19. Evenwel de gelovigen hebben bij alle treurige ervaringen van het hart een heerlijke vertroosting, namelijk deze: het vaste fundament van God staat onwankelbaar vast, hebbende deze zegel (vgl.
Numeri 16:5): "De Heere kent degenen, die Zijnen zijn; " en bovendien het tweede (
Numeri 16:26 Jesaja 52:11): "Een ieder, die de naam van Christus noemt, staat af van ongerechtigheid. "
Het is alsof de apostel de behoefte voelde om zichzelf en Timotheus moed in te spreken met een "evenwel", gelijk aan dat van Asaf in Psalm 73:1, "het vaste fundament van God staat onwankelbaar. " Onder dit vaste fundament van God moet de door God gestichte gemeente worden verstaan, die later (Vers 20) als een huis of gebouw wordt voorgesteld, maar hier eerst als grond of fundament, in zoverre de gemeente, zoals zij oorspronkelijk door God in de wereld is gesteld, slechts de onderbouw uitmaakt van het gebouw, dat pas gaandeweg wordt opgetrokken (vgl. Handelingen 4:32-5:13). Dit fundament van God staat onwankelbaar, ondanks en in weerwil van alle menselijke inspanning, om het Godsgebouw aan het wankelen, ten val te brengen en zoals het nu van oude tijden af gewoonte was, aan de deurposten als ook op de grondstenen opschriften te plaatsen (Deuteronomium 6:9 Openbaring 1:14), zo draagt ook dit Godsgebouw op zijn grondsteen een zegel of een opschrift, waardoor het eigenaardige van het daarop opgerichte gebouw uitgedrukt wordt en tevens een waarborg wordt gegeven voor zijn onvergankelijke duur. De ene zijde van het opschrift wijst op de hoogste troost van de gelovigen, de andere op hun heilige roeping, terwijl de vereniging van beide spreuken aanduidt, dat op deze weg de onwankelbare vastheid van het Godsgebouw, zowel van Gods kant, als van de kant van de mensen volkomen gewaarborgd is.
Reeds in zeer oude tijd is het de gewoonte geweest om op de posten van de deuren of op de grondstenen van een gebouw spreuken aan te brengen, opdat door deze het eigenaardige van dat gebouw zou worden aangetoond; om de nadertredenden te leren wat daarbinnen gevonden kan worden, of om de binnenkomenden te doen kennen wat zij in acht hadden te nemen, of om andere redenen. Een gebouw, gegrondvest op apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is, is het koninkrijk van God. Het zegel op dit gebouw is: "De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" en "Een ieder, die de naam van Christus noemt, staat af van ongerechtigheid. " Het staat daar te lezen voor een ieder, die het wil binnengaan, opdat Hij weet de Heere niet te kunnen bedriegen. Wil men ook binnendringen, als men daarin niet behoort, de Heere des huizes zal buiten doen werpen, want Hij kent de Zijnen; Hij onderscheidt ze dan ook, die Hem niet toebehoren. Ach, zoals het onder Israël was, dat zo velen de mantel van de vroomheid omhingen en een schijn van godzaligheid aannamen; zoals er onder hen zo vele bedriegers waren; zo velen, ook die verduisterd in het verstand eigengerechtigheid godsdienst noemden, zo velen die zich aanmatigden, waarop hen de Heere geen recht had gegeven, zo is het ook onder het verbood van de genade nog, men wil zich indringen in het koninkrijk en de wereld meenemen; men kent zichzelf het geloof toe en bevlekt zich met een schone schijn. De mens brengt het vaak ver in die misleiding. Hij weet de naam te verkrijgen dat hij leeft en zie, hij is dood. Het lukt hem zichzelf te misleiden, zoals de leugenaar liegen kan, dat hij zijn eigen onwaarheden gelooft. Hij kan zich bedriegen, dat hij het