Deuteronomium 27:11-26
Toen de wet geschreven was om door alle mensen gezien en gelezen te worden, moest de bekrachtiging er van worden afgekondigd, die zij ter voltooiing van de plechtigheid van het sluiten des verbonds met God na rijp beraad moesten verklaren te hebben goedgekeurd. Dit was hun tevoren reeds bevolen, Hoofdstuk 11:29, 30, en daarom begint deze bepaling hier ietwat plotseling. Het schijnt dat er in Kanaän, in het deel er van, dat door het lot was toegewezen aan Efraïm (Jozua's stam) twee bergen waren, die dicht bij elkaar lagen, met een dal er tussen in, de een genoemd Gerizim en de andere Ebal. Op de glooiing van deze bergen, die tegenover elkaar waren, moesten de stammen opgesteld worden, zes aan de ene en zes aan de andere zijde, zodat zij in het dal aan de voet van elke berg tamelijk dicht tot elkaar naderden, zó dicht bij dat de priesters, die tussen hen in stonden, door allen die aan beide zijden het dichtst bij waren, gehoord konden worden. Als dan stilte en aandacht geboden waren, sprak een van de priesters of misschien meerderen, die op enige afstand van elkaar stonden, met luider stem de hier volgende vloeken uit, en al het volk, dat op de glooiing en aan de voet van de berg Ebal stond, (zij, die verder afstonden, het sein volgende van hen, die dichter bij en binnen het bereik van de stem van de priester stonden) zei: "Amen". Dan werd de tegenovergestelde zegen uitgesproken: "Gezegend zij hij, die zo en zo niet doet", en zij, die op de glooiing en aan de voet van de berg Gerizim stonden, zeiden: "Amen". Ongetwijfeld moesten zij aldus diep bewogen worden door de zegeningen en de vervloekingen, de beloften en de bedreigingen van de wet, en niet slechts al het volk er mee bekend worden, maar er door leren ze op zichzelf toe te passen.
I. Er is in het algemeen iets op te merken betreffende deze plechtigheid, die slechts eenmaal moest plaats hebben, maar waarvan door het nageslacht zal worden gesproken.
1. God bepaalt welke stammen op de berg Gerizim, en welke op de berg Ebal moeten staan, vers 12, 13, om de twisten te voorkomen die misschien zouden ontstaan zijn, indien het aan hen ware overgelaten om zich te rangschikken. De zes stammen, die aangewezen waren om de zegen uit te spreken, waren allen de kinderen van de vrije vrouwen, want aan de zodanigen behoort de belofte, Galaten 4:31. Levi wordt hier onder de overigen gesteld om aan de bedienaren van de Godsdienst te leren om ook op zichzelf de zegen en de vloek toe te passen, die zij prediken aan anderen, en door het geloof hun eigen Amen er aan toe te doen.
2. Van de stammen, die Amen moesten zeggen op de zegeningen, wordt gezegd: deze zullen staan om het volk te zegenen, maar van de anderen: deze zullen staan over de vloek zonder het volk er bij te noemen, als ongenegen om te veronderstellen dat iemand uit dit volk hetwelk God als het Zijne had aangenomen zich onder de vloek zou leggen. Of wellicht geeft die verschillende wijze van uitdrukking te kennen, dat er in het algemeen slechts een zegen over het volk van Israël uitgesproken zou worden, als een gelukzalig volk, en dat dit altijd zo zijn zou, indien zij gehoorzaam waren, en op die zegen moesten de stammen, die op de berg Gerizim stonden Amen zeggen: "Zalig zijt gij, o Israël, en moogt gij dit immer wezen", maar dan komen de vervloekingen als een uitzondering op de algemenen regel, (en wij weten: Exceptio firmat regulam. De uitzondering bevestigt de regel). Israël is een gezegend volk, maar indien er zelfs onder hen enige particuliere personen zijn, welke die en die dingen doen, als hier genoemd zijn, zo laat hen weten dat zij part noch deel hebben in de zaak, maar onder een vloek zijn. Dit toont aan hoe bereid God is om de zegen te schenken, zo er zijn, die onder de vloek vallen, hebben zij het zichzelf te wijten, zij zelf brengen die over zich. 3. De Levieten of priesters, de zodanigen onder hen, die hiertoe aangesteld waren, moesten de vloeken uitspreken zowel als de zegeningen. Zij waren verordineerd om te zegenen, Hoofdstuk 10:8, de priesters deden het dagelijks, Numeri 6:23. Maar zij moesten hel kostelijke uittrekken van het snode, zij moesten die zegen zo maar niet in het algemeen geven, maar verklaren aan wie hij niet toekwam, opdat zij, die er geen recht op hadden, niet zouden denken er in te delen door zich onder de menigte te bevinden. Evangeliedienaren moeten de verschrikkingen van de wet prediken, zowel als de vertroostingen des Evangelies moeten niet slechts het volk lokken tot hun plicht door de belofte van een zegen, maar er hen ook toe verschrikken door de bedreigingen van een vloek.
