10. Het hart kent zijne eigene bittere droefheid, al wil men die ook verbergen, door een blij gelaat te tonen; en een vreemde zal zich met des zelfs blijdschap niet vermengen, zal nooit deelgenoot kunnen zijn van de inwendige blijdschap des harten, omdat hij die niet begrijpt, en ook niet in die mate kan gevoelen, die hem dezelfde blijdschap zou kunnen doen genieten.
Ene uitspraak, onvergelijkelijk in diepte en waarheid. Ieder mens is ene kleine wereld voor zich zelven, die God alleen geheel doorziet en begrijpt. In zijne smart, die tot het inwendige leven behoort, en in zijne vreugde kan een ander zich nooit geheel verplaatsen. Ja de allersmartelijkste ervaringen, de innigste gevoelens van vreugde hebben wij alleen, zonder alle deelnemers. Daarom is het troosten zo moeilijk; daarom kwetst de deelneming van anderen dikwijls meer, dan zij verkwikt. Wie dat weet, en boven alles moet een zielverzorger dat weten, die behandelt zulke door vreugde of smart bewogene harten met ene zachte hand; zelfs bij dezulken, die iets zeer smartelijks ondervonden hebben, onthoudt hij zich van elke toespraak. Het het woord van God alleen kan men in de geheimste schuilhoeken van het menselijke hart doordringen, zodat ook de innigste smart en de hoogste vreugde tot droefheid naar God, en tot blijdschap in Hem kunnen veranderd worden.. 11. Het huis der goddelozen; al schijnt het nog zulk vaste grondslagen te hebben, zal eindelijk toch met al zijne bewoners en al zijn geluk verdelgd worden; want het fondament der wijsheid en der godsvrucht ontbreekt er aan; maar de eenvoudige, nederige tent der oprechten, hoe veel ook afstekende bij het paleis der goddelozen zal bloeien, ongedeerd en lieflijk blijven, als een getuigenis van de immer frisse genade van God (Hoofdstuk 12:7. Job 18:15. Jesaja 27:6).