Johannes 13:18-30
Wij hebben hier de ontdekking van Judas' complot om zijn Meester te verraden. Christus heeft het van den beginne geweten, maar nu heeft Hij er voor het eerst Zijne discipelen mede bekend gemaakt, die niet verwachtten, dat Christus verraden zou worden, hoewel Hij hun dit dikwijls gezegd had, en nog minder kwam het bij hen op, dat een hunner dit doen zou. Hier nu:
I. Geeft Christus hun in het algemeen een wenk er van, vers 18. Ik zeg niet van u allen, Ik kan niet verwachten, dat gij allen deze dingen doen zult, want Ik weet, welke Ik uitverkoren heb, en wie Ik voorbijgegaan ben, maar de Schrift zal vervuld worden, Psalm 41:10:Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijne verzenen opgeheven. Hij spreekt nog niet vrijuit, noch van de misdaad, noch van den misdadiger, maar wekt hun verwachting op naar een verdere ontdekking.
1. Hij geeft hun te kennen, dat het niet met hen allen goed stond. Hij had gezegd. vers 10, Gijlieden zijt rein, doch niet allen. En hier: Ik zeg niet van u allen. Wat van de voortreffelijkheid van Christus' discipelen gezegd wordt, kan niet gezegd worden van allen, die aldus genoemd worden. Het woord van Christus is een onderscheidend woord, hetwelk onderscheid maakt tussen klein vee en klein vee, en duizenden ter helle zal onderscheiden, die zich vleiden met de hoop, dat zij naar den hemel gingen. Ik zeg niet van u allen, van u, Mijne discipelen en volgelingen. Er is in de beste gezelschappen ene vermenging van kwaad met goed, een Judas onder de apostelen, en zo zal het wezen, totdat wij in het zalige gezelschap komen, waarin niets dat onrein of vermomd is, zal toegelaten worden.
2. Dat Hij zelf wist, met wie het wèl was, en met wie niet: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb, wie de weinigen zijn, die uitverkoren zijn uit de velen, welke met de algemene roeping geroepen waren. Die verkoren zijn, werden door Christus zelven verkoren, Hij wees de personen aan, voor wie Hij het verlossingswerk op zich heeft genomen. Zij, die verkoren zijn, zijn aan Christus bekend, want nooit vergeet Hij iemand, dien Hij eens in liefde gedacht heeft, 2 Timotheus 2:19.
3. Dat in het verraad van hem, die zich ontrouw jegens Hem betoonde, de Schrift vervuld werd, waardoor zeer veel van het verbazingwekkende, zowel als van het aanstotelijke der zaak wordt weggenomen. Christus heeft iemand opgenomen in Zijn gezin, dien Hij voorzag een verrader te zijn, en Hij heeft hem dit niet door krachtdadige genade belet, opdat de Schrift zou vervuld worden. Laat het dus voor niemand een steen des aanstoots wezen, want hoewel dit Judas misdaad volstrekt niet vermindert of verzacht, kan het wel onze ergernis er aan verzachten. De Schrift, waarop hier gewezen wordt, is David's klacht over het verraad van sommigen zijner vijanden, de Joodse uitleggers, en wij naar of volgens hen, verstaan dit over het algemeen van Achitofel: Hugo de Groot is van mening dat het aanduidt, dat de dood van Judas aan dien van Achitofel gelijk zou wezen. Omdat deze psalm echter spreekt van David's ziekte, waarvan wij niets lezen ten tijde, dat Achitofel hem verlaten heeft, kan het beter verstaan worden van een anderen vriend, die hem ontrouw was geworden. Onze Zaligmaker past het toe op Judas:
a. Als apostel was Judas toegelaten tot het hoogste voorrecht: hij "heeft brood met Christus gegeten". Hij was gemeenzaam met Hem, begunstigd door Hem, hij maakte deel uit van Zijn gezin, hij was een dergenen met wie Hij vertrouwelijk sprak en omging. David zei van zijn verraderlijken vriend: Hij at mijn brood, maar Christus, arm zijnde, had geen brood, dat Hij eigenlijk het Zijne kon noemen. Hij zegt: Die met Mij het brood eet, van het brood, dat Hij van de goedheid Zijner vrienden had, welke Hem dienden van hun goederen, hadden Zijne discipelen hun deel, Judas met de overigen. Overal waar Hij heenging, was Judas welkom m et Hem, daar heeft hij niet met de dienaren gespijzigd, neen, hij zat aan met zijn Meester, at van dezelfden schotel, dronk uit dezelfden beker, en in alle opzichten heet hij in alles met Hem gedeeld. Hij heeft wonderdadig brood met Hem gegeten, toen de broden vermenigvuldigd werden, hij heeft het pascha met Hem gegeten. Niet allen, die brood eten met Christus, zijn ware discipelen, Zie 1 Corinthiërs 10:3-5.
