Mattheus 14:34-36
Hier hebben wij het bericht van wonderen in het groot -om dit zo eens uit te drukken-welke Christus gewrocht heeft aan de overzijde van het water, in het land van Gennesareth.
Waar Christus ook ging, overal deed Hij goed. Gennesareth was ene landstreek, gelegen tussen Bethsaïda en Kapernaum, en heeft haar naam, hetzij gegeven, of ontleend, aan deze zee, die, Lukas 5:1, het meer van Gennesareth wordt genoemd. De naam betekent: Vallei der takken. Hier valt op te merken:
1. Den ijver en het geloof van de mannen van die plaats. Dezen waren edeler dan de Gergesenen, hun naburen, die oeverbewoners waren van hetzelfde meer. Zij baden Christus, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken. Zij hadden Hem niet nodig. Christus acht het de grootste eer, die wij Hem aan kunnen doen, gebruik van Hem te maken. Nu wordt ons hier gezegd:
1. Hoe de mannen van die plaats tot Christus werden gebracht, zij werden Hem kennende. Waarschijnlijk heeft Zijn wonderdadige tocht over de zee, die door hen, welke in het schip waren, ijverig bekend gemaakt werd, er toe bijgedragen om Hem in die landstreek te doen ontvangen, en wellicht was dit een der dingen, die Christus er mede op het oog heeft gehad, want hetgeen Hij doet heeft altijd een wijde strekking. Dit, en de andere wonderen, door Christus gewrocht, waren hun bekend geworden, en daarom zijn zij tot Hem uitgegaan. Zij, die Christus' naam kennen, zullen zich tot Hem wenden. Indien Christus beter gekend ware, zou Hij niet zo veronachtzaamd worden als nu het geval is. Zo ver Hij gekend is, wordt op Hem vertrouwd. Zij werden Hem kennende, dat is: hun werd bekend, dat Hij in hun midden was, maar dat Hij slechts voor ene wijle bij hen zou blijven. Als wij den dag weten te onderkennen, die een dag van heil voor ons is, dan zijn wij goed op weg, om er gebruik van te maken. Het was de veroordeling der wereld, dat Christus in de wereld was, en de wereld Hem niet heeft gekend, Johannes 1:10. Jeruzalem heeft Hem niet gekend, maar er waren sommigen, die, toen Hij onder hen was, Hem kenden. Het is beter te weten, dat er een profeet onder ons is, dan dat er een onder ons geweest is, Ezechiël 2:5.
2. Hoe zij anderen tot Christus brachten, door aan hun naburen te berichten, dat Christus in dit deel des lands was aangekomen: Zij zonden in dat gehele omliggende land. Zij, die zelf kennis hebben aan Christus, moeten alles doen wat zij kunnen, om anderen met Hem bekend te maken. Wij moeten die geestelijke spijze niet voor ons alleen houden, in Christus is er genoeg voor ons allen, zodat men er niets bij wint, om er een monopolie van te willen hebben. Als wij de gelegenheid hebben iets goeds te verkrijgen voor onze ziel, dan behoren wij dit goeds te delen met zo velen als wij slechts bereiken kunnen. Meer dan wij denken zouden zich bij ons aansluiten, om van die gelegenheden gebruik te maken, indien zij er slechts toe geroepen en uitgenodigd werden. Zij zonden in hun eigen land, omdat het hun land was, en zij er het welzijn van begeerden. Wij kunnen van onze liefde voor ons land niet beter doen blijken, dan door er de kennis van Christus in te verbreiden. De nabuurschap is ene gelegenheid om goed te doen, waarvan gebruik moet worden gemaakt. Wij moeten op middelen bedacht zijn, om iets te doen voor hen, die in onze nabijheid zijn, in elk geval moeten wij dit doen door ons voorbeeld, en hen aldus tot Christus zien te brengen.
3. Wat zij van Christus begeerden, niet alleen, wellicht niet voornamelijk, om door Hem onderwezen te worden, maar om hun kranken door Hem te laten genezen. Zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren. Indien liefde tot Christus en Zijne leer hen niet tot Hem zal brengen, dan zal het door liefde voor zich zelven geschieden. Indien wij slechts op de rechte wijze het onze zochten, hetgeen tot onzen vrede en onze welvaart dient, dan zouden wij de dingen van Christus zoeken. Wij zouden Hem eren, Hem behagen, door aan Hem genade en gerechtigheid te ontlenen. Christus is de rechte Persoon, tot wie de kranken gebracht moeten worden. Tot wie zouden zij heengaan dan tot den Geneesmeester, de Zon der gerechtigheid, die genezing heeft onder Zijne vleugelen?
