Deuteronomium 25:1-4
I. Hier is een aanwijzing aan de rechters voor het geselen van misdadigers, vers 1-3.
1. Er wordt hier verondersteld dat, zo iemand van een misdaad wordt beschuldigd, beschuldiger en beschuldigde beide voor de rechters zullen gebracht worden, opdat het geschil beslist worde.
2. Indien iemand van een misdaad werd beschuldigd, en het bewijs tegen hem onvoldoende bleek, zodat het tegen hem ingebrachte niet uitgemaakt kon worden, dan moest hij worden vrijgesproken: gij zult de rechtvaardige rechtvaardig spreken, dat is: hem die dit aan het hof toeschijnt te zijn. Indien de beschuldiging wordt bewezen, dan is de schuldigverklaring van de beschuldigde de rechtvaardiging van de beschuldiger, als rechtvaardig in de aanklacht.
3. Als de aangeklaagde schuldig wordt bevonden, dan moet hij veroordeeld worden, gij zult de onrechtvaardige verdoemen, want de goddeloze te rechtvaardigen is de Heere evenzeer een gruwel als de rechtvaardige te verdoemen, Spreuken 17:15.
4. Als volgens de wet de doodstraf niet stond op de misdaad, dan moest de misdadiger geslagen worden. Wij hebben zeer veel geboden ontmoet, waaraan geen bijzondere strafbepalingen waren toegevoegd, naar de vaste gewoonte van de Joden werden de meeste overtredingen er van met geseling gestraft, van welke straf niemands rang of hoedanigheid hem onthief, zo hij de overtreder was, doch onder bepaling, dat men het hem nooit mocht verwijten, en dat het niet als een onterende straf beschouwd moest worden. De aanwijzingen hier gegeven voor het geselen van misdadigers zijn:
a. Dat het met plechtigheid moest geschieden, niet met onstuimigheid door de straten maar in open rechtszitting, voor het aangezicht des rechters, en met zoveel bedaardheid en overleg, dat de geselslagen geteld konden worden. De Joden zeggen dat terwijl de strafoefening plaatshad, de voornaamste rechter van het hof met luider stem Deuteronomium 28:58, 59, en 29:9 las en besloot met de woorden uit Psalm 78:38 :Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid. Aldus werd er een soort van Godsdienstige handeling van gemaakt, waarvan het zoveel te meer waarschijnlijk was dat de overtreder er door tot verbetering zal komen, en dat anderen er zich door zullen laten waarschuwen.
b. Dat zij in verhouding moet wezen tot de misdaad, naardat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn in getal, opdat sommige overtredingen misdadiger zullen schijnen dan anderen, hetgeen zij dan ook werkelijk zijn de misdadiger met vele slagen geslagen wordende, waarop misschien gezinspeeld wordt in Lukas 12:47, 48.
C. Dat, hoe groot de misdaad ook was, het getal slagen nooit hoger dan veertig mocht wezen, vers 3. Veertig min één was het gewone gebruik, zoals blijkt uit 2 Corinthiërs 11:24. Aan Paulus schijnen zij altijd evenveel slagen gegeven te hebben als aan welke kwaaddoener het ook zij. Zij verminderden het getal met één, hetzij uit vrees van zich bij het tellen vergist te hebben (hoewel één van de rechters aangesteld was om de slagen te tellen) of omdat zij nooit tot de alleruiterste strengheid wilden gaan, of omdat er gewoonlijk een zweep met drie riemen voor gebruikt werd, zodat dertien slagen elke slag voor drie geldende juist het getal negen er dertig opleverden. De reden, die er hier voor gegeven wordt, is: opdat niet uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk worde gehouden. Hij moet nog als broeder worden beschouwd 2 Thessalonicenzen 3:15, en door deze barmhartige beperking van zijn straf moet zijn eer bewaard blijven. Het behoedt hem er voor verachtelijk te worden gehouden voor de ogen van zijn broeders, nu God zelf door Zijn wet hem onder Zijn zorg neemt. Mensen moeten niet behandeld worden als honden, en diegenen moeten niet verachtelijk worden gehouden voor onze ogen aan wie, voorzover wij weten, God nog genade kan geven, om hen kostelijk te doen zijn in Zijn ogen.
II. Een bevel aan landlieden, om hun vee niet te verhinderen om te eten als zij aan het werk zijn, en er spijs binnen hun bereik is, vers 3. Dit voorbeeld van de dorsenden os (waarop gezinspeeld wordt in Hosea 10:11j is genomen voor al dergelijke gevallen. Hetgeen deze wet merkwaardig maakt boven anderen (en eenzelfde toepassing ondersteunt van andere zodanige wetten) is, dat zij tweemaal wordt aangehaald in het Nieuwe Testament, om te tonen dat het de plicht is van de gemeente om haar leraren een betamelijk onderhoud te geven I Corinthiërs 9:9, 10, en 1 Timotheus 5:17, 18. Naar de letter er van leert zij ons om prijs te stellen op de dieren, die ons dienen en hun niet alleen het noodzakelijk levensonderhoud, maar ook het voordeel van hun arbeid toe te staan, en zo moeten wij leren, niet slechts om rechtvaardig, maar vriendelijk te wezen voor allen, die ons ten goede, gebruikt worden, niet slechts hen te onderhouden, maar aan te moedigen, hen inzonderheid, die onder ons arbeiden in het woord en de leer, en aldus ten goede bezig zijn voor onze ziel.