Mattheus 9:18-26
Wij hebben hier twee geschiedverhalen bijeengevoegd: de opwekking van Jaïrus' dochtertje en de genezing der vrouw van hare bloedvloeiing terwijl Hij op weg was naar het huis van Jaïrus, en dat in een tussenzin is ingelast in het midden van het andere, want de wonderen van Christus volgden snel op elkaar, "het werk te doen van Hem, die Hem had gezonden" was Zijn dagelijkse arbeid. Hij werd geroepen om deze goede werken te doen, terwijl Hij sprak in antwoord op de vittende aanmerkingen der Farizeeën, vers 18. "Als Hij deze dingen tot hen sprak", en wij kunnen wel veronderstellen, dat het ene aangename stoornis was in het onaangename werk der twisting, dat, hoewel soms noodzakelijk, een Godvruchtig mens toch gaarne verlaten zal om het werk der barmhartigheid te gaan verrichten. Hier is:
I. Des oversten toespraak tot Christus, vers 18. Een "overste", een overste van de synagoge, "kwam en aanbad Hem." "Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd?" Ja, hier was een kerkoverste, wiens geloof het ongeloof der overige oversten veroordeelde. Deze overste had een dochtertje van twaalf jaren, dat zo even was gestorven, en deze breuke in zijn gezin, was de reden van zijne komst tot Christus. In droefheid moeten wij tot God gaan, de dood van onze familiebetrekkingen moet ons uitdrijven tot Christus, die ons leven is, maar het is kostelijk, als alles ons tot Hem uitdrijft. Als ons gezin in rouw wordt gedompeld, dan moeten wij niet verbaasd neerzitten, maar, gelijk Job, ter aarde neervallen en aanbidden. Let nu op:
1. Zijne nederigheid in zijn aanspreken van Christus. Hij is met zijne boodschap zelf tot Christus gekomen, maar zond er geen dienaar mede. Het is voor de aanzienlijkste personen gene verkleining of vernedering om persoonlijk tot den Heere Jezus te gaan, Hem, evenals aan koningen, hun opwachting te maken. "Hij aanbad Hem", boog de knieën voor Hem, en betoonde Hem allen mogelijken eerbied. Zij, die van Christus barmhartigheid willen verkrijgen, moeten Christus eren.
2. Zijn geloof bij deze toespraak. "Mijne dochter is nu terstond gestorven", en hoewel ieder ander geneesheer thans te laat zou komen (niets is ongerijmder dan hun hulp in te roepen na den dood), komt Christus toch niet te laat, Hij is ook een geneesheer na den dood, want Hij is "de Opstanding en het Leven", O "kom" dus "en leg Uwe hand op haar, en zij zal leven". Dit was gans en al boven de macht der natuur- "het leven dat eens verloren is, kan niet wedergegeven worden", maar wèl heeft Christus die macht, die "het leven heeft in zich zelven", en "levend maakt, die Hij wil". Thans werkt Christus op gewone wijze, door de natuur, en niet tegen de natuur, en daarom kunnen wij niet met zulk ene bede in geloof tot Hem komen. Zolang er nog leven is, is er hoop en plaats voor het gebed, maar als onze vrienden gestorven zijn, dan is de zaak beslist, "wij zullen tot hen gaan, maar zij zullen tot ons niet wederkeren." Maar toen Christus op aarde was. en wonderen werkte, was zulk een geloof en vertrouwen niet slechts geoorloofd, maar prijzenswaardig.
II. Christus' bereidwilligheid om aan zijn verzoek te voldoen, vers 19. Jezus stond onmiddellijk op, verliet Zijn gezelschap, en "volgde hem". Hij was niet slechts bereid te doen wat hij wenste door zijne dochter in het leven terug te roepen, maar hem ook ter wille te zijn om hiervoor naar zijn huis te gaan. Voorwaar! Hij heeft "tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs." Hij weigerde den koninklijken hoveling om met hem te gaan, toen deze zei: "Heere! kom af, eer mijn kind sterft, Johannes 4:48-50, maar wèl ging Hij met den overste der synagoge, die zei: "Heere, kom en mijn kind zal leven." De verscheidenheid in Christus wijze van handelen bij Zijne wonderen moet wellicht toegeschreven worden aan de verschillende gemoedsgesteldheid der mensen, die tot Hem kwamen, want Hij, die "het hart doorgrondt" kende die gemoedsgesteldheid en heeft er zich naar gericht. Hij weet wat in den mens is, en hoe met hem te handelen. Toen Jezus hem nu volgde, volgden ook Zijne discipelen, die Hij tot Zijne voortdurende metgezellen had gekozen. Het was niet uit praalvertoon, dat Hij hen medenam, maar opdat zij, die later de predikers zouden zijn van Zijne leer, de getuigen zouden zijn van Zijne wonderen.