4. De vervloekingen staan hier opgetekend, maar niet de zegeningen, want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek, maar het was een eer, weggelegd voor Christus, om ons te zegenen, en dus datgene voor ons te doen wat van de wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was. In Christus' rede op de berg, die de ware berg Gerizim was, hebben wij niet anders dan zegeningen, Mattheus 5:3 en verv.
5. Op ieder van de vervloekingen moest het volk Amen zeggen. Het is gemakkelijk om de betekenis te verstaan van het Amen op de zegeningen. De Joden hebben een gezegde om de mensen aan te moedigen Amen te zeggen op de openbare gebeden: Al wie Amen zegt na hem die zegent, is als degeen die zegent. Maar hoe konden zij Amen zeggen op de vervloekingen?
a. Het was een belijdenis van hun geloof in de waarheid er van dat deze en dergelijke vervloekingen geen ijdele schrik-aanjagingen waren, maar werkelijke aankondigingen van de toorn Gods over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, waarvan geen jota ter aarde zal vallen.
b. Het was een erkenning van de billijkheid van deze vervloekingen, als zij Amen zeiden, zeiden zij hiermede niet alleen: Het is zeker dat het zo zijn zal, maar ook het is recht, dat het zo zijn zal. Zij die deze dingen doen, verdienen onder de vloek te vallen en er onder te liggen.
c. Het was zo'n verwensing ingeroepen over zichzelf, dat zij onder de sterkste verplichtingen waren, om niets van doen te hebben met zulke boze praktijken als waarop deze vloeken moeten rusten. "Gods toorn treffe ons zo wij ooit zulke dingen doen." Wij lezen van degenen, die in de vloek kwamen, (en bij ons Is dat de gewone vorm van een plechtige eed) dat zij zouden wandelen in de wet Gods Nehemia 10:29. Ja de Joden zeggen, (naar de aanhaling van bisschop Patrick) Door dit Amen uit te spreken, heeft het volk zich jegens elkaar verbonden, dat zij Gods wet zullen waarnemen, waardoor ieder verplicht was om, zover hij dit vermocht, zijn naaste te beletten om deze wetten te overtreden, en diegenen te bestraffen, die ze hadden overtreden, uit vrees van anders de zonde te dragen en met de zonde de vloek.
II. Laat ons nu nagaan wat de bijzondere zonden waren, tegen welke hier die vervloekingen aangekondigd zijn.
1. Zonden tegen het tweede gebod. Dit vlammend zwaard is hier opgesteld om dat gebod het eerst te houden, vers 15. Diegenen worden hier vervloekt, niet alleen die beelden aanbidden, maar die ze maken of ze houden als het dezulken (of dergelijken zijn, als welke afgodendienaars gebruiken in de dienst van hun goden, hetzij een gesneden beeld of een gegoten beeld, het komt alles op hetzelfde neer het is een gruwel des Heeren, al wordt het ook niet opgericht in het openbaar, maar slechts in een verborgen plaats, al wordt het ook niet werkelijk aangebeden noch gezegd bestemd te zijn om aangebeden te worden, maar slechts bewaard met eerbied, en een voortdurende verzoeking. Hij, die dit doet, kan misschien aan de straf van mensen ontkomen, maar aan de vloek Gods kan hij niet ontkomen.
2. Tegen het vijfde gebod, vers 16. Het minachten van ouders is een zonde zo snood dat zij onmiddellijk na het minachten van Go zelf gesteld wordt. Als iemand zijn ouders mishandelde, hetzij in woord of daad, dan viel hij onder het oordeel van de magistraat, en moest gedood worden, Exodus 21:15, 17. Maar hen te verachten in zijn hart, dat was iets, dat niet ter kennis kwam van de magistraat, en daarom wordt het hier onder de vloek Gods gelegd, die het hart kent. Het zijn gevloekte kinderen, die zich minachtend en beledigend gedragen jegens hun ouders.
