7. a)Kwam tot Hem een vrouw 3), dezelfde Maria, die 24 weken daarvoor aan Zijn voeten zat en Zijn rede had aangehoord (
Lukas 10:38, ) en Hem nu voor het wonder, dat Hij voor anderhalve maand aan haar broer verricht had, de opwekking uit de dood (
Johannes 11:1, ), een dankoffer wilde brengen. Zij kwam en had een albasten fles met zeer kostelijke narduszalf en goot ze, na van het flesje de hals te hebben afgebroken, uit op Zijn hoofd, omdat Hij nog aan tafel zat, of liever lag 26:20"); daarna zalfde zij ook Zijn voeten. a)
Lukas 7:37.
Johannes 11:2.
1) In Johannes 12:1, staat: "zes dagen vóór het paasfeest kwam Jezus te Bethanië. . . zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal. " De termijn, waarvan hier teruggerekend wordt om de dag van de aankomst van Jezus nader te bepalen, is donderdag, de zesde april, op welks avond elk jaar het paasfeest zijn aanvang nam 26:2); van deze tijd 6 dagen teruggerekend komen wij op vrijdag 31 maart en dat komt daarmee overeen, dat de Evangelist blijkbaar een tijdruimte van een dag minder dan een week (Mattheus 17:1. Markus 9:2) heeft willen aanduiden. Had de Heere nu, zoals wij uit Lukas 19:1, weten, de nacht tevoren in Jericho bij Zachéüs doorgebracht, dan kon Hij zeer goed nog in de loop van de voormiddag te Bethanië komen; dan zou er ook nog tijd genoeg zijn om Hem vóór het avonduur van de dag, waarmee de Sabbat reeds begon, een feestmaal te bereiden; om het maal zelf tegen de avond te houden, hinderde de Sabbat niet, integendeel wordt de Sabbat nog nu door de Joden met voorliefde tot gastmalen gebruikt. Deze nemen daardoor een feestelijk karakter aan en hier wordt van een eigenlijk feestmaal gesproken; het was om de opwekking van Lazarus te vieren.
2) Wat het familiehuis te Bethanië aangaat, zo komt het hier en in Markus 14:8 voor, als huis van "Simon de melaatse" en in Lukas 10:38 en Johannes 12:2 wordt het als het huis van Martha aangeduid, waarin deze als huisvrouw gebied voert en de tafel verzorgt; daaruit blijkt als vanzelf, dat Martha de echtgenoot van Simon was, of liever, omdat van hem behalve zijn naam, alleen zijn bijnaam aangevoerd wordt en hij gewoonlijk genoemd wordt als iemand, die niet meer onder de levenden is, zijn achtergelaten weduwe. Verder blijkt zowel uit Lukas 10:38, als uit onze geschiedenis, dat Maria bij haar zuster in haar huis leefde, terwijl daarentegen uit Johannes 12:2 Lazarus slechts een van de genode gasten is, duidelijk blijkt dat deze zijn eigen huishouden had. Als wij nu een gissing durven wagen over de verdere verhouding van deze familie, zo is het deze. Dadelijk bij Zijn eerste optreden in Jeruzalem op het paasfeest van het jaar 27 na Christus (Johannes 2:18, ) vond Jezus in Lazarus en zijn zusters harten die zich in het geloof tot Hem wendden (nochtans van andere aard dan die, waaraan in Johannes 2:23,gedacht wordt) en het huis te Bethanië opende zich reeds in die tijd voor Hem tot een herberg, zolang Hij nog in Judea vertoefde (Johannes 3). Toen leefde Simon, de echtgenoot van Martha, nog en werd door Jezus van zijn melaatsheid, waardoor hij de bovengenoemde bijnaam voerde, gereinigd - dit wonder behoort zeker ook tot diegenen, waarop Nikodemus in Johannes 3:2 doelt. Ja, misschien is Bethanië zelf wel de plaats, waar Nikodemus de Heere `s nachts opzocht en deze had dus een levendig bewijs voor de waarheid van hetgeen hij zei op die plaats en bij die gelegenheid. Wij twijfelen er niet aan, dat de Heiland ook op het paasfeest van het jaar 28, dat Hij slechts in het geheim bezocht, zowel als op het pinksterfeest van hetzelfde jaar (Johannes 5. 1, ) te Bethanië Zijn intrek nam en de banden van de vriendschap nog vaster knoopte. Waardoor kwam het anders, dat de zusters in Johannes 11:3 Hem van de broeder konden laten zeggen: "Heere, zie die u liefheeft, is ziek?" Er volgde namelijk op dit pinksterfeest een tijd van 1 jaar en 4 maanden, gedurende welke Jezus niet weer naar Jeruzalem kwam, maar Zijn verblijf in Galilea hield; en als de Heere dan op het Loofhuttenfeest van het jaar 29 na Christus Zich in de heilige stad bevindt en op de weg daarheen te Bethanië ingaat (Lukas 10:38, ), wordt er met geen syllabe aan Lazarus gedacht, omdat hij niet thuis, maar tot de viering van het feest in het heiligdom aanwezig was. Er wordt echter ook niet aan Simon gedacht; veeleer schijnt het huis van Martha zonder heer des huizes te zijn; deze is dus gedurende die 1 1/3 jaar gestorven en Martha in het bezit van zijn huis gekomen. Weer gingen sinds dit bezoek in oktober 29 omstreeks 4 maanden voorbij; daar vertoonde zich een nieuwe ramp in Bethanië: Lazarus werd dodelijk ziek. De zusters nemen voor de zo innig geliefden broer, omdat deze, zoals het schijnt, wel een eigen huishouden, maar geen eigen familie bezat, zoals zij ook geen andere mannelijke steun meer hadden, hun toevlucht tot de Heere en Hij hielp boven bidden en denken, terwijl Hij Lazarus weer opwekte, nadat hij reeds 4 dagen in het graf gelegen had. De ervaring, die de vrome en diepdenkende Maria daar in haar geloofsleven heeft, is van de diepste aard geweest, zo diep als mensen daartoe geschikt zijn; en wij zullen er ons op toeleggen, op de daarop betrekking hebbende plaats deze ervaring nader te verklaren, om daarna ook het liefdewerk, dat Maria aan Jezus verricht, nader te leren kennen.
