Lukas 6:20-26
Hier begint een praktische redevoering van Christus, welke voortgezet wordt tot aan het einde van dit hoofdstuk, het meeste er van wordt gevonden in de Bergrede, Mattheus 5-7. Sommigen denken dat deze rede op een anderen tijd en aan een andere plaats werd gehouden, en er zijn meer voorbeelden van, dat Christus in Zijne redevoeringen op verschillende tijden dezelfde dingen gezegd heeft, of dingen van gelijke strekking. Maar het is waarschijnlijk, dat dit slechts een uittreksel of kort begrip is, dat de evangelist ons geeft van deze rede, en dat er in Mattheus wellicht ook slechts ene verkorting van is, het begin en het slot zijn tamelijk gelijk, en het verhaal van de genezing van den dienstknecht van den overste over honderd volgt er terstond op, hier zowel als daar. Maar dit is niet van overwegend belang. In deze verzen hebben wij:
I. Zaligsprekingen over lijdende heiligen, zij worden gelukkige mensen genoemd, hoewel de wereld hen beklaagt, vers 20. Hij sloeg Zijne ogen op over Zijne discipelen, niet slechts over de twaalven, maar over de gehele schare van hen, vers 14, en richtte Zijne rede tot hen, want toen Hij de kranken had genezen in de vlakte, ging Hij weer op den berg om te prediken. Daar zat Hij neer, als machthebbende, Mattheus 5:1, en daar komen zij tot Hem, en tot hen richt Hij Zijne rede, op hen heeft Hij haar toegepast, en hen geleerd om haar op zich zelven toe te passen. Toen Hij als ene waarheid had vastgesteld: Zalig zijn de armen van geest, voegde Hij er bij: Zalig zijt gij, armen. Alle gelovigen, die de voorschriften des Evangelies aannemen en er naar leven, mogen de beloften des Evangelies op zich zelven toepassen en er van leven. De toepassing, die er hier van gemaakt wordt, schijnt inzonderheid bestemd om de discipelen te bemoedigen met betrekking tot de ontberingen en moeilijkheden, die hun deel zullen zijn bij hun volgen van Christus.
1. "Gij zijt arm, gij hebt alles verlaten om Mij te volgen. Gij zijt tevreden om met Mij van aalmoezen te leven, en moet nooit verwachten in Mijn dienst tot enigerlei wereldse bevordering te geraken. Gij moet hard werken en het zwaar hebben, zoals de armen, maar in uwe armoede zijt gij gezegend, zijt gij zalig, zij zal uwe zaligheid, uw gelukkig zijn, niet in den weg staan, ja, gij zijt er zalig door, al uwe verliezen zullen u ruimschoots vergoed worden, want uwer is het koninkrijk der hemelen, al de vertroostingen en genade van Zijn koninkrijk hier, en al de heerlijkheid en genietingen van Zijn koninkrijk hiernamaals, zullen uwer zijn, ja zij zijn reeds uwer". Christus' armen zijn rijk in geloof, Jakobus 2:5.
2. Gij hongert nu, vers 21, gij zijt niet zo verzadigd als anderen, dikwijls staat gij met honger op, uwe voeding is zo gering, of wel, gij hebt zoveel ijver voor uw werk, dat gij geen tijd hebt om brood te eten, gij zijt reeds blijde met enige korenaren tot een maaltijd, en aldus hongert gij nu in deze wereld, maar in de andere wereld zult gij verzadigd worden, zult gij niet meer hongeren en niet meer dorsten".