III. De genezing der bloedvloeiing dier arme vrouw. Ik noem haar ene arme vrouw, niet slechts omdat haar toestand zo beklagenswaardig was, maar omdat zij, hoewel iets hebbende in de wereld, het echter alles aan de medicijnmeesters te koste had gelegd, om van hare kwaal te worden genezen, zonder ooit baat gevonden te hebben, hetgeen nog ene verergering was van haren ongelukkigen toestand, daar zij vol geweest was, en nu ledig geworden is, dat zij zich om hare gezondheid te herkrijgen had verarmd, terwijl toch hare gezondheid niet was teruggekomen. Deze vrouw was ziek door ene voortdurende bloedvloeiing, twaalf jaren lang, vers 20, ene ziekte, die niet slechts de krachten ondermijnde en als verteerde, maar die haar ook volgens de wet onrein maakte en haar buitensloot van de voorhoven des Heeren, maar zij heeft haar niet belet om tot Christus te naderen. Zij wendde zich tot Christus, en heeft genade van Hem verkregen, toen Hij op weg was, om den overste te volgen, wiens dochter was gestorven, en voor wie dit nu ene grote aanmoediging en hulpe was om zijn geloof in de macht van Christus te blijven behouden. Zo genadiglijk let Christus op het gestel en de zwakheid der gelovigen. Men lette nu op: Het grote geloof van deze vrouw in Christus en in Zijne macht. Hare kwaal was van zulk een aard, dat hare zedigheid haar niet toeliet om er openlijk tot Christus van te spreken om genezing te verkrijgen, zoals anderen, maar door ene bijzondere ingeving van den Geest des geloofs, geloofde zij, dat er zulk ene overvloeiende kracht der genezing in Hem was, dat het blote aanraken van Zijn kleed haar genezen zou. Misschien ging haar geloof wel met enige verbeeldingskracht gepaard, want er was geen voorbeeld van, dat iemand zich op zulk ene wijze tot Christus heeft gewend, tenzij zij, gelijk sommigen denken, het oog moet gehad hebben op de opwekking van den dode door de aanraking van Elisa's gebeente, 2 Koningen 13:21. Maar welke zwakheid van verstand daar nu ook in was, het behaagde Christus dit voorbij te zien, en de oprechtheid en kracht van haar geloof aan te nemen. Deze vrouw geloofde genezen te zullen worden, indien zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds, het alleruiterste er van, aanraakte. Er is kracht in alles wat aan Christus behoort. De heilige olie, waarmee de hogepriester gezalfd was, daalde neer op den zoom zijner klederen, Psalm 133:2. Zulk ene volheid van genade is er in Christus, dat wij allen daaruit genade ontvangen, Johannes 1:16. 2. Christus' gunst jegens deze vrouw. Hij heeft Zijne genezende invloeden niet teruggehouden, (gelijk Hij had kunnen doen) maar liet aan deze schroomvallige, bedeesde lijderes toe Hem de genezing, als het ware, te ontstelen, zonder dat de omstanders het bemerkten, hoewel zij niet kon denken, dat het ook aan Hem onbekend zou blijven. En nu zou zij wel gaarne heengegaan zijn, want zij had verkregen hetgeen waarvoor zij was gekomen. Maar Christus wilde haar niet zo laten heengaan. Hij wil niet slechts, dat in die genezing Zijne macht verheerlijkt wordt, Hij wilde ook, dat Zijne genade verheerlijkt werd in hare vertroosting en lof. De triomf van haar geloof moet haar tot lof en eer verstrekken. Hij keerde zich om, om haar te zien, en weldra bemerkte Hij haar. Het is voor nederige Christenen ene grote