b. Als afvallige was Judas schuldig aan het laagste verraad, hij heeft de verzenen tegen Christus opgeheven. Hij verliet Hem, keerde Hem den rug toe, ging uit van het gezelschap der discipelen, vers 30. Hij verachtte Hem, schudde het stof zijner voeten tegen Hem in minachting van Hem en van Zijn Evangelie. Ja meer: hij werd Hem tot vijand, smaadde Hem, zoals worstelaars hun tegenpartijen, die zij overhoop willen werpen. Het is niets nieuws, dat zij, die schijnbaar Christus' vrienden waren, in werkelijkheid blijken Zijne vijanden te zijn. Zij, die voorgeven Hem groot te maken, maken zich zelven groot tegen Hem, en hiermede betonen zij zich schuldig niet slechts aan de laagste ondankbaarheid, maar ook aan het laagste verraad.
II. Hij geeft hun een reden, waarom Hij hun het verraad van Judas vooruit bekendmaakte, vers 19:Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is -eer Judas nog begonnen is aan de volvoering van zijn goddeloos plan, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij, in plaats van u er aan te stoten, bevestigd moogt worden in uw geloof, dat Ik het ben, die komen zou.
1. Door Zijn helder en ontwijfelbaar voorzien van toekomstige dingen, waarvan Hij hier, evenals bij andere gelegenheden, het onbetwistbare bewijs geeft, bewees Hij zich de ware God te zijn, voor wie alle dingen naakt en geopend zijn. Christus voorzegde, dat Judas Hem zou verraden, toen er nog geen grond was om zo iets te vermoeden, en zo bewees Hij zich als het eeuwige Woord, dat een oordeler is der gedachten en der overleggingen des harten. De profetieën van het Nieuwe Testament betreffende den afval der laatste tijden (die wij hebben in 2 Thessalonicenzen 2, 1 Timotheus 4, en in de Openbaring) blijkbaar vervuld zijnde, is dit een bewijs, dat die geschriften door God zijn ingegeven en het bevestigt ons geloof in den gansen canon der Heilige Schrift.
2. Door deze toepassing van de typen en profetieën van het Oude Testament op Hem zelven bewijst Hij zich de ware Messias te zijn, wie al de profeten getuigenis hebben gegeven. Aldus was er geschreven, en aldus heeft Christus moeten lijden, en Hij leed, zoals het geschreven was, Lukas 24:25, 26, Johannes 8:28.
III. Hij geeft een woord van bemoediging aan Zijne apostelen, en aan al Zijne dienstknechten, die Hij in Zijn dienst gebruikt, vers 20, "Zo Ik iemand zend, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij". Deze woorden hebben dezelfde strekking als die wij in andere Schriftuurplaatsen hebben, maar het is niet gemakkelijk er hier het verband of den samenhang van aan te tonen. Christus had Zijnen discipelen gezegd, dat zij zich moeten vernederen en verlagen. "Ofschoon er nu zijn zullen", zegt Hij, die u om uwe dienstvaardigheid zullen minachten, zullen er ook zijn, die er u om zullen eren". Zij, die zich verwaardigd weten door Christus' opdracht, kunnen het wel voor lief nemen om door de wereld geminacht te worden. Of wel: Hij bedoelde de gemoedsbezwaren weg te nemen van hen, die, omdat er onder de apostelen een verrader was, er voor terugdeinsden, om iemand hunner te ontvangen, want indien een hunner den Meester ontrouw was, aan wie zou iemand hunner dan getrouw zijn? Ex uno disce omnes Zij zijn allen aan elkaar gelijk. Neen, gelijk Christus nooit om de misdaad van Judas geringer over hen zal denken, zo zal Hij hen ook steunen, hun bijblijven, hen erkennen en de zodanige verwekken, die hen zullen ontvangen. Zij, die Judas hadden ontvangen, toen hij een prediker was, die wellicht door zijne prediking bekeerd en gesticht werden, zijn hierom nooit erger er aan toe geweest, en zij moeten er ook niet met spijt of leedwezen aan terugdenken, omdat hij later bleek een verrader te zijn, want hij was toch iemand, door Christus gezonden. Wij kunnen niet weten wat de mensen zijn, en nog veel minder wat zij zullen zijn, maar diegenen, welke blijken door Christus te zijn gezonden, moeten wij ontvangen, totdat het tegendeel blijkt. Hoewel sommigen, door vreemdelingen te herbergen, onwetend rovers hebben geherbergd, behoren wij toch gastvrij te zijn, want hierdoor hebben sommigen engelen geherbergd. Het misbruik, dat van onze liefde en barmhartigheid gemaakt wordt, hoe grote wijsheid en voorzichtigheid wij er ook bij betrachten, zal noch onze liefdeloosheid verschonen, noch ons het loon onzer liefde doen verliezen.