3. "Gij weent nu, stort dikwijls tranen, tranen van berouw, tranen van medegevoel, gij behoort tot de treurenden in Zion. Maar welgelukzalig zijt gij, uw tegenwoordige smarten staan uw toekomstige blijdschap niet in den weg, zij zijn er de toebereidingen voor: gij zult lachen. Er zijn triomfen voor u weggelegd, gij zaait in tranen, en zult weldra met gejuich maaien", Psalm 136:5, 6.. Zij, die thans droefheid hebben naar God, zullen zich vertroostingen vergaderen, of liever, God vergadert vertroostingen voor hen, en de dag komt wanneer hun mond met gelach zal vervuld zijn en hun lippen met gejuich, Job 8:21. 4. "Gij lijdt thans onder de kwaadwilligheid der wereld. Gij moet alle slechte behandeling verwachten, die een boosaardige wereld u om Christus' wil kan aandoen, omdat gij Hem dient en Zijne belangen voorstaat. Gij moet verwachten dat goddeloze mensen u zullen haten, omdat uwe leer en uw leven hen veroordelen, en zij, die de macht der kerk in handen hebben, zullen u afscheiden, zullen u noodzaken u af te scheiden, en dan zullen zij u er voor in den ban doen, en u onder de smadelijkste censuur leggen. Zij zullen anathema's tegen u uitspreken als tegen ergerlijke en onverbeterlijke misdadigers. Zij zullen dit doen met allen mogelijken ernst en plechtigheid, met een pralend beroep op den hemel, om de wereld te doen geloven, en bijna ook uzelven, dat hun vonnis over u bevestigd en bekrachtigd is in den hemel. Aldus zullen zij pogen u hatelijk te maken in de ogen van anderen en ene verschrikking voor uzelven. Men onderstelt, dat dit eigenlijk het denkbeeld is van aphorisoosin humas zij zullen u uitwerpen uit hun synagogen. "En zij, die deze macht niet hebben, zullen niet nalaten u, zoveel zij kunnen, hun kwaadwilligheid te tonen, want zij zullen u smaden, zullen u van de zwaarste misdaden beschuldigen, waaraan gij volkomen onschuldig zijt, zullen u in een zeer ongunstig daglicht stellen, u een slechten naam geven, dien gij niet verdient, zij zullen uwen naam als kwaad verwerpen, uwen naam als Christenen, als apostelen: zij zullen alles doen wat zij kunnen om deze namen gehaat te maken". Dat is de toepassing van de achtste zaligspreking, Mattheus 5:10-12. "Ene behandeling als deze schijnt hard, maar zalig zijt gij, wanneer gij aldus behandeld wordt. Wel verre dat dit uw geluk zal in den weg staan, zal het er juist veel toe bijdragen. Het is ene eer voor u, zoals het voor een dapper held ene eer is om in den dienst zijns konings in den krijg te worden gebruikt, en daarom: verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk, vers 23. Verdraagt het niet slechts, maar juicht er in, Want"
a. Hierdoor zijt gij grotelijks verwaardigd in het koninkrijk der genade, want gij wordt behandeld zoals de profeten, die voor u geweest zijn, en niet slechts behoeft gij er dus niet om beschaamd te zijn, maar gij kunt er u met volle recht in verheugen, want het zal een blijk en bewijs voor u zijn, dat gij wandelt in dezelfden geest en in dezelfde voetstappen, verbonden zijt aan dezelfde zaak en gebruikt wordt in dezelfden dienst met hen.
b. "Hiervoor zult gij overvloedig beloond worden in het koninkrijk der heerlijkheid, niet slechts uwe diensten voor Christus, maar ook uw lijden voor Christus zal in rekening worden gebracht:. Uw loon is groot in de hemelen." Waagt het met uw lijden, in het vaste geloof dat de heerlijkheid des hemels voor al die ontberingen en verdrukkingen ruimschoots vergoeding zal bieden, zodat, indien gij thans om Christus' wil verliezen lijdt, gij in het einde toch niets bij Hem zult verliezen".
II. En nu hebben wij weëen, uitgesproken over de voorspoedige zondaren, als zijnde zeer rampzalige mensen, al is het ook, dat de wereld hen benijdt. Dezen hadden wij niet in Mattheus. De beste verklaring van deze weeën, vergeleken met de voorafgaande zaligsprekingen, schijnt wel de gelijkenis van den rijken man en Lazarus. Lazarus had den zegen, de gelukzaligheid, der armen, van hen, die thans hongeren en wenen, want in Abrahams schoot zijn al de beloften, aan de zodanige gegeven, aan hem vervuld geworden, maar de rijke man had het wee, dat hier volgt, daar hij ook den aard had van hen, over wie dit wee wordt uitgesproken.