bemoediging, dat zij, die zich verbergen voor de mensen, aan Christus bekend zijn, die in het verborgen ziet, hoe hun smekingen ten hemel opgezonden worden. Nu geeft Hij blijdschap in haar hart door dat woord: "Dochter, wees welgemoed." Zij vreesde bestraft te zullen worden, omdat zij zo heimelijk heeft gehandeld, maar zij wordt bemoedigd. Hij noemt haar dochter, want Hij sprak tot haar met de tederheid van een' vader, gelijk Hij dit ook deed tot den geraakte, dien Hij "Zoon" noemde, vers 2. Christus heeft vertroostingen gereed voor de dochters Zions, die bezwaard van geest zijn, zoals Hanna geweest is, 1 Samuël 1:15. Gelovige vrouwen zijn de dochters van Christus, en Hij zal ze als zodanig erkennen. Hij zegt haar welgemoed te zijn, en zij heeft daar reden toe, indien Christus haar als dochter erkent. De vertroosting der heiligen is gegrond op hun aanneming. Zijn bevel tot haar gericht om welgemoed te zijn, bracht vertroosting mede, gelijk Zijn woord: "Zijt genezen" gezondheid meebracht. Het is de wil van Christus, dat Zijn volk getroost zij, en het is Zijn kroonrecht om aan ontroerde harten troost te bieden. Hij "schept de vrucht der lippen, vrede." Jesaja 57:19. Hij eert haar geloof. Van alle genadegaven is het die, door welke Christus het meest geëerd wordt, en daarom eert Hij haar ook het meest, "Uw geloof heeft u behouden". Aldus heeft zij door haar geloof een goed getuigenis verkregen. En gelijk Christus onder alle genadegaven de genadegave des geloofs het meest eert, zo doet Hij onder alle gelovigen de meeste eer aan hen, die het ootmoedigst zijn, zoals aan deze vrouw, die meer geloof had, dan zij dacht te hebben. Zij had reden om welgemoed te zijn, niet slechts omdat zij genezen was, maar omdat haar geloof haar had behouden, dat is: zij was in geestelijken zin genezen, die genezing was in haar gewerkt, die de vrucht is des geloofs, de vergeving van zonde en het werk der genade. Wij kunnen in onze tijdelijke zegeningen overvloedige vertroosting smaken, als zij vergezeld gaan van geestelijke zegeningen, die er mede overeenkomen. Voedsel en deksel zullen ons liefelijk en vertroostend zijn, als wij door het geloof gevoed worden met het brood des levens, en bekleed worden met de gerechtigheid van Christus. Rust en slaap zullen ons troostrijk zijn, als wij door het geloof rusten in God, en veilig wonen onder Zijne hoede. Gezondheid en voorspoed zullen ons troostrijk wezen, als door het geloof onze ziel welvaart en gezond is. Jesaja 38:16, 17. De genezing van haar lichaam was de vrucht van haar geloof, en dat maakte haar tot ene wezenlijk gelukkige, troostrijke genezing. Zij, uit wie de duivelen uitgeworpen waren, waren geholpen door de soevereine macht van Christus, sommigen van hen door het geloof van anderen (zoals in vers 2), maar hier is het: "Uw geloof heeft u behouden". Tijdelijke zegeningen zijn ons waarlijk vertroostingen, als zij ontvangen worden op het geloof. Als wij enigerlei genade zoeken te verkrijgen, en wij hebben er om gebeden in geloof met het oog op de belofte, en in afhankelijkheid daarvan, indien wij haar begeerden ter verheerlijking van God en met onderworpenheid aan Gods wil, en als dan ons hart er door verruimd is in geloof, liefde en gehoorzaamheid, dan kunnen wij zeggen, dat wij haar door het geloof hebben ontvangen.