1. Wij worden hier aangemoedigd om Evangeliedienaren te ontvangen, als gezondenen door Christus. Zo Ik iemand zend, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij. Zo Ik iemand zend, hoe zwak of arm hij ook zij, hoe ook van gelijke bewegingen als anderen (want evenals de wet, stelt ook het Evangelie tot priesters "mensen, die zwakheid hebben')zo hij Mijne boodschap brengt, regelmatig geroepen en aangewezen is om dat te doen, en zich als ambtsdrager wijdt aan de bediening des Woords en aan het gebed, dan zal hij, die hem ontvangt, als een vriend van Mij erkend worden". Christus ging nu de wereld verlaten, maar Hij zal ene orde van mannen achterlaten, die als Zijne agenten zullen werkzaam zijn, om Zijn woord te verkondigen, en wie dit in het licht en de liefde er van ontvangt, ontvangt Hem. De leer van Christus te geloven, Zijne wet te gehoorzamen en de aangeboden zaligheid op de gestelde voorwaarden aan te nemen, dat is te ontvangen wie door Christus gezonden wordt, en het is Christus Jezus, den Heere, zelven te ontvangen.
2. Wij worden hier aangemoedigd om Christus te ontvangen, als van God gezonden. Wie Mij - aldus-ontvangt, die Christus ontvangt in Zijne dienstknechten, ontvangt ook den Vader, want zij komen ook met Zijne boodschap, dopende in den naam des Vaders, zowel als in dien des Zoons. Of, in het algemeen: Wie Mij ontvangt als zijn Vorst en Zaligmaker, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft, als zijn deel en zijn heil. Christus was van God gezonden, en als wij Zijn Godsdienst omhelzen, omhelzen wij den enig waren Godsdienst.
IV. Christus geeft hun meer bijzonder kennis van het complot, dat een hunner thans tegen Hem beraamde, vers 21. Jezus, deze dingen gezegd hebbende -deze dingen in het algemeen, om hen te bereiden op een meer bijzondere ontdekking-werd ontroerd in den geest, en toonde dit door een gebaar, of teken, en betuigde of verklaarde plechtig: Een van ulieden zal Mij verraden, een van u, Mijne apostelen en voortdurende volgelingen. Van niemand kon ook inderdaad gezegd worden, dat hij Hem verried, dan van hen, in wie Hij vertrouwen had gesteld, en die getuigen waren van Zijne afzonderingen. Dat heeft Judas niet door enigerlei noodlottige noodzakelijkheid tot die zonde bestemd, want, hoewel de gebeurtenis volgde overeenkomstig de voorzegging, is zij toch niet als uit die voorzegging voortgevloeid. Christus is niet de auteur of werker van de zonde, maar wat nu die afschuwelijke zonde van Judas betreft:
1. Christus voorzag haar, want zelfs hetgeen nog verborgen is in de toekomst en bedekt voor de ogen van alle levenden, is naakt en geopend voor de ogen van Christus. Hij weet wat in de mensen is, beter dan zij het zelven weten, 2 Koningen 8:12, en daarom ziet Hij wat door hen gedaan zal worden. Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, Jesaja 48:8.
