Lukas 8:40-56
Christus werd verdreven door de Gadarenen, zij waren Hem moede en wilden zich gaarne van Hem ontdoen. Maar toen Hij het meer had overgestoken en terugkeerde tot de Galileërs, hebben dezen Hem met blijdschap ontvangen, want zij wensten en verwachtten allen Zijne terugkomst, en daarom heetten zij Hem van harte welkom, vers 40. Indien sommigen de gunsten niet willen aannemen, die Christus hun biedt, anderen willen het wèl. Indien de Gadarenen zich niet laten verzamelen, zijn er toch velen, onder wie Christus verheerlijkt zal worden. Nadat Christus Zijn werk aan de andere zijde van het water volbracht had, keerde Hij terug, en vond nieuw werk te doen in de plaats van waar Hij gekomen was. Aan hen, die er zich toe begeven om goed te doen, zal de gelegenheid er voor nooit ontbreken. De armen en nooddruftigen hebt gij altijd met u. Evenals in Mattheus en Markus hebben wij ook hier twee wonderen, die als in elkaar gevlochten zijn-de opwekking van het dochtertje van Jaïrus en de genezing der vrouw, die den vloed des bloeds had, toen Hij zich, omringd van een grote schare van mensen, op weg naar het huis van Jaïrus bevond. Wij hebben hier:
I. Een openbaar verzoek aan Christus van een overste der synagoge, wiens naam was Jaïrus, ten behoeve van zijn dochtertje, dat zeer ziek was en, naar allen die haar omringden, vreesden, "op haar sterven lag., Dat verzoek was zeer nederig en eerbiedig. Jaïrus, hoewel hij een overste was, viel aan de voeten van Jezus, Hem aldus erkennende als een overste boven hem. Hij was zeer dringend. Hij bad Hem dat Hij in zijn huis wilde komen, het geloof, of tenminste de gedachte, van den overste over honderd niet hebbende, die van Christus slechts begeerde dat Hij het woord der genezing op een afstand zou spreken. Maar Christus bewilligde in zijn verzoek, Hij ging met hem. Het krachtige geloof zal geprezen, maar het zwakke geloof toch niet verworpen worden. In huizen, waar ziekte en dood zijn, is de tegenwoordigheid van Christus zeer begerenswaardig. Toen Christus heenging, verdrongen Hem de scharen, sommigen uit nieuwsgierigheid om Hem te zien, anderen uit genegenheid voor Hem. Laat ons niet klagen over gedrang der scharen, zo wij slechts op den weg des plichts zijn en goed doen, maar anders zal ieder verstandig mens zich zoveel mogelijk op een afstand houden van zulk een gedrang.
II. Hier is een vrouw, die zich in stilte, in het geheim tot Christus wendt om genezing. Het is een vrouw, die ziek was door den vloed des bloeds, die haar lichaam ondermijnde en haar beurs ledig maakte, want zij had al haar leeftocht aan medicijnmeesters te koste gelegd, maar was er niet beter door geworden, vers 43. Wegens den aard harer ziekte wilde zij er niet gaarne in het openbaar over klagen (overeenkomstig de ingetogenheid van hare sekse schuwde zij zelfs om er van te spreken), en daarom nam zij de gelegenheid te baat om tot Christus te komen in het midden der menigte: hoe meer mensen er waren, dacht zij, hoe minder het waarschijnlijk was, dat zij opgemerkt zou worden. Haar geloof was zeer sterk, want zij twijfelde niet, of zij zou door de blote aanraking van den zoom Zijns kleeds genezen worden, daar zij Hem beschouwde als zulk een volle bron van zegeningen, dat zij als het ware Hem hare genezing kon ontstelen, zonder dat Hij het bemerkte. Zo is menige ziel genezen en geholpen en behouden door Christus, toen zij als verloren was in een menigte, en niemand acht op haar sloeg. De vrouw ontwaarde terstond ene verandering ten goede in zich, en dat zij van hare kwaal was genezen, vers 44. Gelijk de gelovigen troostrijke gemeenschap hebben met Christus, zo hebben zij ook troostrijke mededelingen van Hem incognito in het verborgen, een spijze om te eten, die de wereld niet weet, een blijdschap, waarmee geen vreemde zich kan vermengen. III. Wij hebben nu de ontdekking van deze geheime genezing tot eer zowel van den geneesmeester als van de zieke.
