Hooglied 6:1-3
1. Hier is de vraag van de dochters van Jeruzalem betreffende Christus, vers 1. Zij blijven nog bij haar hoge gedachten omtrent de kerk, en evenals tevoren, noemen zij haar de schoonste onder de vrouwen, want ware heiligheid is ware schoonheid. En nu hebben zij hogere gedachten nopens Christus: Waar is uw liefste heengegaan? Waarheen heeft uw liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken? Dit zou een onbetamelijk compliment zijn, indien het lied niet geestelijk opgevat moest worden, want liefde is naijverig op een mededinger zou de liefste willen monopoliseren, en is er niet op gesteld dat anderen zich bij haar voegen om Hem te zoeken. Maar zij, die Christus waarlijk liefhebben, zijn zeer begerig dat ook anderen Hem zullen liefhebben en met Hem verenigd zullen zijn, ja het grootste bewijs van gehoorzaamheid en achting, die de kinderen van de kerk aan hun moeder kunnen geven is zich met haar te verenigen om Christus te zoeken.
De dochters van Jeruzalem, die gevraagd hadden, Hoofdstuk 5:9, Wat is uw liefste meer dan een ander liefste? zich er over verwonderende dat de bruid zo'n vurige liefde voor Hem koestert, zijn nu van een andere mening, hebben Hem nu zelf lief, want:
I. De bruid had een beschrijving van Hem gegeven, Hem doen zien in Zijn voortreffelijkheid en Zijn volmaaktheden en daarom, hoewel zij Hem niet gezien hebben, hebben zij Hem toch lief. Zij, die Christus onderschatten doen dit omdat zij Hem niet kennen, als God door Zijn Woord en Geest Hem aan de ziel ontdekt, dan zal met die straal van licht het vuur van de liefde voor Hem ontstoken worden.
2. Zij had uitdrukking gegeven aan haar eigen liefde voor Hem, haar rust in die liefde, en had er in gejuicht: Dit is mijn liefste, en die vlam in haar eigen borst strooide vonken uit in de hare. Gelijk zondige lusten, als zij uitbreken, velen verontreinigen, zo zal de vrome ijver van sommigen er velen verwekken, 2 Corinthiers 9:2.
De bruid had haar verzocht om hulp bij het zoeken van haar liefste, Hoofdstuk 5:8, maar nu bidden zij haar om de hare, want zij bemerken dat de wolk, waaronder zij was, zich begon te verdelen, en dat de lucht helder werd, terwijl zij haar liefste voor haar beschreef. Kwijnende, zuchtende christenen zouden goeds winnen voor zichzelf door van Christus te spreken, zowel als er goed mee doen aan anderen. Hier nu:
a. Vragen zij naar Hem: Waar is uw liefste heengegaan? Waarheen moeten wij onze schreden richten om Hem te zoeken? Zij, die bekend zijn gemaakt met de uitnemendheid van Christus en met het troostrijke van deel aan Hem te hebben, kunnen niet anders dan weetgierig omtrent Hem zijn, begerig zijn om te weten waar zij Hem kunnen ontmoeten.
b. Zij bieden de bruid haar diensten aan, om haar te vergezellen bij haar zoeken naar Hem, wij zullen Hem met u zoeken. Zij, die Christus willen vinden, moeten Hem zoeken, Hem vroeg zoeken, Hem naarstig en ijverig zoeken, en het is het beste zoeken van Christus in overeenstemming met anderen, ons met hen te verenigen, die Hem zoeken. Wij moeten gemeenschap met Christus zoeken in gemeenschap met de heiligen. Wij weten waar onze liefste is heengegaan, Hij is naar de hemel gegaan, naar Zijn Vader en onze Vader, Hij droeg zorg om ons dit te berichten, opdat wij zouden weten waar ons tot Hem te wenden Johannes 20:17. Wij moeten door het geloof Hem daar zien, en door het gebed Hem daar zoeken met vrijmoedigheid ingaan tot het heiligdom, en hierin moeten wij ons verenigen met het geslacht van degenen, die naar Hem vragen, Psalm 24:6, namelijk met allen, die in alle plaatsen Hem aanroepen, 1 Corinthiers 1:2. Wij moeten met en voor anderen bidden.
II. Het antwoord van de bruid op deze vraag vers 2, 3. Nu klaagt zij niet meer, zoals vroeger: Hij is geweken, Hij is doorgegaan, Hoofdstuk 5:6, dat zij niet wist waar Hem te vinden, of vreesde Hem voor altijd verloren te hebben, neen,
1. Nu weet zij zeer goed waar Hij is, vers 2. Mijn liefste is niet te vinden in de straten van de stad, in de menigte en het gedruis, die daar zijn, daar heb ik tevergeefs naar Hem uitgezien," (zoals Zijn ouders Hem zochten onder de familieleden en bekenden, en Hem niet vonden) maar Hij is afgegaan in Zijn hof, een plaats van eenzaamheid en afzondering. Hoe meer wij ons terugtrekken uit het gewoel van de wereld, hoe meer waarschijnlijk het is dat wij bekend zullen worden met Christus, die Zijn discipelen meenam naar een hof, om er getuigen te zijn van de doodstrijd van Zijn liefde. Christus kerk is een besloten hof, een afgezonderd van het openbare deel van de wereld, het is Zijn hof, die Hij geplant heeft, zoals Hij de hof van Eden geplant heeft, die Hij verzorgt en waarin Hij zich verlustigt hoewel Hij opgegaan is naar het paradijs hierboven, gaat Hij toch af naar Zijn hof op aarde, hij ligt laag, maar Hij verwaardigt zich om hem te bezoeken, en groot is deze Zijn neerbuigendheid. Wil God waarlijk onder de mensen wonen op de aarde? Zij, die Christus willen vinden, kunnen verwachten Hem te zullen ontmoeten in Zijn hof de kerk, want daar sticht Hij Zijns Naams gedachtenis, Exodus 20:24. Zij moeten Hem opwachten in de inzettingen, die Hij ingesteld heeft, het Woord, de sacramenten, het gebed, waarin Hij met ons zal zijn al de dagen, tot aan het einde van de wereld. De bruid verwijst hier naar hetgeen Christus gezegd heeft, Hoofdstuk 5:1 :Ik ben in Mijn hof gekomen, het is alsof zij had gezegd: "Hoe dwaas was ik om mij af te tobben met Hem te zoeken waar Hij niet was, daar Hij zelf mij toch gezegd heeft waar Hij was." Woorden van bestuur en vertroosting zijn dikwijls ver te zoeken, juist als wij ze nodig hebben, totdat de gezegende Geest ze ons in de gedachten brengt, en dan staan wij er over verbaasd hoe wij ze voorbij konden zien. Christus heeft ons gezegd dat Hij in Zijn hof zal komen, daar hebben wij Hem dus te zoeken.
