2 Corinthiërs 11:22-33
Hier geeft de apostel een uitvoerige opsomming van al zijn hoedanigheden, arbeid en lijden (niet uit hoogmoed of ijdele eer, maar ter ere van God, die hem instaat gesteld had om zoveel te doen en te lijden voor de zaak van Christus) en waarin hij de valse apostelen overtrof, die zijn karakter en nuttigheid voor de Corinthiërs zochten te verminderen. Merk op:
I. Hij vermeldt de voorrechten van zijn geboorte, vers 22, welke gelijk stonden met alle, waarop de anderen zich beroemen konden. Hij was een Hebreeër uit de Hebreeën, van een geslacht van Joden, dat zich nooit met de heidenen vermengd had. Hij was dus Israëliet, en kon er zich zo goed als zij op beroemen dat hij afstamde van den beminden Jakob, en was alzo van het zaad Abrahams, en geen proseliet. Het schijnt dat de valse apostelen, die de bekeerlingen uit de heidenen zo verontrustten, van Joodsen oorsprong waren.
II. Hij noemt zijn apostelschap, waardoor hij meer was dan een gewoon dienaar van Christus, vers 23. God had hem getrouw geacht en hem in de bediening gesteld. Hij was een nuttig dienaar van Christus onder hen geweest, zij hadden volop bewijzen van zijn bediening.
Zijn zij dienaars van Christus, ik ben boven hen.
III. Voornamelijk legt hij nadruk daarop, dat hij een buitengewoon lijder om Christus' wil was. Daarop beroemde hij zich, of liever: hij roemde in de genade Gods, die hem instaat gesteld had overvloediger te zijn in arbeid, en zeer groot lijden te doorstaan. Hij was in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal, vers 23. Merk op: Wanneer de apostel aantonen wilde dat hij een buitengewoon dienaar was, bewees hij een buitengewoon lijder te zijn. Paulus was de apostel der heidenen, en dat was de reden waarom de Joden hem haatten. Zij deden tegen hem al wat zij konden, en ook van de heidenen onderging hij harde behandeling. Banden en gevangenis waren hem gewoon, nooit was de mee stervende misdadiger meer in handen van het gerecht dan Paulus ter wille van de gerechtigheid. Gevangenis en geseling en alle andere harde behandeling, die op de slechtste mensen toegepast werd, waren voor hem gewoonte geworden. De Joden, wanneer hij in hun handen viel, spaarden hem nooit. Vijf malen viel hij onder hun roeden en ontving veertig slagen min een, vers 24. Veertig slagen was het hoogste getal, dat de wet toeliet, Deuteronomium 25:3, maar het was de gewoonte, teneinde zeker te zijn dat het getal niet overschreden werd, een minder toe te dienen. De enige gunst, die Paulus ooit van de Joden genoten had, was de gewone vrijstelling van den veertigsten slag. De heidenen waren door die beperking niet gebonden, en door hen was hij driemaal met roeden gegeseld, een van die keren zal wel te Filippi geweest zijn, Handelingen 16:22. Eens was hij gestenigd, in een volksoploop, en voor dood opgenomen, Handelingen 14:19. Hij had driemaal schipbreuk geleden, en we mogen hem geloven, ofschoon de Heilige Schrift slechts van eenmaal melding maakt. Een nacht en dag had hij in de diepte doorgebracht, vers 25, in de een of andere onderaardse gevangenis als gevangene opgesloten. Zo was hij voortdurend zijn gehele leven in lijden, waarschijnlijk ging er na zijne bekering nauwelijks een jaar voorbij, waarin niet een of ander zwaar lijden om des geloofs wil hem overkwam. Maar dat was niet alles, overal waar hij heenging, was hij in gevaar, hij was blootgesteld aan gevaren van allerlei aard. Hetzij hij over land of over zee reisde, hij was in de gevaren van rovers en vijanden, de Joden, zijn eigen landgenoten, zochten hem te doden of te mishandelen, de heidenen, tot welken hij gezonden werd, waren niet vriendelijker voor hem, ook onder hen dreigden hem allerlei gevaren. Hij was in gevaren niet enkel van erkende vijanden, maar ook onder hen, die zich broederen noemden, waren valse broederen, vers 26. Buiten dit alles had hij grote zorg en moeite in het werk zijner bediening, en dat is iets dat gewoonlijk niet meegerekend wordt, de gemeenten tellen dikwijls de zorg en moeite niet zwaar, die haar dienaren voor haar hebben. Paulus was vreemd aan weelde en overvloed, macht en genoegen, voorrang en gemak, hij was in waken menigmaal, blootgesteld aan honger en dorst, in vasten menigmaal, met en zonder noodzaak, en verduurde koude en naaktheid, vers 27. Dus was hij, een der grootste zegeningen van zijn tijd, geacht als een last voor de aarde en een plaag voor zijn medemensen. En ook dát was nog niet alles, want, zegt de apostel, mij overvalt dagelijks de zorg van al de gemeenten, vers 28. Hij maakt van dezen last melding als van den zwaarsten van alle, hij kon beter al de vervolgingen van zijn vijanden dragen, dan de onbehoorlijkheden, die gevonden werden in de aan zijn toezicht toevertrouwde gemeenten.
Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande? vers 29. Er was geen zwak Christen, met wie hij niet meegevoelde, noch iemand geërgerd, met wie hij niet medeleed. Wij zien hoe weinig reden wij hebben om de pracht en den overvloed van deze wereld te beminnen, als deze gezegende apostel, een van de beste mensen, uitgenomen de Heere Jezus, die ooit op aarde leefden, zoveel hardheid van haar ondervond. Hij was over dit alles niet beschaamd, integendeel, hij rekende het zich tot eer, en daarom, hoezeer het hem ook tegenstond om te roemen, zegt hij toch, indien ik moet roemen, zo mijn tegenstanders er mij tot mijn zelfverdediging toe noodzaken, dan zal ik roemen in deze mijne zwakheden, vers 30. Meest van alles strekt lijden om der gerechtigheid wil ons tot roem. In de laatste twee verzen noemt Paulus een bijzonder deel van zijn lijden, afzonderlijk, alsof hij het daarstraks vergeten had, of omdat de toen door God geschonken uitredding buitengewoon merkwaardig was. Dat is het gevaar, waarin hij zich te Damascus bevond, spoedig na zijne bekering, en nog voor hij tot het apostelschap beroepen was. Het wordt ook verhaald in Handelingen 9:24, 25. Dit was zijn eerste grote gevaar en moeilijkheid, een voorspel van hetgeen zijn volgend leven opleveren zou. En het is opmerkelijk dat de apostel, alsof hij er voor bevreesd was dat men hem van overdrijving beschuldigen zou, dit verhaal bevestigt met een plechtigen eed of beroep op Gods alwetendheid. Het is grotelijks vertroostend voor een gelovige, dat de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, de alwetende God, weet dat hij waarheid spreekt, en dus ook alles weet wat hij doet en lijdt voor Zijne zaak.