waarachtig geloof valsheid of dwepen noemt en zichzelf voor anderen tot maatstaf neemt. Maar lukt het de mens ook anderen en zichzelf te bedriegen, de Heere is niet te misleiden; want de Heere Jezus Christus is die God, die harten en nieren proeft, voor wie alle dingen naakt en geopend zijn, die in ons binnenste leest als in een boek; ja, wie alle dingen van eeuwigheid bekend zijn. Hij kent de Zijnen en onderscheidt zo ook degenen, die Hem niet toebehoren. Hoe kunstig het kleed ook zij nagemaakt, hoe behendig het aangezicht zij versteld, hoe nauwkeurig de nabootsing van woorden en vormen ook zij, Christus kent de vreemden, de bokken, die zich onder Zijn schapen willen mengen. Zijn oordeel is vreselijk over degenen. "Wee uwer! wee uwer! " heeft Hij op aarde over de geveinsden gesproken en Christus Jezus is gisteren en heden dezelfde tot in eeuwigheid. "Ik weet", zegt de Verheerlijkte, "dat u de naam heeft dat u leeft en u bent dood. U zegt: ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geen ding gebrek, en u weet niet dat u bent ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. " De boze zaait het onkruid op de akker, waarin de Zoon des mensen het goede zaad heeft gestrooid; bij het opwassen moge het ene aan het andere uitwendig enigszins gelijken; de Heere moge Zijn dienstknechten weerhouden het onkruid uit te roeien, de dag van de oogst komt, dan laat Hij het samen binden en met onuitblusselijk vuur verbranden. Wat baat dan die schijn? Hoe verschrikkelijk die misleiding! Zij het ook dat men in het oordeel zegt: "Heb ik in Uw naam geen krachten gedaan, geen duivels uitgeworpen? " De Heere zal antwoorden: "Ik heb u nooit gekend. Ga weg van Mij, u vervloekten! In het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. " Hoe zondigt men daardoor! Het is bedriegen van de mensen, het is liegen tegen God, die men niet misleiden kan. Is satan niet vreselijker, omdat hij zich verandert in een engel van het licht? De goddeloze is dan daarom ook te gruwelijker, omdat hij zich men een vals kleed bedekt. O, wacht u voor die zuurdesem van de farizeeën, want de Heere is een God van waarheid. De Herder kent Zijn schapen en onderscheidt de bokken; rechtvaardig en heilig is Hij. "Ik ken de Mijnen", zegt de Heere. Menig gelovige wordt miskend en veracht. De Heere heeft een groot werk aan zijn ziel gedaan, grote genade is aan hem bewezen, maar er wordt gespot met zijn bevindingen en men noemt hem een huichelaar. Daar leeft een kind van de Heere in stilheid voort en velen zien naar hem niet, omdat het hem niet juist als anderen gegaan is, of er is een openbare zonde door hem gepleegd, die hij zo diep heeft betreurd, een Davidszonde, door een Davidsberouw gevolgd, die hem verachtelijk doet zijn. Daar leeft een ander met minder aangename karaktertrekken, of met een hem aanklevende zonde, die hij gedurig met hete tranen voor de Heere brengt; maar de mensen veroordelen hem. Wie onder mijn broeders en zusters is het onbekend, hoe de kinderen van deze wereld spotten met de kinderen van God en hun vijandschap tonen? Weet het ook niet menigeen van u, hoe zwaar het is miskenning te vinden, waar wij de gemeenschap van het geloof mogen verwachten? "Ik ken de Mijnen", zegt de Heere. Voor Zijn aangezicht is geen enkel van Zijn schapen verborgen, niet één ontgaat hem één ogenblik. En wat zegt het door mensen miskend te worden, als men door Hem gekend wordt? Wat zegt het eenzaam te wezen, als men gemeenzaam is met Hem? O! wat een dierbare vertroosting! Wat een