Exodus 23:1-9
Hier zijn:
I. Waarschuwingen betreffende rechterlijke handelingen. Het was niet genoeg dat zij goede wetten hadden, betere dan ooit een volk gehad heeft, er moet ook zorg worden gedragen voor de behoorlijke rechtsbedeling in overeenstemming met deze wetten.
1. De getuigen worden hier gewaarschuwd om noch een onschuldige te doen vervolgen door een vals gerucht van hem te verspreiden en de algemene mening tegen hem in te nemen, noch behulpzaam te zijn in de vervolging van een onschuldige of van iemand, van wie men niet weet dat hij schuldig is, door hun hand te stellen bij de goddeloze tot het afleggen van een eed, als getuige tegen hem, vers 1. Valse getuigenis tegen iemand af te leggen in een zaak, waarbij zijn leven gemoeid is, daarin is al de schuld gelegen van liegen, meinedigheid, kwaadwilligheid, diefstal, moord, nog vermeerderd met de schandvlek van aan dit alles de schijn te geven van rechtvaardigheid, en van vele anderen mee in die schuld te betrekken. Er is nauwelijks een boze daad, waaraan iemand bij mogelijkheid schuldig kan zijn, waarin een grotere samenknoping van ongerechtigheid gelegen is dan hierin. Maar het eerste gedeelte van deze waarschuwing strekt zich ook uit tot gewone gesprekken, en niet alleen tot gerechtelijke handelingen, zodat lasteren en kwaadspreken een soort van valse getuigenis afleggen is. Iemands goede naam is evenzeer overgeleverd aan de genade van elk gezelschap, als zijn leven aan de genade van rechter en gezworenen, zodat hij, die willens en wetens een vals gerucht verspreidt tegen zijn naaste, inzonderheid indien dit gerucht tot wijze en Godvruchtige mensen komt, op wier achting men grote prijs stelt, evenzeer zondigt tegen de wetten van waarheid, gerechtigheid en barmhartigheid, als iemand die een valse getuigenis aflegt-nog vermeerderd met dit kwaad, dat hij het niet in de macht laat van de benadeelde persoon om zich recht te verschaffen. En het opnemen of aannemen van een vals gerucht is even slecht als het verspreiden er van, het lasteren en kwaadspreken zou niet zoveel onheil teweegbrengen als het teweegbrengt, indien het niet aangemoedigd werd. Soms kunnen wij het niet vermijden om een vals gerucht te horen, maar wij moeten het niet opnemen, dat is: wij moeten het niet horen met genoegen, zoals degenen, die zich verblijden in de ongerechtigheid, en zolang er nog enige reden is om aan de waarheid er van te twijfelen, moeten wij er geen geloof aan slaan. Dat is liefde voor de goede naam van onze naaste, dat is doen aan hem, zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden.
2. Wij hebben hier een waarschuwing aan de rechters om het recht niet te verkeren.
a. Zij moeten zich door geen macht of menigte er toe laten leiden tegen hun geweten vonnis te vellen, vers 2. Onder de Joden werden rechtszaken onderzocht door een rechtbank of hof van justitie, en het oordeel naar meerderheid van stemmen uitgesproken, waarbij dan iedere rechter handelt naar de waarheid zoals zij hem na een strikt en onpartijdig onderzoek voorkomt te zijn, al zou ook het geschreeuw van de menigte, of de uitspraak van de "Rabbim" (een woord, dat wij vertalen door "menigte") de oudsten en meest eerbaren onder de rechters daaraan tegenovergesteld zijn. Daarom moest bij de Joden (evenals bij ons) de jongste van de rechters het eerst zijn stem uitbrengen, opdat het gezag van de oudste daarbij geen invloed op hem zal uitoefenen. Rechters moeten geen aanzien des persoons hebben, geen aanzien hebben van de persoon noch van de partijen, noch van hun mederechters. Het eerste gedeelte van dit vers geeft ook een algemene regel voor alle mensen, zowel als voor de rechters, namelijk de menigte niet te volgen tot boze zaken. Het algemene gebruik zal nooit een verontschuldiging zijn voor kwade praktijken, de brede weg is er nooit veiliger of beter om, omdat velen daarop gaan. Wij moeten vragen wat wij behoren te doen, niet wat de meerderheid doet, want wij moeten geoordeeld worden door onze Meester, niet door onze mededienstknechten, en wij betonen de mensen al te veel beleefdheid, als wij ter wille van hun gezelschap de brede weg met hen bewandelen, die ten verderve leidt.