3. Tegen het achtste gebod. De vloek Gods is hier gelegd:
a. Op een onrechtvaardige nabuur, die de landpalen van zijn naaste verplaatst, vers 17, zie Hoofdstuk 19:14.
b. Op een onrechtvaardige raadsman, die, als zijn raad gevraagd wordt, zijn vriend boosaardig leidt tot hetgeen hij weet tot diens nadeel te zullen zijn en dat is: een blinde op de weg te doen dolen onder voorgeven van hem op de goede weg te leiden, niets kan meer wreed en verraderIijk zijn dan dat, vers 18. Zij, die anderen verleiden om van de weg van Gods geboden af te wijken, en hen tot zonde verlokken, brengen die vloek over zichzelf, die onze Heiland heeft aangekondigd, Mattheus 15:14. Indien nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beide in de gracht vallen.
c. Op een onrechtvaardige rechter, die het recht buigt van de vreemdeling, van de wees en van de weduwe die hij behoorde te beschermen en te ondersteunen, vers 19. Dezen worden verondersteld arm te zijn en geen vrienden te hebben, (men kan er immers niets bij winnen om hun een vriendelijkheid te bewijzen, en er niets bij verliezen door hun een ondienst te doen) en daarom zijn rechters in verzoeking, om tegen alle recht en billijkheid in het met hun tegenstanders te houden, maar vervloekt zijn zulke rechters.
4. Tegen het zevende gebod. Bloedschande is een gevloekte zonde, met een zuster, eens vaders vrouw of een schoonmoeder, vers 20-22, 23. Deze misdaden stelden de mensen niet alleen bloot aan het zwaard van de magistraat, Leviticus 20:11, maar, hetgeen nog ontzettender is, aan de toorn Gods, evenzo ook beestachtigheid, vers 21.
5. Tegen het zesde gebod. Twee van de ergste soorten van moord worden hiergespecificeerd.
a. Sluipmoord: als een man zijn naaste aanvalt, niet als een openlijk tegenstander, hem de gelegenheid gevende om zich te verdedigen, maar hem in het verborgen verslaat, vers 24, zoals door vergif of anderszins, zodat hij niet ziet wie hem kwaad doet. Zie Psalm 10:8, 9. Hoewel zulke verborgen moorden onontdekt en ongestraft kunnen blijven, zal toch de vloek Gods ze achtervolgen.
b. Moord onder schijn van wet, die van alle anderen de grootste belediging van God is, want hierdoor wordt een van Zijn inzettingen gebruikt om de ergste schurken te beschermen, en het grootste onrecht aan onze naaste want het vernietigt zijn eer zowel als zijn ieven, vervloekt dus zij hij, die zich laat huren of omkopen hetzij om te beschuldigen, of om te veroordelen, en aldus een onschuldige verslaat, vers 25. Zie Psalm 15:5.
6. De plechtigheid besluit met een algemenen vloek over hem, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, of, zoals de zin ook gelezen kan worden: die de woorden van deze wet niet nakomt om ze te doen, vers 26. Door onze gehoorzaamheid aan de wet zetten wij er ons zegel op, en aldus bevestigen wij haar, gelijk wij door onze ongehoorzaamheid doen wat wij kunnen om haar te verbreken, Psalm 119:126. De apostel, alle oude overzettingen volgende, geeft de lezing: Vervloekt is een ieder die niet blijft, enz. Galaten 3:10. Opdat zij, die schuldig waren aan andere zonden dan die in deze bedreiging genoemd zijn, zich niet vrij zouden wanen van de vloek, worden door dit laatste vers allen ingesloten, niet alleen zij, die het kwaad doen, dat de wet verbiedt, maar ook zij die het goede nalaten, dat de wet eist worden er in begrepen. Hierop moeten wil allen Amen zeggen, ons erkennende onder de vloek te zijn, dit rechtvaardig verdiend te hebben, en dat wij er gewis voor eeuwig onder hadden moeten omkomen, indien Christus ons niet verlost had van de vloek van de wet, een vloek voor ons geworden zijnde.