4. Hoe zij met hun aanzoek tot Hem kwamen: Zij baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken, vers 36. Zij wendden zich tot Hem:
1. Met groten aandrang, zij baden Hem. Wèl mogen wij bidden genezen te worden, als God ons door Zijne Evangeliedienaren bidt om genezen te willen worden. De grootste gunsten en zegeningen worden van Christus verkregen op het gebed, bidt, en u zal gegeven worden.
2. Met groten ootmoed. Zij kwamen tot Hem, als zich bewust zijnde van hun geringheid tegenover Hem, Hem nederig smekende hen te willen helpen. En hun begeerte om slechts den Zoom Zijns kleeds te mogen aanraken toont, dat zij zich onwaardig achtten, dat er van hen bijzondere notitie zou genomen worden, dat Hij ook maar zo veel als tot hen spreken zou over hun toestand, en nog veel minder dat Hij hen zou aanraken, om hen te genezen. Zij zullen het als ene grote gunst beschouwen, indien Hij hun wil veroorloven den zoom Zijns kleed aan te raken. Oosterse volken tonen hun eerbied voor hun vorsten door hun mouw, of de slip van hun gewaad te kussen.
3. Met volle verzekerdheid van de algenoegzaamheid van Zijne macht, niet twijfelende, of zij zouden genezen worden, zelfs door de aanraking van den zoom Zijns kleeds, dat zij door het geringste teken of symbool van gemeenschap met Hem, overvloedige mededeling van Hem zouden ontvangen. Zij verwachtten niet, gelijk Naäman, 2 Koningen 5:11, dat er met de hand over de zieke plaats, of de zieke personen, gestreken zou worden, maar zij waren er zeker van, dat er zulk ene volheid van geneeskracht in Hem was, dat zij, die slechts tot Hem mochten genaken, voorzeker genezen zouden worden. Het was in die landstreek en in deze buurt, dat de vrouw, die het bloedvloeien had, genezen werd door den zoom Zijns kleeds aan te raken, en wegens haar geloof werd geprezen, Hoofdstuk 9:20-22, vandaar waarschijnlijk, dat zij dit nu vragen. De ervaringen, die anderen van Christus hebben gehad, kunnen gebruikt worden om ons te leiden en ons aan te moedigen bij ons gaan tot Christus.
II. Het goed gevolg van hun aanzoek bij Christus. Het was niet te vergeefs, dat dit zaad van Jakob Hem gezocht heeft, want zo velen als Hem aanraakten, werden gezond. Christus' genezingen zijn volkomen genezingen. Hij doet Zijn werk niet ten halve. Hoewel de geestelijke genezing in den beginne nog niet volmaakt is, zal toch ongetwijfeld Hij, die een goed werk in ons begonnen heeft, dat voleindigen. Filippenzen 1:6. Er is in Christus overvloedige geneeskracht voor allen, die zich om genezing tot Hem wenden, al zijn zij nog zo velen in aantal. Die kostelijke olie, welke uitgestort was op Zijn hoofd, daalde neer op den zoom Zijner klederen. Psalm 133:2. De minste van Christus, instellingen is, gelijk de zoom Zijns kleeds, gans vervuld met de overvloeiende volheid Zijner genade, en Hij is machtig volkomen zalig te maken. De geneeskracht, die in Christus is, gaat uit ten nutte van hen, die door een oprecht en levend geloof Hem aanraken. Christus is in den hemel, maar Zijn woord is nabij ons, en in dat woord Hij zelf. Als wij in het geloof tot Christus gaan, als wij steunen op Zijn woord, ons de beloften toe-eigenen, ons stellen onder Zijn invloed, en gehoorzamen aan Zijne geboden, dan is het, dat wij den zoom Zijns kleeds aanraken. En op die aanraking worden wij dan gezond gemaakt. Op zulke gemakkelijke voorwaarden worden ons geestelijke genezingen door Hem aangeboden, opdat Hij in waarheid gezegd worde om niet te genezen, zodat, indien onze ziel sterft aan hare wonden, dit dan niet te wijten is aan onzen Geneesmeester, het is niet wegens gebrek aan bekwaamheid of goeden wil in Hem, het is zuiver en alleen onze eigene schuld. Hij zou ons hebben kunnen genezen: Hij zou ons hebben willen genezen, maar wij wilden niet genezen worden, zodat ons bloed dan op ons eigen hoofd is.