4. a) Zoals Hij ons in onderscheiding van hen, wie het gezegend zijn nog niet ten deel is geworden (
Romeinen 8:29 v.), uitverkoren heeft in Hem (
Colossenzen 1:17), voor de grondlegging van de wereld (
Johannes 17:24.
1 Petrus 1:20.
2 Thessalonicenzen 2:13, b), opdat wij krachtens Zijn ons toegerekende gerechtigheid, heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem, voor God de Vader, in de liefde jegens Hem en de naaste (
2 Timotheus 1:9 Colossenzen 1:22).
a) Johannes 15:16. 2 Timotheus 1:9. b) Lukas 1:75. Efeze 5:27. Titus 2:12.
Het woord "gelijk Hij" leidt de gedachte in, dat de uiteenzetting in Vers 3 aangegeven overeenstemt met de eeuwige verkiezing.
De zegen van de goddelijke zegening is het feit van de zaligheid, die aan het licht is gekomen en die toch, als die zal blijven bestaan, een diepere, een eeuwige grond moet hebben. Deze eeuwige grond van de goddelijke zegen geeft Paulus hier nader aan; deze berust namelijk op de verkiezing vóór de tijd.
Deze verkiezing geeft een voorrang te kennen en tevens een onderscheiding van anderen, die niet zijn wat de uitverkorenen zijn. Alleen van zich en van de leden van de gemeente kon Paulus zeggen: "Hij heeft ons uitverkoren in Hem", omdat alleen bij deze dit feit reeds kenbaar was geworden en moest of ten minste kon worden gevoeld (1 Thessalonicenzen 1:4). Evenals nu in Adam de mensheid is geschapen, en in Abraham het volk van Israël is afgezonderd, zo is in Christus de gemeente verkoren en wel is deze verkiezing geschied nog vóór de schepping, of, zoals er eigenlijk wordt gezegd, nog vóór het begin van de uitvoering van het juist getekend scheppingsplan.
God heeft het raadsbesluit van de verlossing, dat in het Evangelie is geopenbaard, niet genomen, nadat de wereld, die zeer goed was geschapen, reeds zeer boos was geworden; reeds vóór de grondlegging van de wereld, of vóór de tijden van de wereld (Titus 1:2), heeft de eeuwige liefde zich voorgenomen een wereld te scheppen, die zij wel voor de zonde en haar verderf niet wilde afsluiten (want zij heeft geen lust aan gedwongen heiligen), maar waaruit zij in de Zoon van haar welbehagen een gemeente van degenen verkozen heeft, die heilig en onstraffelijk voor Hem zouden zijn. De gedachte "heilig en onberispelijk in de liefde" is, hoewel Paulus ook het "heilig en onberispelijk" anders zonder bijvoeging gebruikt (Hoofdstuk 5:27. Colossenzen 1:22), niet ongepast, omdat de liefde als de diepste wortel van de gezindheid de heiligheid bepaalt, en ook tegen de verbinding van het "in de liefde" met "onstraffelijk", om de reine liefde te kennen te geven, is niets in te brengen (2 Corinthiërs 6:6. 1 Petrus 1:22), omdat wij in 2 Petrus 3:14 lezen "onbestraffelijk in vrede" en in Judas 1:24 "onstraffelijk in vreugde. "