zoete vreugd, als men uitroepen mag: "U Heere, weet het, dat ik genade van U ontvangen heb, U kent mij als de Uwe, Uw eigendom. " O, dan kan alles ontbreken, dan is een woestijn niet droevig meer. Kinderen van de Heere! Schapen van die grote Herder! al kent u de wereld niet, al wantrouwt u ook menigeen, die uw ziel liefheeft, daar is een boek van het leven, van het Lam. U leeft in het hart van uw Heer, die de namen van de Zijnen belijdt voor Zijn hemelse Vader. Hij acht dat droevige voor u goed en eenmaal een korte tijd nog slechts dan zal Hij alles openbaar maken. Al Zijn verborgenen en miskenden zal Hij bekend doen worden en hun die nieuwe naam geven, die niemand kent, dan die hem ontvangt. Nog een kleine tijd, dan roept Hij allen voor Zich. Vrees niet, want Hij kent u, Hij plaatst u aan Zijn rechterhand en doet u ingaan in Zijn heerlijkheid. Dat gekend worden door de Heere heeft een grote betekenis, want het is een kennen door de Machtige en Genadige. Hij is de Heere, die stormen het zwijgen oplegt en het woeden van de zeeën stilt. Hij is het, die alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Hij is de Gekruisigde, die de zonden vergeven kan en gebrokenen van harte helen. Die Herder bemint Zijn gekenden met een eindeloze, goddelijke liefde. Hij kent ze in hun zwakheid en zonde; hij weet hoe makkelijk ze struikelen en vallen; hoe het schaap geen ogenblik zonder de herderzorgen kan en daarom zorgt Hij en wijkt Hij van de Zijnen niet. Hij weet het, wie schapen, wie lammeren, wie zogenden zijn; Hij kent ieder in zijn gesteldheid, ook in al hun aardse noden en behoeften en omstandigheden. Alle dingen zijn Hem bekend en Zijn macht en liefde zijn groot genoeg, dat aan een ieder zal gegeven worden wat die behoeft. Een goede herder kent zijn schapen en daarom verlaat hij ze niet; hij kent hun behoeften en leidt ze naar grazige weiden en brengt ze tot het water; hij kent de ziekten en gebreken en hij geneest ze; hij kent hun machteloosheid tegenover het roofgedierte en daarom waakt hij. Zo kent de Heere Jezus de Zijnen. O, gekenden door Hem! wat een heil! Nee! u zult niet bezwijken, geen leed zal u genaken. Al zijn uw zonden, berouwvolle, ook nog zo velen, al woelen duizenden begeerlijkheden ook in u, al zijn de omleidingen van de duivel ook nog zo listig, ja! ween wel over uzelf en vrees; maar niet zonder hoop, zonder vertrouwen. De Heere, die u gekocht heeft met Zijn bloed, kent u; die medelijdende Hogepriester zal uw gerechtigheid, uw heil wezen; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten. Als u Hem uw zonden klaagt. Hij roept u toe: "Ik ken u. " Als u in het koninkrijk van de Heere moet strijden en u vraagt Zijn genade en kracht, terwijl het u zwaar valt, Hij antwoordt: "Ik ken u. " Als u in de nood verkeert, Hij schenkt u het teken, dat Hij op u ziet. Als u tot het doodsuur gekomen zult zijn, dan is uw Meester daar en Zijn: "Ik ken de Mijnen" vertroost en zaligt u. O, dan zal het reeds een geopende hemel wezen! Als u tot het oordeel wordt geroepen, de Heere zal tot u spreken: "Ik ken u als de Mijne. Ga in de vreugde van uw Heere. " Ja! door Jezus gekend te zijn is zaligheid, is eeuwig veilig wezen. Met Hem zal niets te moeilijk zijn. Hij waakt, Hij vergeeft, Hij zegent, de Machtige Jakob, de Verlosser van Israël.
Twee waarheden moeten de onverwoestbare tempel van de kerk als het ware tot een waarteken dienen en geven te kennen de troost en de hoop, maar ook wat de ware belijder van Jezus verplicht en verschuldigd is.