1. Christus bemerkt dat er ene genezing gewrocht is: er is kracht van Mij uitgegaan, vers 46. Zij, die genezen zijn door de kracht, die van Christus is uitgegaan, moeten het erkennen, want Hij weet het. Hij spreekt er hier van, niet bij wijze van klacht, alsof Hij er door verzwakt of wel verongelijkt was, maar in welbehagen. Het was Hem ene verlustiging dat kracht van Hem was uitgegaan om goed te doen, en Hij heeft dit ook de geringsten niet misgund, zij waren er even welkom aan, als aan het licht en de warmte der zon. Ook was er, wijl er kracht van Hem was uitgegaan, daarom niet minder kracht in Hem gebleven, want Hij is een overvloeiende fontein.
2. De arme zieke erkent nu haar toestand en de weldaad, die zij had ontvangen: De vrouw nu, ziende dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem neervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, vers 47. De overweging, dat wij voor Christus niet verborgen kunnen blijven, moet ons er toe brengen ons hart voor Hem uit te storten, al onze zonde en al ons verdriet voor Hem bloot te leggen. Waar een zaligmakend geloof is, kan toch ook nog een beven zijn. Zij had Hem aangeraakt, omdat zij geloofde dat die aanraking haar zou genezen, en zo was het ook. Christus' patiënten behoren elkaar hun ervaringen mede te delen.
3. De grote geneesmeester bevestigt hare genezing en zendt haar weg met de vertroosting er van: Zijt welgemoed, uw geloof heeft u behouden, vers 48. Jakob heeft Isaak's zegen steelsgewijze verkregen en door een list, maar toen het bedrog ontdekt was, heeft Izaak hem voorbedachtelijk bevestigd. Hij werd op slinkse wijze verkregen, maar het werd openlijk bekrachtigd. Evenzo ook deze genezing. Hij is gezegend, ook zal hij gezegend zijn, zo ook hier: Zij is genezen, en zal genezen zijn.
IV. Hier is een bemoediging voor Jaïrus om de macht van Christus niet te mistrouwen, hoewel zijne dochter nu gestorven was, en zij, die hem de tijding er van brachten, hem aanrieden om den Meester nu niet verder om haar moeilijk te zijn. Vrees niet, zei Christus, geloof alleenlijk. Ons geloof in Christus moet stoutmoedig zijn, evenals wij ook in onzen ijver voor Hem stoutmoedig moeten zijn. Zij, die gewillig zijn om iets voor Hem te doen, kunnen er staat op maken, dat Hij grote dingen voor hen zal doen, boven hetgeen zij kunnen bidden of denken. Als de zieke gestorven is, is er geen plaats meer voor het gebed of voor het gebruik der middelen, hier echter, hoewel het kind gestorven is: geloof alleenlijk, en alles zal wel zijn. Post mortem medicus -na den dood den doctor te roepen, is ongerijmd, maar niet post mortum Christus - Christus na den dood aan te roepen.
V. De toebereidselen om haar tot het leven terug te roepen.
1. Christus' keuze van hen, die getuigen moesten zijn van het wonder. Een schare volgde Hem, maar zij waren wellicht ruw en luidruchtig, het was ook niet voegzaam om zulk een schare in het huis van een aanzienlijk man te laten komen, vooral niet, nu het gezin in rouw en droefheid was, daarom zond Hij hen weg, maar niet omdat Hij bevreesd was het wonder voor hun onderzoekende blikken te laten geschieden, want Lazarus en den zoon der weduwe heeft Hij ten aanschouwe van allen opgewekt. Hij nam niemand mede dan Petrus en Jakobus en Johannes, het driemanschap onder Zijne discipelen, waarmee Hij het vertrouwelijkste was, bedoelende dat deze drie, en de ouders van het kind, de enige toeschouwers zouden zijn van het wonder, daar zij een voldoend getal uitmaakten om er de waarheid van te getuigen.