3) In de Roomse Kerk heeft zich de overlevering gevestigd, dat 1) de grote zondares, die in het huis van de Farizeeër Simon verschijnt en de voeten van Jezus met haar tranen nat maakt (Lukas 7:36, ), een en dezelfde persoon is met Maria Magdalena, uit wie de Heere zeven duivels uitgedreven had en die naderhand tot de vrouwen behoorde, die Hem verzorgden met haar goederen (Lukas 8:1, Markus 15. 40, ) en dat 2) de vrouw in onze geschiedenis, die in Johannes 12:1, duidelijk blijkt Maria, de zuster van Lazarus te zijn, juist die Maria Magdalena, de grote zondares is. Daarom staat in een hymne van deze Kerk: Maria, soror Lazari, quae tot commisit crimina, ab ipsa fauce tartari redit ad vitae lumina (Maria, de zuster van Lazarus, die zoveel kwaad gedaan heeft, keert van de afgrond van de hel zelf tot de poort van het leven terug). De weerlegging, die Jacob Faber (naar zijn geboorteplaats, Etaples in Picardië, Stapulensis bijgenaamd) tegen zo'n opvatting deed, kwam in het jaar 1521. Plechtig als ketterij veroordeeld en nog tot op de huidige dag vindt die met inspanning van alle krachten door de Katholieke Theologen verdedigde mening, ook bij de Evangelische Schriftuitleggers, zowel in haar eerste als in haar tweede gedeelte, ondersteuning. Wat echter het tweede gedeelte aangaat, is dat reeds een onverklaarbare gedachteloosheid, om de Farizeeër Simon in Galilea met Simon de melaatse in Bethanië, daarom voor een en denzelfde persoon te houden, omdat beide de naam van Simon dragen. Nog groter wordt het misverstand daardoor, dat men in het geheel niet bedacht heeft dat er in Lukas 7:36, van een persoon sprake is, die de gastheer geheel vreemd is en als slecht bij hem bekend staat, terwijl hier sprake is van een vrouw, die op generlei manier als een vroeger lichtzinnige persoon gekenschetst wordt en die tot het huis, waarin zij Jezus zalft, in onmiddellijke betrekking staat. Wanneer nu zelfs vele Roomse theologen van de nieuwere tijd deze vermenging van twee geheel verschillende personen opgegeven hebben, zo staat daarentegen de vermenging van de grote zondares met Maria Magdalena tot een en dezelfde persoon, ook bij Evangelische vaak zo vast, dat gestichten tot redding van gevallene meisjes zich onbedacht met de naam van Maria Magdalena sieren, alsof het een uitgemaakte zaak was dat deze die grote zondares geweest is. Om de belangrijke rol echter, die de Fransman Renan van de vrouwen in het leven van Jezus toegedeeld heeft, omdat hij de kleuren, waarmee hij schildert, aan het gezelschap ontleent, waarin hij zich beweegt en waarvoor hij schrijft, zouden wij vreesachtig worden voor deze opvatting en een terechtwijzing van de Kerk van de kant van Jezus daarin zien, wanneer Hij het toegelaten heeft, dat zo'n voorstelling van Zijn levensgeschiedenis heeft mogen verschijnen. Hij kan wel een tollenaar onder het getal van Zijn apostelen opnemen (Hoofdstuk 9:9, ), maar voor een vrouw met zo'n verleden, evenals dat van de grote zondares, was geen plaats onder de dienende vrouwen, evenmin als men nu een meisje van deze soort, al was haar bekering ook nog zo krachtdadig en beslissend geweest, tot het ambt van een diakones bestemmen, of tot vrouw van een geestelijke toelaten zou.