IV. Den toestand, waarin Hij het huis van den overste vond, vers 23. - Hij zag "de pijpers en de woelende schare." Het huis was in gewoel en verwarring, dat is het werk van den dood in een gezin, en wellicht geven de nodige zorgen, die in zulk een tijd ontstaan, als onze doden op betamelijke wijze van voor onze ogen begraven moeten worden, ene heilzame afleiding aan de droefheid, die anders wellicht de overhand over ons zou verkrijgen. De lieden uit den omtrek kwamen om rouwbeklag te doen over het geleden verlies, de ouders te troosten, toebereidselen te maken voor de begrafenis en deze bij te wonen, want het was onder de Joden gebruikelijk daar niet lang mede te wachten. De pijpers bevonden zich onder hen naar ene gewoonte onder de Heidenen, om met hun treurmuziek de droefheid te verhogen, en de klaagzangen uit te lokken van hen, die daarbij tegenwoordig waren. Aldus gaven zij dan toe aan ene hartstochtelijkheid, die van zelf reeds al te licht bovenmate sterk werd, waardoor dan ene droefheid aan den dag werd gelegd als van "dezulken, die gene hope hebben." Zie, hoe de Godsdienst hartsterking en verzachtenden troost biedt, terwijl de ongodsdienstigheid slechts bijtende middelen heeft, die het leed nog verzwaren. Het is ook mogelijk, dat deze pijpers, of fluitspelers afleiding poogden te geven aan de smart der familie door hen te vervrolijken, maar "als edik is op salpeter, zo is hij, die liederen zingt, bij een treurig hart." Merk op, dat de ouders, die toch in de eerste plaats door de beproevingen werden getroffen, zwegen, terwijl de pijpers en de schare, wier geklaag en geween slechts gedwongen waren, zulk een getier maakten. De smart, die zich het luidst openbaart, is niet altijd het diepst, rivieren bruisen het sterkst, waar zij over ene ondiepe bedding vloeien. Die smart is het oprechtst, welke zich aan de opmerkzaamheid zoekt te onttrekken. Maar van dit alles wordt hier gewag gemaakt, om te tonen, dat het kind werkelijk gestorven was. Hoe Christus al deze verwarring en luidruchtigheid bestraft heeft, vers 24. "Vertrekt," zei Hij. Waar de droefheid naar de wereld de overhand heeft, is het wel eens moeilijk voor Christus en Zijne vertroostingen om er ingang te vinden. Aan hen, die zich verharden in hun smart, en gelijk Rachel, weigeren vertroost te worden, moet het wezen, alsof zij Christus tot hun onrustige, ontroerende gedachten horen zeggen: "Vertrekt". Maakt plaats voor Hem, die de Vertroosting Israël's is, en ene "sterke vertroosting" sterk genoeg om de verbijstering en de tirannie van deze droefheid naar de wereld te overwinnen, zo Hij slechts toegelaten wordt in de ziel. Hij geeft een goede reden op, waarom zij zich zelven en elkaar niet zo moeten ontrusten: "Het dochtertje is niet dood, maar slaapt." Dit was bij uitnemendheid waar van dit kind, dat onmiddellijk tot het leven teruggeroepen zou worden. Zij was wel waarlijk dood, maar niet voor Christus, die wist, wat Hij ging doen, en besloten had haar dood slecht als een slaap te doen zijn. Er is weinig verschil tussen den slaap en den dood, behalve in den duur er van, welk ander verschil er moge zijn, is slechts een droom. De dood moet slechts van korten duur zijn, en daarom is hij slechts een slaap, als ene nachtrust. Hij, die de doden levend maakt, kan de dingen. die niet zijn, roepen, alsof zij waren, Romeinen 4:17. Het is in zekeren zin waar van allen die sterven, inzonderheid van hen, die sterven in den Heere. De dood is een slaap. Alle natiën en alle talen zijn tot verzachting van hetgeen zo schrikkelijk, en daarbij zo volstrekt onvermijdelijk is, en om er zich mede te verzoenen, overeengekomen, om hem aldus te noemen. Zelfs van de goddeloze koningen wordt gezegd, dat zij "ontsliepen met hun vaderen," en van hen, die zullen "ontwaken tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing" wordt gezegd, dat zij slapen in het stof der aarde," Daniël 12:2. Het is niet de slaap der ziel-hare werkzaamheid houdt niet op-maar de slaap van het lichaam, dat neerligt in het graf, stil en zwijgend, in duisternis en vergetelheid gehuld. De slaap is een dood van korten duur, en de dood is een langdurige slaap. Maar de dood der rechtvaardigen moet in zeer bijzonderen zin als een slaap worden beschouwd, Jesaja 57:2. Zij ontslapen in Jezus, 1 Thessalonicenzen 4:14, zij rusten niet slechts van den arbeid en de moeite van den dag, maar rusten in de hope van het blijde ontwaken op den morgen der opstanding, wanneer zij