b. Zij moeten het recht niet buigen, neen, ook niet ten gunste van de arme vers 3. In alle gevallen moet recht gedaan en onrecht gestraft worden, uit liefde of medelijden mag het recht niet verkort en het onrecht niet voorbijgezien worden. Als een arme slecht is en een slechte daad doet, dan is het een dwaas medelijden, om hem er beter om te doen varen vanwege zijn armoede, Deuteronomium 1:16-17
c. Evenmin moeten zij het recht verkeren ten nadele van een arme, of toelaten dat hem onrecht gedaan wordt, omdat hij niet bij machte is zich recht te verschaffen. In zulke gevallen moeten de rechters zelf advocaten worden voor de armen, inzover hun zaak eerlijk en goed is, vers 6 :"Gij zult het recht uws armen niet buigen, gedenkt dat zij uw armen zijn, been van uw been, uw arme naasten, uw arme broeders, laat hen er dus niet te slechter om varen, dat zij arm zijn."
d Zij moeten terugschrikken voor de gedachte van behulpzaam te zijn in een slechte zaak, vers 7. "Weest verre van valse zaken, houd er u niet slechts vrij van, noch acht het voldoende om te zeggen dat gij er geen belang bij hebt, er niet mee hebt te maken, maar houd u er ver van, vrees het als een gevaarlijke strik. Gij zoudt voor niets ter wereld de onschuldigen en rechtvaardigen met uw eigen handen willen doden, houdt u dan verre van een valse zaak want gij weet niet of zij hier niet in eindigen zal, en de rechtvaardige God zal zodanige boosheid niet ongestraft laten, Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen," dat is: "Ik zal hem veroordelen, die anderen onrechtvaardig veroordeelt." De rechters zelf zijn aan de groten Rechter verantwoordelijk.
e. Zij moeten geen steekpenningen aannemen, vers 8. Niet slechts moeten zij door geen geschenk bewogen worden om een onrechtvaardig oordeel uit te spreken, of de schuldige vrij te spreken of iemands recht af te wijzen, maar zij moeten niet eens een geschenk aannemen, opdat het geen kwade invloed op hen uitoefene, of hen zou verlokken om-al bedoelen zij dit ook niet-tegen hun geweten te handelen, want het geschenk heeft een verwonderlijke strekking om hen, die anders het goede bedoelen, blind te maken voor het kwade.
f. Zij moeten geen vreemdeling verdrukken, vers 9. Hoewel de vreemdelingen geen land onder hen mochten beërven, moet hun toch recht gedaan worden het hunne in vrede door hen genoten kunnen worden, en zo hun onrecht geschiedt moet hun recht gedaan worden, al zijn zij ook vervreemd van het burgerschap Israëls. Het is een voorbeeld van de billijkheid van onze wet dat als een vreemdeling voor het gerecht komt wegens enigerlei misdaad, behalve verraad, de ene helft van de gezworenen vreemdelingen zullen zijn, zo hij dit verlangt. Zij noemen dit een verhoor "per medietatem lingae," een vriendelijke voorziening van te beletten, dat vreemdelingen verdrukt worden. De reden, welke hier er voor gegeven wordt, is dezelfde als in Hoofdstuk 22:21. Gij zijt vreemdelingen geweest, hier nog op uitnemende wijze versterkt door het argument: gijlieden kent het gemoed des vreemdelings, gij weet iets van de smart en de angsten eens vreemdelings, en wel door droeve ervaring en daarom kunt gij, verlost zijnde, zoveel gemakkelijker uw ziel in de plaats van zijn ziel stellen. II. Geboden betreffende vriendelijkheid jegens onze naasten. Wij moeten bereid zijn om, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt, aan een ieder alle goede diensten te bewijzen, je zelfs aan hen, die ons kwaad hebben gedaan, vers 4, 5. Het gebod om onze vijanden lief te hebben en wel te doen aan degenen, die ons haten is niet alleen een nieuw, maar een oud gebod Spreuken 25:21, 22. Leid hieruit af, dat:
1. Zo wij deze vriendelijkheid moeten bewijzen aan een vijand, wij haar nog veel eerder moeten bewijzen aan een vriend, al is het ook dat hier alleen een vijand genoemd wordt, omdat van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat men voor niemand onvriendelijk zal zijn, dan voor de zodanigen tegen wie men een bijzondere wrok koestert.
2. Zo het verkeerd is het verlies of de schade niet te voorkomen van een vijand, het nog veel erger is, om hem schade of verlies te veroorzaken aan hemzelf of aan zijn bezittingen.
3. Zo wij het verdwaalde vee van onze naaste moeten terugbrengen, wij ons nog veel meer moeten beijveren, om door zachte vermaningen en verstandige raadgevingen onze naasten zelf terug te brengen, als zij naar een zondige weg zijn afgedwaald, zie Jakobus 5:19, 20. En zo wij moeten trachten een gevallen ezel op te richten, dan moeten wij nog veel meer door vertroosting en bemoediging een terneer gebogen hart zien op te richten, zeggende de onbedachtzamen van hart: Weest sterk. Wij moeten het welzijn van anderen bevorderen zoals ons eigen welzijn, Filippenzen 2:4. "Wanneer gij zegt: Zie wij weten dat niet, zal Hij, die de harten weegt, dat niet merken, en die uw ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten?" Zie Spreuken 24:11, 12.