4) Van de Narduszalf weten wij, dat zij als de kostelijkste geur in de gehele oudheid beroemd en hooggeschat was; zij werd gewonnen uit het onmiddellijk boven de wortel zich verheffende harige gedeelte van de stengel van een plant, die in het noordelijke en oostelijke Indië, ook wel in Zuid Arabië, op hoogten en vlakten groeit, die tot het geslacht van de Valeriaan behoort, in het systeem met haar Bengaalse naam Valeriene Jatamansi heet en welks bladeren reeds een aangenamen geur verspreiden. Zij kwam in de handel van het westen, ook naar Palestina, door de Feniciërs (vgl. Arrian, Alex. VI, 22, 8). Na de Indische was in het bijzonder de Syrische nardus hoog geschat. Deze werd namelijk in Tarsus (Hand. 9:11) uit oliën van meerdere, gedeeltelijk eveneens tot de Valerianae behorende aromatische planten bereid. Men deed ze in kleine albasten flesjes en zo'n flesje kwam, wanneer het onvervalste nardus (Markus 14:3) bevatte, op 300 denariën (LUTHER: "groschen" Johannes 12:5. Markus 14:5. en Exodus 30:13) = f. 135, =naar (een andere berekening ruim f. 117, =) te staan. Zoals het schijnt, had men zich in het huis te Bethanië deze kostbare zalf bij de dood van Lazarus aangeschaft (Johannes 11:11, ), om het dierbare lijk daarmee te zalven; maar men gebruikte ze toen toch niet - men hoopte en hoopte, ofschoon men niet recht wist, waarop, omdat er naar de uiterlijke omstandigheden niets meer te hopen was (Romeinen 4:18) - en nu heden het feest tot de viering van de opwekking van Lazarus gehouden wordt, haalt Maria het flesje; maar in plaats van de sluiting te openen en de kostbare olie met droppels te laten uitvloeien, verbreekt zij de flacon en giet ineens de gehele inhoud op het hoofd van Jezus. Terwijl Hij, op de linker arm geleund, op een kussen aan de tafel ligt, treedt zij van achter naar Hem toe en zalft daarna, de olie, die van Zijn hoofd afdruipt, met de handen opvangend, ook Zijn voeten. Volgens de inzetting van de rabbijnen is een oliefles, waarvan de hals afgebroken is en omdat zij tot geen ander gebruik meer kan dienen, rein; beide heeft voor de zalving hier zijn betekenis. Mattheüs vestigt de aandacht van de lezer hoofdzakelijk daarop, dat de vrouw het hoofd van Jezus zalfde; hij schreef toch voornamelijk voor de Joden; hun wil hij dus voorhouden, welke zalving de Profeet, Koning en Hogepriester Israëls ten dele geworden is en doet in de handeling de hand van God erkennen, die, zoals Hij Elia en Eliza door een vrouw liet verzorgen, zo ook de Heere Jezus door een vrouw de eer en hulde ten deel liet worden, die geheel Israël Hem ontzei. Geen schriftgeleerde heeft dit gezegende hoofd de handen opgelegd en Hem de wijding gegeven, geen hoorn van enige priester heeft met heilige olie dit hoofd waardigheid en heiligheid, geen vorstelijke kroon Hem macht en sieraad gegeven, geen handeling heeft het voor God en mensen tot een openlijk feit gemaakt, dat Jezus de Gezalfde was. Evenals het een vrouw was, een Maria, die Hem ontvangen en gedragen heeft, Hem, die, zolang Hij hier beneden onder Zijn eigen volk was, niemand ontvangen en dragen wilde, zo is het weer een vrouw, een Maria geweest, die het daadzakelijk en openlijk uitgesproken heeft dat Jezus de zalving toekomt, de dankzegging, de eer, de aanbidding. Op deze manier zijn dan de Schriften vervuld, die zeggen (Psalm 23:5; 45:8): "Gij zalft Mijn hoofd met olie" en "daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw medegenoten. " Wanneer Johannes er daarentegen meer bij stilstaat hoe Maria zich met de overige olie aan de voeten van Jezus neerwerpt, ze zalft en naderhand met haar haar afdroogt, zo wil Hij daardoor doen verstaan wat de Doper eens betuigde met de woorden (Johannes 1:27): "wie ik niet waardig ben Zijn schoenriemen te ontbinden. " De belijdenis van het geloof, dat knielen van de liefde, dat Maria aan Jezus bracht, was, dat zij zich niet waardig achtte om de kleinste dienst aan Jezus te bewijzen, dat zij al het gewicht van de gewoonte, van het fatsoen, van de eerbaarheid (want het was bij de Joden voor een vrouw een grote schande, wanneer zij haar haar losmaakte) opzij zette en zich aan Jezus overgaf, evenals eens Abigaïl aan David (1 Samuël 25:41). En zo zal elke ziel, zo zal de gemeente pas dan op de juiste manier Jezus de Christus noemen, wanneer zij elke gedachte van zich afweert, alsof zij Jezus het hoofd had te versieren, te kronen te zalven, alsof zij Hem een dienst zou kunnen bewijzen, of iets voordeel aanbrengen en zich daarom in het gevoel van gehele onwaardigheid aan de voeten van de alleen heerlijke en genadige neerwerpt.