Psalm 60:8-14
David verblijdt zich hier in hope, en hij bidt in hope, zodanig zijn de triomfen van de heiligen, niet zozeer in hetgeen zij reeds hebben, maar in hetgeen zij hebben in het vooruitzicht, vers 8. God heeft gesproken in Zijn heiligheid. Hij heeft mij Zijn woord van belofte gegeven, Hij "heeft gezworen bij Zijn heiligheid, en Hij zal David niet liegen," Psalm 89:36, "dies zal ik van vreugde opspringen en mij verblijden in de hoop op de vervulling van die belofte, die bedoeld was om meer te zijn dan een aangename belofte." Gods woord van belofte, een vaste grond zijnde van hoop, is een volle, overvloedige fontein van blijdschap voor alle gelovigen.
I. David verblijdt zich in het vooruitzicht op twee dingen.
1. De voltooiing van deze omwenteling in zijn eigen koninkrijk. God gesproken hebbende in Zijn heiligheid dat David koning zal zijn twijfelt hij niet, of het koninkrijk zal hem geheel toebehoren, hij is er even zeker van, alsof hij het reeds in zijn hand had: ik wil Sichem verdelen een schone stad in het gebergte van Efraïm en het dal van Sukkoth zal ik afmeten, als het mijne, vers 9. Gilead is mijn, en Manasse is mijn, beide geheel onderworpen. Efraïm zal hem voorzien van krijgslieden voor zijn lijfwacht en zijn staand leger, Juda zal hem bekwame rechters opleveren voor zijn gerechtshoven, Juda is mijn wetgever, terwijl Efraïm de sterkte van zijn hoofd zal wezen. Zo kan een werkzame gelovige triomferen in de beloften en de vertroosting smaken van al het goede dat er in vervat is, want in Christus zijn zij allen ja en amen. "God heeft gesproken in Zijn heiligheid, en dan is vergeving mijn, is vrede mijn, is genade mijn, is Christus mijn, is de hemel mijn, is God zelf mijn." "Alles is het uwe want gij zijt van Christus," I Corinthiers 3:22, 23.
2. De tenonderbrenging van de naburige volken, die een kwelling waren geweest voor Israël, nog gevaarlijk waren, en de troon van David tegenstonden, vers 10. Moab zal tenonder worden gebracht, en voor het geringste slavenwerk worden gebruikt, "de Moabieten werden David tot knechten", 2 Samuël 8:2. "Van Edom zal bezit worden genomen als Davids eigendom", hetgeen aangeduid werd door er zijn schoen over uit te trekken Ruth 4:7 En wat betreft de Filistijnen, laat hen over hem juichen zo zij durven, zoals zij gedaan hebben, hij zal hen spoedig noodzaken een andere toon aan te slaan, laat hen, die hun belang kennen veeleer juichen vanwege hem, want het zou de grootst mogelijke vriendelijkheid voor hen wezen, om tot onderworpenheid aan David te worden gebracht en tot gemeenschap met Israël.
Maar de strijd is nog niet ten einde gebracht er is een sterke stad, Rabba (misschien) van de kinderen Ammons, die nog weerstand biedt. Edom is nog niet onderworpen. Nu:
a. Vraagt David hier om hulp ten einde de oorlog voort te zetten: "Wie zal mij voeren in een vaste stad? Op welke bondgenoten, op welke hulptroepen kan ik rekenen, om mij meester te maken van des vijands land en van zijn vestingen?" Zij die een goed werk begonnen hebben, kunnen niet anders dan begeren het volkomen ten einde te brengen.