1. Hier is een wee over de rijken, dat is, over hen, die op rijkdom vertrouwen, die overvloed hebben van de goederen dezer wereld en, in plaats van er God mede te dienen, ze slechts dienstbaar maken aan hun lusten, wee hun, want zij hebben hun troost weg, datgene, waarin zij hun geluk gesteld hebben, en dat zij voor hun deel wilden hebben, vers 24. Zij hebben in hun leven hun goed ontvangen, dat, in hun schatting, het beste was, al het goed, dat zij waarschijnlijk ooit van God zullen ontvangen. Gij, die rijk zijt, zijt in verzoeking uw hart te stellen op een lokkende wereld, en te zeggen: "Ziel! neem rust in de genieting er van, dit is mijne rust tot in eeuwigheid, hier zal ik wonen", en dan: wee u." Het is de dwaasheid van wereldsgezinden dat zij de dingen dezer wereld tot hun troost maken, terwijl zij slechts bestemd waren om hun tot gerief te zijn. Zij behagen er zich in, beroemen er zich op, maken ze tot hun hemel op aarde, en voor hen zijn de vertroostingen Gods klein en van gene waardij. Het is hun ongeluk, dat zij er mede weggezonden worden als hun vertroostingen. Laat hen het weten tot hun verschrikking, dat, als zij van deze dingen gescheiden zullen zijn, er ook een einde is aan al hun vertroosting, er is voor goed een eind aan, en niets blijft hun over dan eeuwige rampzaligheid.
2. Hier is een wee over hen, die verzadigd zijn, vers 25, die meer hebben dan hun hart kan begeren, Psalm 73:7, welker buik vervuld is met de verborgen schatten dezer wereld, Psalm 17:14, die als zij die in overvloed bezitten, vervuld zijn, en denken genoeg te hebben, zij behoeven niets meer, zij wensen niets meer, Openbaring 3:17. Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, 1 Corinthiërs 4:8. Zij zijn vervuld van zich zelven, zonder God en zonder Christus. Wee de zodanige, want zij zullen hongeren, zij zullen weldra ontbloot en ontledigd worden van alles, waarop zij zich zo verhovaardigen, en als zij al deze dingen, die hun volheid uitmaken, in de wereld achtergelaten zullen hebben, dan zullen zij lusten en begeerlijkheden medebrengen, die door de wereld, waar zij heengaan, niet bevredigd zullen worden, want al de verlustiging der zinnen, waarvan zij nu zo vol zijn, zal in de hel ontzegd worden en in den hemel weggedaan zijn.
3. Hier is een wee over hen, die nu lachen, die altijd tot vrolijkheid geneigd zijn, en altijd iets hebben, om zich vrolijk mede te maken, die geen andere vreugde kennen dan in hetgeen vleselijk en zinnelijk is, en van het goed dezer wereld geen ander gebruik weten te maken, dan om zich toe te geven in die vleselijke en zinnelijke genietingen, waardoor droefheid, zelfs de droefheid naar God, uit hun hart wordt verbannen, en die zich altijd vermaken met het lachen van den dwaas. Wee de zodanige, want het is slechts nu, slechts voor een kleinen tijd, dat zij lachen, weldra zullen zij treuren en wenen, zullen zij eeuwiglijk treuren en wenen in ene wereld, waar niets anders is dan wenen en weeklagen, eindeloos treuren, zonder verlichting en zonder dat er verhelpen aan is.
4. Hier is een wee over hen, van wie al de mensen wèl spreken, dat is: wier grote en enige zorg het is om lof en toejuiching van mensen te verkrijgen, die zich hiernaar schatten meer dan naar de gunst van God en Zijne goedkeuring, vers 26. "Wee u, dat is, het zou een slecht teken zijn, een teken van ontrouw aan hetgeen u toebetrouwd is, en aan de zielen der mensen, indien gij zo zoudt prediken, dat niemand er aan geërgerd wordt, want het is uw plicht de mensen op hun gebreken te wijzen, en zo gij dat doet, zoals gij het behoort te doen, dan zult gij de kwaadwilligheid opwekken, die nooit wèl spreekt. De valse profeten, die uwe vaders gevleid hebben en hun zachte dingen profeteerden, werden ook inderdaad geliefkoosd, van hen werd wèl gesproken, en, indien gij evenzo geprezen wordt, dan zult gij met recht verdacht worden van even bedrieglijk gehandeld te hebben als zij". Wij moeten wensen de goedkeuring te verkrijgen van hen, die verstandig en Godvruchtig zijn, en wij behoren niet onverschillig te wezen voor hetgeen de mensen van ons zeggen: maar, gelijk wij den smaad der dwazen in Israël behoren te verachten, zo moeten wij ook evenzeer hun lof verachten.