verfrist en verkwikt zullen ontwaken tot een nieuw leven, ontwaken om met een rijk gewaad te worden bekleed en te worden gekroond, ontwaken om niet meer te slapen. De overdenking hiervan behoort onze droefheid te matigen bij den dood onzer betrekkingen en vrienden. "Zeg niet: zij zijn verloren, neen, zij zijn ons slechts voorgegaan. Zeg niet: dat zij zijn verslagen, neen, zij zijn slechts ontslapen, en de apostel acht het ene ongerijmdheid te denken, dat zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren zouden zijn, 1 Corinthiërs 15:18, "Vertrekt," geeft dus plaats aan die vertroostingen, welke het verbond der genade aanbiedt, als ontleend aan den toekomstigen staat der gelukzaligheid en der heerlijkheid, "die aan ons zal geopenbaard worden.". Zou men zich nu hebben kunnen voorstellen, dat zulk een troostwoord, komende uit den mond van den Heere Jezus, bespot zou worden? "Zij belachten Hem." Deze lieden woonden te Kapernaum, zij kenden het karakter van Christus: zij wisten, dat Hij nooit een dwaas of onbezonnen woord had gesproken, zij waren bekend met de vele en grote werken, die Hij had gedaan, zodat zij, indien zij al niet verstonden, wat Hij met dit woord bedoelde, ten minste in stilte den uitslag, het gevolg er van behoorden af te wachten. De woorden en werken van Christus, die niet begrepen kunnen worden, behoren daarom niet te worden geminacht. Wij moeten de verborgenheid aanbidden der Goddelijke woorden, ook dan, als zij in tegenspraak schijnen met hetgeen waarvan wij ons ontwijfelbaar zeker achten. Maar ook dit strekte ter bevestiging van het wonder, want het scheen, dat het kind zo blijkbaar dood was, dat men het uiterst bespottelijk vond daar anders over te denken.
VI. De opwekking van het kind uit den dood door de macht van Christus, vers 25. "De schare was uitgedreven." Spotters, die lachen om hetgeen zij zien en horen dat boven hun bevatting is, zijn gene voegzame getuigen van de wonderwerken van Christus, waarvan de heerlijkheid niet is gelegen in praal of pracht, maar in kracht. De zoon der weduwe te Naïn, en Lazarus, werden openlijk van den dood opgewekt, maar met dit kind geschiedde het binnen's huis, want Kapernaum, dat de mindere wonderen der genezingen had geminacht, was niet waardig om het grotere, het terugroepen tot het leven, te aanschouwen. Deze paarlen moesten niet geworpen worden voor de voeten dergenen, die ze zouden vertreden. Christus ging in en "greep hare hand", als om haar wakker te maken en overeind te helpen, handelende naar Zijne eigene beeldspraak, waarin Hij haar had voorgesteld als slapende. De Hogepriester, die een type was van Christus, mocht bij gene dode lichamen komen, Leviticus 21:10, 11, maar Christus heeft dode lichamen aangeraakt. Het Levitische priesterschap laat de doden in hun onreinheid, en houdt zich daarom op een afstand van hen, omdat het hun gene hulp aan heeft te bieden, maar Christus, macht hebbende om de doden op te wekken, is verheven boven de besmetting, en daarom schroomt Hij niet hen aan te raken. Hij "greep hare hand, en het dochtertje stond op." Zo gemakkelijk, en daarbij met zoveel kracht van uitwerking, was het wonder gewrocht, niet door gebed, zoals Elia gedaan heeft, 1 Koningen 17:21, en Elisa, 2 Koningen 4:33, maar door ene aanraking. Zij deden het als dienstknechten. Hij deed het als Zoon, als God, "bij wie uitkomsten zijn tegen den dood." Jezus Christus is de Heere der zielen. Hij gebiedt ze te komen, en Hij gebiedt ze te gaan, wanneer, en zo als, het Hem behaagt. Dode zielen worden niet opgewekt tot geestelijk leven, tenzij Christus hare hand grijpt, dit geschiedt ten dage Zijner heirkracht. Hij helpt ons opstaan, of wij blijven neerliggen.
VII. De algemene aandacht, die aan dat wonder geschonken werd, hoewel het stil en binnen's huis was geschied, vers 26, "dit gerucht ging uit door dat gehele land, het was het algemene onderwerp der gesprekken. De mensen hebben over Christus' wonderen meer gepraat, dan ze overwogen, of ze zich ten nutte gemaakt. En ongetwijfeld waren zij, die slechts van Christus' wonderen hebben gehoord er even verantwoordelijk voor als zij, die er ooggetuigen van zijn geweest. Hoewel wij, op zo verren afstand van tijd levende, Christus' wonderen niet hebben gezien, zijn wij toch, wijl wij er de volkomen geloofwaardige geschiedenis van bezitten, gehouden en verplicht Zijne leer te ontvangen en aan te nemen, en "Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben."