en als hij hem ingeslikt heeft, gevoelt hij hem niet, dwaasheid is blijdschap voor hem, de dwaasheid van anderen, en nog veel meer zijn eigene, hij zondigt, niet alleen zonder leedwezen, maar met vermaak, hij heeft er niet alleen geen berouw van, maar beroemt er zich op, dat is een stellig kenmerk van iemand, die geen genade heeft.
Het is de aard van een wijs en Godvruchtig man, dat hij nauwgezet zijn plicht betracht. Een dwaas leeft naar het goeddunken zijns harten, wandelt in de blinde voort, stoort zich aan geen regel, handelt zonder oprechtheid of standvastigheid, maar een man van verstand, de ogen van wiens verstand verlicht zijn door de Geest (en zij, die geen goed verstand hebben hebben geen verstand), zal recht wandelen, hij leeft een sober, ordelijk, geregeld leven, legt er zich op toe om zich in alles te gedragen naar Gods wil en dit is hem een voortdurende blijdschap. Als er nog dwaasheid in hem is overgebleven, of te eniger tijd uit hem voortkomt, dan is hem dit een smart, en hij schaamt er zich over. Aan deze karaktertrekken kunnen wij onszelf toetsen.