De perken en kleinere hoven in deze grote hof, zijn de afzonderlijke kerken de vergaderplaatsen Gods in het land, Psalm 74:8, de specerijen en lelies zijn particuliere gelovigen, de planting des Heeren en lieflijk in Zijn ogen. Als Christus afkomt in Zijn kerk, dan is het:
a. Om te weiden onder de hoven, de kudde te voeden, die Hij niet zoals andere herders weidt in het open veld, maar in Zijn hof, zo uitnemend zijn zij verzorgd, Psalm 23:2. Hij komt om Zijn vrienden te voeden en te onthalen, daar kunt gij Hem niet slechts vinden maar ook Zijn rijk voorziene tafel en een hartelijk welkom er aan. Hij komt om zichzelf te weiden, om zich te verlustigen in de voortbrengselen van Zijn eigen genade in Zijn volk, want de Heer heeft een welbehagen in degenen die Hem vrezen. Hij heeft vele hoven, vele particuliere kerken van verschillende grootte en vorm, doch daar zij de Zijnen zijn, weidt Hij in allen. Hij openbaart zich onder haar en heeft een welbehagen in haar.
b. Om lelies te verzamelen, waarmee het Hem behaagt zich te versieren, Hij plukt de lelies, één voor één en verzamelt ze voor zich, en op de grote dag zal er een algemene oogst van zijn, als Hij zijn engelen zal uitzenden om al Zijn lelies te vergaderen, opdat Hij tot in eeuwigheid in hen verheerlijkt en bewonderd zal worden. 2. Zij is zeker van haar deel in Hem, vers 3, Ik ben van mijn liefste, en mijn liefste is van mij, de betrekking is wederzijds, en de knoop is gelegd, die niet losgemaakt kan worden, want Hij weidt onder de lelies, en mijn gemeenschap met Hem is een stellig teken van mijn deel in Hem. Zij had dit tevoren gezegd, Hoofdstuk 2:16. maar:
a. Hier herhaalt zij het, als hetgeen waarbij Hij wilde blijven, en waarin zij een onuitsprekelijke voldoening vond, zij beminde haar keus te zeer om te willen veranderen. Onze gemeenschap met God wordt onderhouden door dikwijls ons verbond met Hem te vernieuwen en er ons in te verblijden.
b. Zij had nodig om het te herhalen, want zij had onvriendelijk gehandeld jegens haar geliefde, en omdat zij dit gedaan had, had Hij zich van haar teruggetrokken, en daarop was het nodig om opnieuw het verbond aan te grijpen, dat vast blijft tussen Christus en de gelovigen, in weerwil van hun tekortkomingen en van Zijn misnoegde blikken, Psalm 89:31-36. "ik ben achteloos geweest in mijn plicht en ben erin tekort gekomen, maar toch ben ik van mijn liefste," want iedere overtreding van het verbond werpt ons niet buiten het verbond. "Hij heeft rechtvaardig Zijn aangezicht voor mij verborgen, en mij Zijn vertroostingen onthouden, en toch ben ik van mijn liefste, " want bestraffingen en kastijdingen zijn niet alleen bestaanbaar met, maar vloeien voort uit verbondsliefde.
c. Als wij de volle verzekerdheid willen hebben van Christus' liefde dan moeten wij leven in trouwe aanhankelijkheid aan Hem, Hoewel ik, de merkbare vertroosting niet heb, die ik placht te hebben, zal ik toch hieraan vasthouden. "Christus is de mijne en ik ben de Zijne."
d. Zij had tevoren wel hetzelfde gezegd, maar nu keert zij de orde om, en spreekt eerst met verzekerdheid van Zijn deel in haar: ik ben van mijn liefste, geheel en al aan Hem toegewijd, en dan haar deel in Hem en in Zijn genade, "Mij liefste is van mij, en ik ben gelukkig, waarlijk gelukkig in Hem." Als ons eigen hart slechts voor ons kan getuigen dat wij de Zijnen zijn, dan is er geen plaats meer over om te twijfelen dat Hij de onze is, want nooit wordt van Zijn zijde het verbond gebroken.
e. Evenals toen, is het ook nu haar troost, dat Hij weidt onder de lelies, dat Hij zich verlustigt in Zijn volk, en vrijelijk met hen spreekt, zoals wij spreken met hen, met wie wij aanzitten aan tafel, en daarom, hoewel Hij zich voor het ogenblik teruggetrokken heeft zal ik Hem toch weer ontmoeten, ik zal Hem nog loven, die de menigvuldige verlossing is van mijn aangezicht, en mijn God.