20. Het vijfde Sardonyx, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopaas, het elfde Hyacint, het twaalfde Amethyst (
Exodus 28:17).
Ten onrechte heeft men gemeend, dat aan elk van de apostelen in het bijzonder hier een edelgesteente was toegedeeld en getracht de correspondentie van de edelstenen met de apostelen aan te wijzen. Dan moest echter de op elkaar volging van de apostelen bepaald vaststaan, hetgeen niet aldus is (Mattheus 10 en Handelingen 1) en eveneens de symbolische betekenis van de stenen sterk sprekend zijn en door andere plaatsen van de Heilige Schrift aangegeven. Vervolgens spreekt ook daartegen de analogie van de 12 stenen op de borstlap van de hogepriesters; want dat de op elkaar volging van de stammen noch onmiddellijk noch middellijk wordt bepaald, wijst aan, dat daarin geen belang wordt gesteld, dat die voor de zaak zelf geen betekenis heeft, dat de heerlijkheid, door de edelstenen aangeduid, niet aan elk in het bijzonder, maar alleen als delen van het geheel toebehoort. Juist zoals ook in de zegeningen van Jakob en Mozes in de regel de stammen in het bijzonder slechts individueel wordt toegeëigend wat het geheel toebehoort, zo zal men hier daarbij moeten blijven staan, dat door het menigvuldige van de edelstenen de rijkdom van de heerlijke gaven van God wordt afgebeeld, die zich in de apostelen ontwikkelt. Alleen bij de eerste steen, de Jaspis, zou men wellicht een bijzonder doelen op Petrus kunnen aannemen, omdat deze niet alleen regelmatig de eerste plaats onder de apostelen inneemt, maar ook in Mattheus 10:2 uitdrukkelijk en nadrukkelijk als de eerste wordt aangewezen. De heerlijkheid van het volk van God door de Mozaïsche edelstenen afgebeeld, vindt in de edelgesteenten van de Openbaring aar laatste en volkomenste verwezenlijking; de laatsten symboliseren wel in de eerste plaats de heerlijkheid van de apostelen, maar het onderscheid wordt daardoor vooral opgeheven, dat de apostelen de hoofden van de Kerk zijn (Mattheus 19:28) en deze in hen geëerd en verheerlijkt wordt. Naast dit positieve doelen op de edelstenen van de stammen van Israël heeft een polemisch verband plaats met de edelgesteenten, waardoor in Ezechiel 28:13 met toespeling op Exodus 28 de trotse pracht van de koning van Tyrus wordt voorgesteld, die een algemene ironie schijnt te zijn op de beloften aan Israël toegedeeld. Evenzo is het met Hoofdstuk 17:4, waar de vrouw voorkomt als versierd met goud en edelstenen en parels. Moge de wereld (volgens onze verklaring: Rome) zich een tijdlang groot maken, moge haar een vergankelijke heerlijkheid worden gegund, de ware Kerk ziet dat kalm en gerust aan, want zij weet, dat haar het einde toebehoort. De tekening is overgenomen van de profeet Jesaja De Heere beloofde aan de Kerk van het Nieuwe Testament, dat Hij haar, aangemerkt als een zeer heerlijke stad, zeer luisterrijk bouwen zou (Jesaja 54:11, 12), zeggende: "zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, of liever, Ik zal uw stenen in allerkostelijkste gips leggen, ik zal u op saffieren grondvesten, zodat de fundamenten van de muren en gebouwen uit kostbaren saffier, zijn edele gesteenten van hemelblauwe kleur en doorschijnende bestaan zullen; uw glasvensteren, of liever uw bolwerken, zal ik kristallijnen of van edele gesteenten maken en uw poorten van robijnstenen of van vurige en gloeiende stenen en uw hele landpaal, of binnen uw ringmuur, van aangename stenen, van zeer schone stenen, die ieder met vermaak aanschouwt. Meer bijzonder worden de kostbare stenen opgenoemd, waarmee de twaalf grondslagen van het nieuw Jeruzalem versierd waren, Vers 19b, 20 Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon. De