b. Hij verwacht die hulp alleen van God.: zult Gij het niet zijn, o God? Want Gij hebt gesproken in Uw heiligheid, en zult Gij dan Uw woord niet volbrengen?" Hij neemt nota van het misnoegen Gods, waaronder zij geweest waren. Ogenschijnlijk had Gij ons verstoten, Gij toogt niet uit met onze strijdkrachten, zij verslagen en teleurgesteld werden, erkenden ze dat het was omdat zij Gods genadige tegenwoordigheid misten, dat is: dat zij haar hadden verbeurd, maar toch vlieden zij daarom niet van Hem weg, integendeel, zij grijpen er Hem te vaster om aan, en hoe minder Hij in de laatste tijd voor hen gedaan had, hoe meer zij hoopten dat Hij voor hen doen zou. Terwijl zij Gods gerechtigheid erkennen in hetgeen geschied was hopen zij op Zijn genade en goedertierenheid in hetgeen geschieden zal. Ofschoon Gij ons hadt verstoten, zult Gij toch niet tot in eeuwigheid met ons twisten, niet eeuwiglijk de toorn behouden, hoewel Gij ons had verstoten, zijt Gij toch begonnen ons genade te betonen, zult Gij dan niet voleinden wat Gij hebt begonnen?" De Zone Davids scheen in Zijn lijden door Zijn Vader verstoten te zijn toen Hij uitriep: Waarom hebt Gij Mij verlaten? En toch behaalde Hij zelfs toen een heerlijke overwinning over de machten van de duisternis en hun vaste stad een overwinning, die ontwijfelbaar ten laatste voltooid zal worden, want Hij is uitgegaan overwinnende en opdat Hij overwonne. Door Hem is ook Gods Israël, Zijn geestelijk Israël, meer dan overwinnaars. Hoewel zij soms in verzoeking kunnen zijn om te denken dat God hen verstoten heeft, en in een bijzondere strijd het onderspit kunnen delven, zal God hen ten laatste toch in de sterke stad voeren, Vincimur in praelio, sed non in bello Wij zijn overwonnen in een veldslag, maar niet in de gehele oorlog. Een levend geloof in de belofte zal ons verzekeren, niet alleen dat de God des Vredes de Satan haast onder onze voeten zal verpletteren, maar dat het onzes Vaders welbehagen is ons het koninkrijk te geven.
II. Hij bidt in hope. Zijn bede is: Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, vers 13. Zelfs in de dag van hun triomf zien zij zich in benauwdheid, omdat zij nog in oorlog zijn, hetgeen zelfs voor de overwinnaars schadelijk en nadelig is. Daarom kan niemand anders behagen scheppen in oorlog dan zij, die gaarne in troebel water willen vissen. De hulp uit de benauwdheid, waar zij om bidden, is: behoed te worden tegen hen, met wie zij strijd voerden. Ofschoon zij nu overwinnaars waren, kunnen zij toch zo onzeker is de krijgskans in het volgende gevecht de nederlaag lijden, zo God hen niet helpt, en daarom. Heere, zend ons hulp uit het heiligdom. Hulp uit de benauwdheid is rust van de strijd, waar zij om bidden als degenen, die streden voor recht en billijkheid, niet om de zege. Sic quaerimus pacem -Aldus zoeken wij de vrede. In de hoop, waarmee zij zich steunen in dit gebed, zijn twee dingen:
1. Een mistrouwen van zichzelf en van alle betrouwen op het schepsel Want `s mensen heil is ijdelheid. Wij zijn dan alleen bevoegd om hulp van God te ontvangen, als wij er toe gebracht zijn om de ongenoegzaamheid te erkennen van alle schepselen om datgene voor ons te doen, wat wij verwachten dat Hij doen zal.
2. Vertrouwen op God, op Zijn macht en belofte, vers 14. In God zullen wij kloeke daden doen, en aldus zullen wij zegevieren want Hij is het, en Hij alleen, die onze vijanden zal vertreden, en Hij zal er de lof voor ontvangen." Ons vertrouwen op God zal, wel verre van ons nalatig te maken in plichtsbetrachting, er ons juist toe opwekken. Hoewel het God is, die alles voor ons werkt, is er toch iets, dat door ons gedaan moet worden. Hoop op God is het beste beginsel voor ware kloekmoedigheid. Zij, die onder Zijn leiding hun plicht doen, kunnen kloek en krachtig en blijmoedig er in zijn, immers, wat behoeven zij te vrezen, die God aan hun zijde hebben? Het is alleen door God en de invloed van Zijn genade dat wij kloeke daden doen, Hij is het die ons kracht geeft en ons, die van nature zwak en vreesachtig zijn, bezielt met moed en vastberadenheid. En al doen wij nu nog zulke kloeke daden, de goede uitslag er van moet zuiver en alleen aan Hem worden toegeschreven want Hij is het, die onze wederpartijders zal vertreden, en niet wij zelf. Al onze overwinningen zijn, zowel als onze kloekmoedigheid, van Hem, en daarom moeten al onze kronen aan Zijn voeten worden geworpen.