"De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn", zo luidt de spreuk Numeri 16:5 in de Septuaginta. Zij dus, die de Zijnen niet zijn, zondert de Heere af en daardoor blijft het gebouw vast. Wat zij, die de Heere toebehoren moeten doen, zegt het tweede deel van het opschrift.
Als iemand in de ongerechtigheid gevangen is, staat hij niet op het vaste fundament van God. Ik zou, als ik kon, de ziel van de onrechtvaardige uit zijn lichaam willen uittrekken; u zou dan zien, hoe bleek zij is, hoe zij siddert, hoe zij zich schaamt, hoe zij in angst is en zichzelf veroordeelt. Het oordeel van het geweten blijft steeds onveranderd; wel zegt niemand openlijk, dat het kwaad goed is, maar men verzint uitwegen en doet al het mogelijke, om zich door woorden als zonder schuld voor te doen; het geweten kan men echter niet misleiden.
Het fundament, waarop ons geloof rust, is dit: God was in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenend, hun zonden hun niet toerekenend. Het grote feit, waarop het waarachtige geloof vertrouwt, is, dat het Woord vlees is geworden en onder ons heeft gewoond, "en dat Christus eenmaal voor de zonden heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen, die zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; " de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door zijn striemen is ons genezing geworden; in één woord, de vaste zuil van de hoop van de Christen is plaatsbekleding. De verzoenende offerande van Christus voor schuldigen, Christus zonde gemaakt voor ons, opdat wij rechtvaardigheid van God zouden worden in Hem, Christus een waarachtig zoenoffer, Zich opofferend voor zo velen als Hem door de Vader gegeven zijn, voor God bij name bekend en in hun eigen harten erkend door hun vertrouwen op Jezus dat is de hoofdwaarheid van het Evangelie. Als deze grondslag werd omvergehaald, wat konden wij dan nog? Maar hij staat onbeweeglijk als de troon van God. Wij weten het; wij rusten erop; wij verblijden ons erin; onze vreugde is het daaraan vast te houden, die te bepeinzen en te verkondigen, terwijl wij begeren door erkentelijkheid voor deze grondslag in al ons leven en wandel gedrongen te worden. In onze dagen richt men de aanval tegen de leer van de verzoening. Men kan het denkbeeld van plaatsbekleding niet verdragen. Men verfoeit de gedachte "dat het Lam van God de zonde van de mensen zou hebben gedragen. " Maar wij, die bij ondervinding de dierbaarheid van deze waarheid kennen, zullen haar ondanks alle tegenstand met vertrouwen blijven verkondigen. Wij verwateren en veranderen haar niet, in geen enkel opzicht doen wij haar tekort. Steeds zal Christus voor ons blijven een waarachtige borg, menselijke schuld en ellende dragend in de plaats van mensen. Wij kunnen, wij mogen dat niet prijs geven, want het is ons leven en ondanks elke tegenstand geloven wij, dat het vaste fundament van God staat.
Het geloof van enkelen kan wel te gronde gaan, maar de eigenlijke grondslag, of het vastgegronde hoofdgebouw van de gemeente van de Heere kan nooit worden gesloopt. Zoals door een zegel, waarop een spreuk gegraveerd is een zaak als iemands eigendom wordt gekenmerkt, zo heeft de Heere op Zijn gemeente deze dubbele spreuk afgedrukt. De eerste wijst daarop, dat ondanks alle menselijke kortzichtigheid, de vermenging van rechtvaardigen en goddelozen in de gemeente toch eigenlijk voor de Heere niet bestaat, dat, als vaste stenen in zijn gebouw, slechts zij zijn ingevoegd, die Hij als de Zijnen erkent. De tweede spreuk heeft betrekking op de onbedriegelijke waarheid, die het oordeel van de mensen in het onderscheiden van rechtvaardigen en goddelozen moet besturen. Niemand, die Christus' naam noemt (d. h. Hem aanroept, Hem als zijn Heiland belijdt), mag in de zonde voortleven. Elke zonde met voorkennis gepleegd, kenmerkt hem als een schijnlid aan het lichaam van Christus.