2. Hij heeft het voorzegd, niet alleen om den wille van de overige discipelen, maar om den wille van Judas zelven, opdat hij gewaarschuwd zou zijn, en nog zou ontkomen uit den strik des duivels. Verraders gaan niet door met hun opzet, als zij zien dat het ontdekt is, voorzeker zal Judas, als hij bevindt, dat zijn Meester zijn plan en voornemen kent, bijtijds er van aflaten, zo niet, dan zal hij zijn oordeel verzwaren.
3. Hij sprak er van met blijkbaar leedwezen, Hij was ontroerd in den geest toen Hij melding maakte van de zaak. Hij had dikwijls van Zijn eigen lijden en dood gesproken, zonder zodanige ontroering van geest als Hij nu liet blijken, toen Hij van de ondankbaarheid en het verraad van Judas sprak. Dat heeft een teder punt bij Hem aangeraakt. De val en het wangedrag van de discipelen van Christus zijn een grote ontroering van geest voor hun Meester, de zonden der Christenen zijn de smart van Christus. "Hoe! Een van ulieden zal Mij verraden! Gij, die zulke gunstbewijzen van Mij hebt ontvangen, gij, van wie Ik reden had te denken, dat gij Mij standvastig getrouw zult blijven, en die Mij zoveel eerbied betuigd hebt-welke ongerechtigheid hebt gij in Mij gevonden, dat een uwer Mij gaat verraden?" Dat trof Hem in het hart, zoals de ongehoorzaamheid van kinderen hen grieft, die ze heeft gevoed en verzorgd, Jesaja 1:2, Psalm 95:10, Jesaja 63:10.
V. De discipelen worden terstond verschrikt. Zij wisten dat hun Meester hen noch bedriegen, noch met hen schertsen zal, en daarom zagen zij op elkaar, met blijkbare bezorgdheid, twijfelende, van wie Hij dat zei.
1. Door elkaar aan te zien tonen zij de ontroering, die deze mededeling bij hen had doen ontstaan. Zij waren zozeer door afschuw bevangen, dat zij niet wisten werwaarts hun ogen te richten, of wat zij zouden zeggen. Zij zagen hun Meester ontroerd, en daarom waren ook zij ontroerd. Dat had plaats aan een maaltijd, waar zij vrolijk en goedsmoeds aanzaten, maar dat leert ons, ons te verheugen met beving en als ons niet verheugende. Toen David weende om de muiterij van zijn zoon, hebben al zijne volgelingen met hem geweend, 2 Samuël 15:30, zo ook hier Christus' discipelen. Hetgeen Christus smart aandoet, moet ook aan al de Zijnen ene smart wezen, inzonderheid het ergerlijk wangedrag van hen, die naar Zijn naam zijn genoemd: Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?
2. Hiermede poogden zij den verrader te ontdekken. Zij zagen elkaar ernstig in het gelaat, om te zien wie er zou blozen, of wie door de ene of andere uitdrukking op het gelaat de schuld van het hart zou verraden na deze bekendmaking, maar, terwijl zij, die getrouw waren, een zo zuiver geweten hadden, dat zij "hun aangezicht konden opheffen zonder vlek" of gebrek, was het geweten van den verrader zo toegeschroeid, dat hij niet beschaamd was, en dus konden zij op die wijze niet tot de ontdekking komen. Christus heeft Zijne discipelen aldus voor een wijle in verlegenheid gebracht, teneinde hen te verootmoedigen en te toetsen, een heilig wantrouwen van hen zelven bij hen op te wekken, en verontwaardiging wegens de laagheid van Judas. Het is goed voor ons om eens een ogenblik tot stilstaan en nadenken te worden gebracht.
VI. De discipelen waren verlangend om hun Meester zich nader te horen verklaren, en dat Hij hun zou zeggen wie Hij bedoelde, want niets anders kan hen van hun tegenwoordige smart en angst bevrijden, daar ieder hunner dacht, evenveel reden te hebben om zich zelven, als om een der broederen te verdenken.
