9. Beter en wijzer is hij, die zich a) gering acht in de wereld, en genoeg heeft om er met de zijnen van te leven, ener ook zo veel van kan doen, dat hij enen knecht heeft, om hem te dienen, en het werk met hem te doen, dan die voor groot en voornaam wil doorgaan en zich zelven eert, zonder dat hij er een knecht op kan nahouden om hem te dienen, en des broods gebrek heeft 1) (
2 Samuël 3:29.
a) Spreuken 13:7.
1) De dwaasheid van sommigen gaat zover dat ze nergens meer op uit zijn, dan om een groot figuur in de wereld te maken, overal zich ingang te verschaffen en een staat te voeren als personen van rang en hogen staat, en die toch als ze thuis zijn al de noodwendigheid des levens missen. Veel gelukkiger waarlijk is de staat van een eerlijk en bescheiden, eenvoudig gekleed werkman, arbeider en landman, die op ene vertroostlijke wijze de vrucht zijns arbeids gebruikt, dan van een trotsen pronker, die, welke uithangborden hij ook vertonen mag, mager en zwart van honger is, zich van spijt en hartzeer verteert, als hij te huis rondom ziet, en in de samenleving zelf een lastige en onnutte ballast is.. 10. De rechtvaardige, die zelfs de barmhartigheid van God heeft ondervinden a) kent het leven van zijn beest; hij merkt door zijne liefde voor het in zijn huis verblijf houdend dier de blijdschap en de smart daarvan; maar de barmhartigheden der goddelozen, die van Gods genade niets weten, zijn wreed; zij zijn niet geneigd zich met geringeren te bemoeien, en dus ook niet met de dieren. (Exodus 25:4. Sir. 7:23).
a) Deuteronomium 25:4.
De oorspronkelijke innige band tussen den mens en het dier is door de zonde verwoest, en het onredelijke dier is om des mensen wil aan de ijdelheid onderworpen. Wie nu de zonde erkend en betreurd heeft, in hem wordt de oorspronkelijke betrekking tot het dier, in zo verre het lichaam des doods het toelaat, weer hersteld; hij gevoelt weer het evenbeeld Gods te zijn, als de koning van het redeloze schepsel, als het middelpunt van de dieren; hij zal die macht daarom ook niet misbruiken, en omdat hij weet, dat hij mede schuld heeft aan hun ellende, hoort hij met innig medegevoel hun verlangen naar de toekomende vrijheid, dat immers ook dagelijks in hem leeft, en zorgt niet alleen door eigenbelang gedreven voor hun verpleging, maar verlicht hun gaarne hunnen last. Dat vordert reeds de gehoorzaamheid, met welke hij zich onder den algemenen, op de wereld der zonde rustenden vloek buigt, van hem. (Romeinen 8:19)..
In de Wet werd ook voor de ossen, dus ook voor het gedierte zorg gedragen. Dewijl ook het dier zucht onder de gevolgen der zonde, is het de roeping van den mens, en daarom ook de begeerte van den rechtvaardige om het leven niet nodeloos te verzwaren, maar om ook behoorlijk zorg te dragen voor het dier. Alle marteling van het dier is dus zonde.