Apostel heeft zeker meer het oog op de kleur dan op de andere hoedanigheden van deze edele gesteenten. Het doet daarom niet zozeer ter zake, alles op te zamelen wat de kenners van de natuurlijke historie over deze kostbare stenen hebben aangemerkt. Daarenboven is het zeker, dat de namen van het edelgesteente veranderd zijn geworden en men van de kleur iets uitgedrukt moet vinden, om met enige zekerheid daarover iets te kunnen bepalen. Maar kort zullen wij deze kostelijke fundamentstenen nagaan. Onze hedendaagse jaspis is zo kostbaar niet, een donker groene of roodachtige steen, zo na aan het agaat komend, dat men de ene vaak voor de andere neemt. Ook is het zeker, dat de ouden onder de naam jaspis allerlei edelgesteenten verstonden, die nu door bijzondere namen worden uitgedrukt, waaronder de Turken, de chalcedon, malachit, karneool, de nierensteen, de heliotropus gerekend zouden mogen worden. De hedendaagse saffier is een hemelsblauwe doorschijnende steen, geheel verschillend van de saffier van de ouden, die bij Plinius (L. 26:19) beschreven wordt als met goudstipjes besprengd en ongetwijfeld de azuursteen geweest is. Onze saffier kon dus wel de amathyst van de ouden of hun hyacint geweest zijn. De chalcedon is een witte doorschijnende of half doorschijnende steen, edeler, wanneer hij fraai helder en op het blauw spelende is, zoals de oosterse, minder edel, als hij donker en geelachtig er uitziet. De smaragd is een groen en doorschijnend edelgesteente. De sardonyx is gedeeltelijk rood en gedeeltelijk wit en doorschijnend, lijkend op een mensenvinger, die op het vlees ligt en daarvan het rood laat doorschijnen. De sardis, sardius, is rood, ook vuurrood. De chrysolithus is goudkleurig, doorschijnend. De beryllus wordt aqua marina genoemd, omdat hij aan het groenachtig zeewater in kleur evenaart. De topazion, topatius van de ouden, was groen, zeer nakomende aan sap van lak en zeer in achting. De chrysopras is, naar uitlegging van de naam, donker of zwaar groen en speelt op de goudkleur. De hyacinthus van de ouden is bleek blauw of violetkleurig. De amethystus heeft de kleur van de blauwe druiven en trekt naar de purperkleur, is doorschijnend en gemakkelijk te bewerken.
De Jaspis (Vers 18 heeft een purperkleur zinnebeeld van heiligheid en reinheid. het goud vertoont de vastigheid, zuiverheid en voortreffelijkheid van het geloof en van de gelovigen. Het zinnebeeld in Vers 19, 20 is ontleend aan Jesaja 28:7; 54:11, 12 met Jesaja 60:17, waar God belooft op edelstenen en saffieren Jeruzalem te grondvesten. In het algemeen wordt hier Jezus Christus verstaan die een kostelijk, volheerlijk, weergaloos persoon is, die alles in glans en heerlijkheid oneindig ver te boven gaat. De jaspis betekent de heiligmaking, de saffier de ziel, die hemelsgezind is, de chalcedon de ijver voor de waarheid, de smaragd de zachtmoedigheid en goedheid; de sardonyx de kracht van het geestelijk leven; de sardius de volvaardigheid om zijn bloed te vergieten tot nut van de Kerk; de chrysoliet de voortreffelijkheid van Zijn goddelijke natuur. Op de apostelen overgebracht, betekent het de vastheid en waarde van hun geloof. De beryl vertoont de matigheid van het gemoed, de topazion de oprechtheid van het hart, de chrysophrasus de strengheid tegen de zonden, de hyacinthus de koninklijke waardigheid; de amethystus, zuiverheid van zeden en van het leven. 21. En de twaalf poorten (Vers 12) waren twaalf ontzaglijk grote parels, wier holten de ingangen tot de stad vormden, een iedere poort was elk uit één ongedeelde parel, dus niet uit stukken samengesteld; en de straat van de stad was zuiver goud, zoals doorluchtig glas, evenals haar muren en woningen (Vers 18).
