Psalm 120:1-4
Hier is:
1. Verlossing van een valse tong, verkregen door het gebed. David vermeldt zijn eigen ervaring hiervan.
A. Hij was in benauwdheid gekomen, in grote benauwdheid, door valse lippen en een bedrieglijke tong. Er waren er, die zijn verderf zochten, en dit bijna hadden bewerkt door te liegen.
a. Door bij hem te liegen. Zij vleiden hem met betuigingen van vriendschap en beloften van hem vriendelijke diensten te bewijzen, teneinde zonder achterdocht te verwekken, met des te meer zekerheid hun plannen tegen hem te volvoeren, en de gelegenheid te hebben om zijn voornemens te verraden en hem kwaad te doen. Zij lachten hem toe en kusten hem, terwijl zij voornemens waren om hem te slaan aan de vijfde rib. De gevaarlijkste vijanden, tegen welke het het moeilijkst is om op zijn hoede te zijn, zijn de zodanigen, die hun boosaardige plannen volvoeren terwijl zij vriendschap voorwenden. De Heere verlosse iedere Godvruchtige van zulke boosaardige, valse lippen.
b. Door leugens te spreken van hem. Zij verzonnen valse beschuldigingen tegen hem, eisten van hem hetgeen hij niet wist. Dit is dikwijls het lot geweest, niet alleen van de onschuldigen, maar van de voortreffelijken van de aarde, die door valse lippen in grote benauwdheid waren gebracht, wier naam niet alleen beklad en hatelijk gemaakt werd in gesprekken, maar wier leven en alles wat hun dierbaar is in deze wereld in gevaar werd gebracht door valse getuigenissen voor het gericht. David is hierin een type geweest van Christus, die ook door valse lippen en bedrieglijke tongen belaagd is geworden.
B. In deze benauwdheid nam hij door gelovig en vurig gebed de tolvlucht tot God, ik riep tot de Heere. Geen beschutting hebbende tegen bedrieglijke tongen, beriep Hij zich op Hem, die aller mensen harten in Zijn hand heeft, macht heeft over het geweten van slechte mensen, en, als het Hem behaagt, hun tong kan breidelen. Zijn gebed was: "O Heere, red mijn ziel van de valse lippen, opdat mijn vijanden door deze gevloekte methode niet mijn ondergang bewerken." Hij, die zo vurig gebeden had om voor valsheid bewaard te blijven, Psalm 119:29, en haar zo van harte haatte in zichzelf, vers 163, kon met te meer vertrouwen bidden om bewaard te blijven van door anderen belopen en belasterd te worden en voor de kwade gevolgen daarvan.
C. Hij verkreeg een genaderijk antwoord op dit gebed, God verhoorde hem, zodat zijn vijanden, hoewel zij zeer ver waren gegaan in hun plannen, tenslotte werden teleurgesteld en niet bij machte waren om hem het kwaad te doen, dat zij tegen hem beraamd hadden. De God van de waarheid is de beschermer van Zijn volk tegen valse lippen, Psalm 37:6.
2. Het oordeel over een valse tong voorzegd door het geloof. Gelijk God Zijn volk zal bewaren van dit boze geslacht, zo zal Hij ook afrekenen met hun vijanden, Psalm 12:3, 7. De bedreiging is gericht tot de zondaar zelf, om zijn geweten te doen ontwaken, indien hij nog een geweten heeft, "Bedenk wat u gegeven zal worden, en wat u gedaan zal worden, o gij bedrieglijke tong door de rechtvaardige rechter van hemel en aarde." De zondaars zouden gewis niet durven doen zoals zij doen, indien zij wisten en wilden bedenken wat er het einde van zijn zal. Laat leugenaars bedenken wat hun gegeven zal worden, scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen, zij zullen vallen en voor eeuwig blijven liggen onder de toorn van God, en rampzalig gemaakt worden door de tekenen van Zijn misnoegen, die snel tot hen zullen vliegen, zoals pijlen, en de zondaar zullen treffen eer hij het weet en niet ziet wie het is, die hem wondt. Dit is bedreigd tegen leugenaars, Psalm 64:8. "God zal hen haastig met een pijl schieten, hun plagen zijn er". Zij hebben God op een afstand van zich gezet maar Zijn pijlen kunnen hen van verre bereiken. Het zijn scherpe pijlen, en pijlen eens machtigen, des Almachtigen, want zij zullen door de sterkste wapenrusting heendringen en diep doordringen tot het hardste hart. De verschrikkingen des Heeren zijn Zijn pijlen, Job 6:4, en Zijn toorn wordt vergeleken bij gloeiende jeneverkolen, die niet opvlammen en knetteren zoals doornen onder een pot, maar een heftige hitte van zich geven, en zeer lang aanblijven, sommigen zeggen, wel een geheel jaar, zelfs als zij uitgegaan schijnen te zijn. Dat is het deel van de bedrieglijke tong, want allen, die de leugen doen en liefhebben, hebben hun deel in de poel des vuurs, dat eeuwig brandt, Openbaring 22:15.