2. Hoe Hij de rouwbedrijvenden in hun misbaar beteugelde. Zij schreiden allen en maakten misbaar, want het schijnt een aanvallig kind geweest te zijn, dierbaar niet slechts aan hare ouders, maar ook aan verwanten en naburen. Maar Christus zegt hun niet te wenen, want zij is niet dood, maar slaapt. Hij bedoelde dit voor haar bijzonder geval, dat zij niet dood was voor altijd, maar dat zij weldra tot het leven zal terugkeren, zodat het voor hare vrienden zou wezen, alsof zij slechts enige uren had geslapen. Maar het is van toepassing op allen, die in den Heere sterven, daarom moeten wij niet om hen treuren als degenen, die geen hope hebben, want voor hen is de dood slechts een slaap, niet slechts omdat hij een rust is van den arbeid en de moeite van dit leven, maar ook omdat er een opstanding zal zijn, een opwaken en weder opstaan tot al de heerlijkheid van de dagen der eeuwigheid. Het was een troostrijk woord, dat Christus sprak tot deze treurenden, maar zij hebben het goddelooslijk bespot, en hebben Hem er om belachen, hier was aldus een parel, geworpen voor de zwijnen. Zij waren onwetend omtrent de Schriften van het Oude Testament, die het niet als iets ongerijmds bespotten om den dood een slaap te noemen. Maar uit dat kwade is toch dit goede voortgekomen, dat de waarheid van het wonder er door werd aangetoond, want zij wisten dat het kind was gestorven, zij waren er zeker van, en daarom heeft niets dan de kracht Gods haar in het leven kunnen terugroepen. Wij bevinden niet dat Hij antwoordde, maar weldra heeft Hij zich verklaard, tot hun overtuiging hoop ik, zodat zij nooit meer Zijn woord hebben belachen. Maar Hij dreef hen allen uit, vers 54. Zij waren onwaardig om van dit wonderwerk getuigen te zijn. Zij, die in het midden van hun rouwbedrijf zo vrolijk waren, dat zij lachten om hetgeen Hij zei te zullen doen, hebben wellicht iets gevonden waarover zij konden lachen in hetgeen Hij gedaan heeft, en daarom worden zij met recht uitgedreven.
VI. Haar wederkeren tot het leven, na een kort verblijf in de gemeente der doden. Hij greep hare hand (zoals wij doen als wij iemand uit den slaap willen opwekken en overeind helpen), en Hij riep, zeggende: Kind, sta op, vers 55. Aldus paart zich de hand van Christus' genade aan de roepstem Zijns woords om haar kracht en uitwerking te geven. Wat in de andere evangelisten slechts stilzwijgend te verstaan werd gegeven, wordt hier uitgedrukt namelijk dat haar geest is wedergekeerd. hare ziel keerde weer om haar lichaam levend te maken. Dit bewijst duidelijk dat de ziel bestaat en handelt in een toestand van afscheiding van het lichaam, en dus is zij onsterfelijk, dat de dood deze lamp des Heeren niet uitblust, maar haar als uit een donkere lantaarn neemt. Zij is niet, gelijk Hugo de Groot terecht opmerkt, de krasis, of temperament van het lichaam, maar zij is anthupostation ti- iets dat op zichzelf bestaat, en na den dood ergens anders is, dan waar het lichaam is. Waar de ziel van dat kind in dien tussentijd geweest is, wordt ons niet gezegd, zij was in de hand van den Vader der geesten, tot wie alle zielen na den dood terugkeren. Toen haar geest wederkeerde, stond zij op, en deed door hare beweging blijken dat zij leefde, evenals zij dit ook liet blijken door haar eetlust, want Christus gebood dat men haar te eten geven zou. Gelijk nieuwgeboren kinderkens, zo begeren ook zij, die pas ten leven zijn opgewekt, geestelijk voedsel, opdat zij daardoor mogen opwassen. Het verwondert ons niet dat wij in het laatste vers zien, dat hare ouders zich ontzetten, maar indien dit te kennen geeft, dat zij alleen, en niet de overige bijstanders, die Christus hebben belachen, zich ontzet hebben, dan kunnen wij ons wel verwonderen over hun stompzinnigheid, die wellicht de reden was, waarom Christus niet wilde dat het bekend gemaakt werd, evenzeer als om een voorbeeld te geven van Zijne nederigheid.