Waren de fundamenten van de stadsmuren vorstelijke stenen, haar 12 poorten bestaan uit 12 parels. De parel geeft geen schitterende straal zoals de diamant, die schittert integendeel in zacht licht. Zo hebben deze poorten in haar parelglans iets aantrekkelijks, zij leiden tot de stad van Hem, die spreekt: "Kom allen tot Mij, die vermoeid en belast bent en Ik zal u rust geven; " en die zelfs de stralenglans van Zijn heerlijkheid aflegde, om als de zachtmoedige en nederige van harte de verbroken harten te genezen. Zij wijzen tevens, in zoverre elk van deze uit één parel bestaat, op de onverdeelde volheid van zaligheid, waartoe deze poorten leiden, die van die men ook moge ingaan. In het bijzonder geven ons deze poorten, die in zuivere glans van parels schitteren een wenk over de toestand van hen, die tot deze poorten ingaan; het zijn slechts degenen, die rein van hart zijn; maar alleen zij zullen God zien (Mattheus 5:8), alleen degenen, die op die koopman lijken, die, toen hij een kostbare parel vond, alles verkocht wat hij had en die parel kocht, welks Christendom niet iets halfs maar een geheel, niet iets onvolkomens of opgelapt is, maar uit één stuk, evenals elke parel in het bijzonder een van Jeruzalems poorten is. Ook in de natuurlijke geschiedenis van de parel ligt een trek, die wij wel moeten opmerken: de mossels, waarin men de parels vindt, leven alleen in stil, beschermd water; sterke stromingen en stormen verdrijven het dier. Zo kan ook de parel van een met Christus en God verborgen leven, zoals het in het Nieuwe Jeruzalem zich openbaart, niet in de stromen van de geest van de wereld, niet in de onrustige golfslag van aardse begeerlijkheden en zorgen, maar alleen in de stilte van een leven, dat zich concentreert in God, gedijen en het zijn alleen zulke stille gemoederen, waarvoor de poorten van de hemelse stad aanwezig zijn, ja, die ze reeds hierbeneden in zich dragen.
De straten van de stad bestaan, evenals de menigten van huizen, die zich aan de straten verheffen (Vers 18), uit zuiver goud, dat als doorschijnend glas is.
Binnen de stad is geen lege ruimte, zo min als zij een ongeregelde massa zou zijn, er is een geregelde veelheid van woningen (Johannes 14:2). Ieder huis vormt zijn familiegroep, maar nergens is het afgesloten, nergens een bijzonder belang, nergens een verborgenheid, alles is doorschijnend als kristal en overal heerst reinheid en waarheid, de alles vervullende geest van de liefde.
Maar helder als een spiegel, zodat de hele heerlijkheid van de rijen huizen, evenals het paradijs in het midden van de stad (Hoofdstuk 22:2), daaruit terugkaatst, is ook de grond en bodem van de straten; hoe zuiver, hoe rein van modder en zondensmet moeten daar onze voeten worden, als wij eens op die bodem zullen wandelen, schitterend van goud en helder als een spiegel! Mag men in geen paleis van een aards vorst met onreine schoenen gaan, hoeveel minder in de koninklijke burg van het hemelse Zion! Daar moet men zich vooraf door de Heere de voeten laten wassen, anders heeft men geen deel met Hem en met Zijn zalige huisgenoten.
De witheid van de poorten stelt voor de zuiverheid van het oordeels, zowel van Christus als van Zijn dienstknechten. Straten en mensen zijn in grote steden doorgaans onrein, in deze stad niet. In de vergaderingen in Gods stad wordt een zuivere belijdenis een dierbare leer van het geloof voorgesteld, waarvan goud het zinnebeeld is. 22. En ik zag geen tempel in haar, in die stad, terwijl in Ezechiel 40-48 de tempel de hoofdzaak is en de stad eerst daarnaast in aanmerking komt, zodat dit gezicht op een verdere toekomst doelt dan het eerste; want de Heere, de almachtige God, is haar tempel en het Lam (Jesaja 3:16 v.).
De stad heeft geen tempel nodig, dus geen bijzondere plaats ter bemiddeling tussen haar en God, eenvoudig omdat het verkeer van God met de mensen nu een onmiddellijk verkeer is. God en het Lam zijn zelf de tempel, d. i., men gaat niet in de Tempel van God, maar tot God zelf. Hij zelf is nu met Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid in de plaats van de tempel getreden.
Deze gemeenschap en genadige tegenwoordigheid van God is altijd bewerkt door het Lam: in Christus Jezus is de God van de wereld de Heere van de gemeente.
De tempel was het heerlijkste sieraad van het voorafbeeldende Jeruzalem. Daarin geestelijk te wonen, beschouwen de vromen van het Oude Testament als het grootste geluk van hun leven, als hun kostbaarste voorrecht (Jesaja 7:4 Psalm 23:6; 27:4; 84:3 De grond van deze betekenis van de tempel ligt daarin, dat God daarin aan het volk een onderpand van Zijn genadige gemeenschap met Hem had gegeven. Die Hem zocht onder het Oude Verbond, die vond Hem slechts in de tempel, waarin God het woord van Zijn wonen onder het volk waar maakte (Exodus 25:8; 29:45 v.). Wat echter het hoogste voorrecht van het Oude Verbond was, dat was nog niet het hoogste wat God kon en wilde geven. De vereniging met God, het eeuwige goed en de bron van alle goederen, zoals die door de tempel werd voorgesteld, was slechts een voorlopige, onvolmaakte, de tempel wees voorwaarts op een meer wezenlijke verbintenis van God met Zijn volk. Deze volgde in Christus, wiens openbaring tot het heiligdom in betrekking staat als het lichaam tot de schaduw. Door haar woonde God in waarheid onder Zijn volk. Hij nam onder hen en van hen vlees en bloed aan (Johannes 1:14 Colossenzen 2:9). Met de persoonlijke openbaring van God in Christus moet echter Zijn wonen onder Zijn volk door de Geest van Christus worden verbonden, dat tot het eerste in betrekking staat als de beek tot de bron (Mattheus 28:20. 1 Timotheus 3:15. 2 Corinthiërs 6:16 Omdat in de strijdende kerk de tegenwoordigheid van God nog niet volkomen verwezenlijkt is, omdat de lichamelijke tegenwoordigheid van de Heere haar snel weer werd onttrokken en de werkzaamheid van Zijn Geest nog aan allerlei beletsels is blootgesteld, zo moet als het volle tegenbeeld van het Oud Testamentische voorbeeld eerst de triomferende Kerk worden aangemerkt. Dan zal het "zie de tabernakel van God is bij de mensen" (Vers 3) zo beslist als het van de strijdende kerk geldt, toch eerst zijn diepte en volkomen bevestiging vinden.
Eén ding, zo zong David, heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen van mijn leven mocht wonen in het huis van de Heere, om de liefelijkheid van de Heere te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. " En het godvruchtig lied van Korachs kinderen stemde daarmee in:
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, o Heer, van de legerschaar, God! Zijn mij Uw huis en tempelzangen! Hoe branden mijn genegenheên, Om `s Heren voorhof in te treên! Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen: Mijn hart roept uit tot God, die leeft en aan mijn ziel het leven geeft.
Die hoge belangstelling aller godvruchtigen in de voorhoven van de Heere ontstond uit het denkbeeld, dat Hij daar "woonde", d. i. er Zijn tegenwoordigheid meer bijzonder openbaarde. Deze openbaring van de Allerhoogste is naderhand volkomen geworden in Jezus Christus, Zijn Zoon, die de menselijke natuur heeft aangenomen en in wie de nauwe vereniging van het goddelijke met het menselijke aanschouwelijk is gemaakt. Zijn aards omhulsel was als een tempel van de Godheid en in Hem wordt de gemeente, die Hem als haar Heer belijdt, door Paulus genoemd een huis en een tempel van God. Maar ook dit is nog slechts een schaduw van hetgeen eenmaal zal plaats hebben in het nieuw Jeruzalem. Daar hebben alle belemmeringen een einde, vlees en bloed en zonde, die ons hier nog verwijderd houden van geheel en al gemeenschap te oefenen met Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont. Is het in ons helderder oog een kinderlijke voorstelling, wanneer in Israël van God bijzondere tegenwoordigheid verbonden was aan de ark des verbonds en tabernakel en tempel; evenzo zullen de volmaakt rechtvaardigen eenmaal daar, waar geen tempel meer nodig is, terugzien op de aarde en zo bevestigt het zich dan ook in dit opzicht, dat de hele opvoeding van het mensdom in de bedeling van het Oude Verbond, zoals de plant in het zaad, verborgen ligt. "God is hun tempel en het Lam. " Wat een verheven denkbeeld geeft ons deze éne trek van de zalige gemeenschap met het Wezen aller wezens, waarbij men het gemis van een aardse tempel voelt noch betreurt en waarin Hij slechts op een zo onvolkomene wijze tegenwoordig was! Maar hoe vertroostend is het tevens, dat Christus de Heere in die hemel van onuitsprekelijke heerlijkheid nog "het Lam" genoemd wordt. Zo blijft dan de betrekking voortduren, die Hij heeft op degenen, die gekocht zijn door Zijn bloed! Daar, daar blijkt volkomen, dat Zijn naam is Emmanuel, "God met ons"!
Wie zal de luister van die hemelstad beschrijven? Zij ligt op een hoge berg. Deze is van alle bergen van God op aarde de laatste, de hoogste, de schoonste, de spits en de kroon! Op die berg ligt de hemelstad. Zij is met goddelijke kunst en heerlijke evenredigheden, naar de grondlijnen van de eeuwige schoonheid gebouwd. Haar straten zijn goud, haar poorten een parel, haar grondslagen gehouwen uit edelsteen. Evenals het licht van de zon door de edelsteen, breekt het licht van de eeuwige schoonheid en waarheid ook uit het stof voort en doordringt het, zoals alles in de natuur spiegel zowel als drager van een bovennatuurlijke heerlijkheid wordt. Maar die heerlijkheid van de natuur wordt eindeloos ver overtroffen door de heerlijkheid van de geesten, die daarin wonen. Zij hebben alles overwonnen, zij hebben alles geërfd en zijn nu mede-erfgenamen van Christus en door Hem erfgenamen van God. Met Christus niet alleen ten nauwste verenigd, maar één, worden zij meer en meer naar Zijn gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid door van de Heere Geest, die in hen woont. Evenals Johannes reeds op aarde enige trekken van gelijkheid met de Christus vertoonde, waarom Abadona (bij Klopstok) eer hij de Zoon des mensen gezien heeft, Johannes voor de Zoon des mensen neemt vertonen nu alle mensen het beeld van de schoonste en heerlijkste van de mensenkinderen. Hij is nu geopenbaard zij zien Hem en zijn Hem gelijk. Een kroon van heiligheid blinkt op hun voorhoofd, niet als bij de hogepriester in geschreven letteren (Heiligheid van de Heere), maar in volle innerlijke waarheid en wezenlijkheid. Een wit priestergewaad is het reine sieraad dat hun nog reiner en onbevlekkelijk lichaam dekt. Hun hoofd vertoont geen rimpel, hun oog geen nevel, hun lichaam geen spoor van de wonden van voorheen. De geschonken gaven zoals wij hier beneden plegen te spreken beide van de natuur en van de genade, maar die daar één zijn, hebben nu haar hoogste ontwikkeling en volmaking bereikt. De koninklijke geest, het dichterlijk genie, de profetische blik, het wijsgerig vernuft, het ontwikkelt zich alles in het koesterende zonlicht van de hemel met nooit geziene kracht en pracht. Wat de broeikas van de aarde zich met moeite en smart als een scheut op riet ontwikkelen zag, wordt daar onder de open tropische hemel een palmboom van Jericho, of een cederboom van Libanon. Onder dat alles blijft, bij zoveel eenheid in het geheel, nochtans in de delen de bekoorlijkste bescheidenheid bestaan. Het is één lichaam, maar waarvan ieder lid op de volkomenste wijze bewerktuigd is, terwijl ze allen gezamenlijk elkaar en het Hoofd door de liefde dienen. Wat de luister over dat hele lichaam verspreid! Wat een luister als op het brandpunt op het Hoofd verenigd! O, Johannes, man van de liefde, die uzelf niet meer liefde, maar Hem, voor wie u zelfs uw naam had afgelegd, om geen anderen naam meer te dragen dan die van de discipel, die Hij lief had? Hoe moet u uw hart in uw boezem hebben voelen kloppen en jagen en opspringen, toen u deze heerlijkheid van uw Heere in het beeld van Zijn verheerlijkte gemeente aanschouwde! Toen u de wens, door Hem in het dal Josafath ten uwen aanhore uitgeboezemd, zo vervuld zag: Verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld was! Eer de wereld was! Dat woord voert ons met onze geest weer naar de oorsprong aller dingen terug. In den beginne schiep God de hemel en de aarde. En waartoe schiep Hij haar? Wij hebben het vroeger gehoord, opdat zij de schouwplaats van de openbaring van Zijn heerlijkheid in de verheerlijking van Zijn Zoon wezen zou. Welnu, hef uw ogen omhoog en zie. Is het doel van de Schepper gemist? Heeft het einde het begin verloochend? Is er tittel of jota van het besluit ter aarde gevallen? Of drukken hemel en aarde, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, het zegel op het woord: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde! Maar treft ons de gelukkige voleindiging van het groot en groots begin, niet minder worden wij getroffen door de harmonie, die begin en einde aan elkaar beantwoorden doet. Zo breidt zich aan de top de kroon uit van de boom, wiens wortels zich onder aarde kroonsgewijze uitbreiden. Of nog liever: Zo keert de cirkel in zichzelf weer en sluit de gouden lijn ter zelfde plaatse, waar zij haar aanvang ontmoet. Ja, zo zien wij met hoeveel recht het werk van de verlossing een werk van wederoprichting aller dingen heet. Want het is een wederoprichting van de mensheid allereerst in haar Hoofd, daarna in haar leden, vervolgens in haar oorspronkelijke woonplaats, eindelijk in haar oorspronkelijke bestemming om God gelijk te zijn. Al het oude is voorbijgegaan maar niet vernietigd, maar nieuw geworden. Een nieuwe Adam, een nieuw mensenkroost, een nieuw paradijs, een nieuwe levensboom en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een nieuw Israël, maar in wie het oude Israël als uit de doden herleeft. Abraham, Izaak en Jakob voorzitters aan de maaltijd van het Lam. De door het bloed van het Lam verlosten, aanliggende in Abrahams schoot. Het nieuwe Godsrijk een geestelijk Israël van God. Op de twaalf fundamenten van het huis van God staan de twaalf namen van de apostelen van het Lam. Jezus Christus zelf wordt als de wortel en de spruit uit David's stam, als de leeuw uit Juda verheven en vereerd. De nieuwe en eeuwige Godsstad, het nieuw Jeruzalem is op een eeuwige berg, de hemelse Sion gebouwd. Op die Sion vermengen zich de nieuwe liederen ter ere van het Lam met het oude lied van Mozes, de Middelaar van het Oude Verbond. En de tempel. maar nee! er is aldaar geen tempel meer; want God is de tempel en het Lam! Hier valt de pen mij uit de hand. Geen tempel meer! Dat is de onnavolgbaarste trek van alles. Geen tempel meer! Omdat alles tempel is! Omdat alles zo van God en Zijn heerlijkheid is vervuld, dat het onmogelijk is een plaats te vinden, waar Hij Zich meer en nader openbaart, dan Hij aan alle plaatsen in dat verblijf van de gelukzaligen doet. Geen tempel meer! Omdat vooral de gelovigen zelf de tempel zijn, waarin God en het Lam inwonen; omdat het hart van de gelovigen zelf een eeuwige tabernakel van God is! O God, hoe groot is het goed, dat U weggelegd heeft voor degenen, die U vrezen!