1. Van alle discipelen was Johannes het meest geschikt om de vraag te doen, omdat hij de meest beminde was en naast Zijn Meester zat, vers 23. Een van Zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad." Dat blijkt Johannes te zijn geweest, hoofdstuk 21:20, 24. Let op de bijzondere vriendelijkheid, die Jezus voor hem had, hij was bekend onder de omschrijving: de discipel, dien Jezus liefhad. Hij had hen allen lief, vers 1, maar Johannes werd inzonderheid door Hem bemind. Zijn naam betekent genaderijk. Daniël, die geëerd was door de openbaring van het Oude Testament, zoals Johannes door die van het Nieuwe Testament, was een man, grotelijks bemind, Daniël 9:23 2). Onder de discipelen van Christus zijn er sommigen, die Hem dierbaarder zijn dan anderen. Let ook op de plaats waar hij toen zat, en op zijne houding: Hij was aanzittende in den schoot van Jezus. Sommigen zeggen, dat het in die landen de gewoonte was, om in leunende houding aan tafel te zitten, zodat de tweede leunde tegen de borst van den eersten, en zo verder, hetgeen mij echter niet waarschijnlijk voorkomt, want in zodanige houding zouden zij niet kunnen eten en drinken, tenminste niet gevoeglijk of met gemak, maar, of dat nu al of niet zo was, op dat ogenblik leunde Johannes aan Christus' borst, en dat schijnt een buitengewoon teken of blijk van tederheid in dien tijd geweest te zijn. Er zijn sommigen van Christus' discipelen, die Hij aan Zijne borst legt, die vrijer en inniger gemeenschap met Hem hebben dan anderen. De Vader had den Zoon lief, en die Zoon was in den schoot Zijns Vaders, Hoofdstuk 1:18, en op dezelfde wijze zijn de gelovigen een met Christus, Hoofdstuk 17:21. Deze eer zal weldra aan alle gelovigen ten deel vallen in den schoot van Abraham. Hen, die zich aan Christus' voeten neerleggen, zal Hij aan Zijne borst leggen.
c. Maar hij verheelt zijn naam, omdat hij zelf dit verhaal geschreven heeft. Hij heeft dien bijnaam in plaats van den naam gesteld, om te tonen, dat hij er een welbehagen in had, het is zijn eretitel, dat hij de discipel was, dien Jezus liefhad, zoals er aan het hof van David en Salomo een was, die des konings vriend genoemd werd, maar hij vermeldt zijn naam niet, om te tonen, dat hij er zich niet op verhovaardigde, of er zich op beroemde. In een dergelijk geval zegt Paulus: Ik ken een mens in Christus.
2. Van al de discipelen was Petrus het vurigst en ijverigst om het te weten te komen, vers 24. Petrus, op enigen afstand zittende, wenkte Johannes, dat hij het zou vragen. Gewoonlijk was Petrus de leider, het meest geneigd zich vooraan te stellen, en mensen, die door hun natuurlijken aard en aanleg geleid worden tot die vrijmoedigheid in het vragen en antwoorden, zullen, zo zij onder de wetten van nederigheid en wijsheid gehouden worden, zeer nuttig en dienstvaardig zijn. God schenkt Zijne gaven op verschillende wijze, opdat echter de ijverige en vurige mannen in de kerk niet al te wèl van zich zelven zullen denken, en de bescheidenen niet ontmoedigd zullen zijn, moet het opgetekend worden, dat niet Petrus, maar Johannes de discipel was, dien Jezus liefhad. Petrus begeerde het te weten, niet alleen om er zeker van te zijn dat hij zelf het niet was, maar ook, opdat zij, wetende wie het was, zich van hem konden terugtrekken, en tegen hem op hun hoede konden zijn, en zo mogelijk zijn complot zouden verijdelen. Het zou wel te wensen zijn, denken wij, om te weten wie er in de kerk is, die ons zal bedriegen, maar laat het genoeg zijn, dat Christus het weet, al weten wij het niet. De reden, waarom Petrus zelf het niet vroeg, was dat Johannes er veel beter in de gelegenheid toe was op de plaats, die hij aan tafel innam, om Christus de vraag in het oor te fluisteren, en evenzo een stil antwoord te ontvangen. Het is goed om van onzen invloed gebruik te maken op hen, die nabij Christus zijn, en hun gebed voor ons te vragen. Kennen wij iemand, van wie wij reden hebben te denken, dat hij aan Christus' borst ligt? Laat ons hem verzoeken een goed woord voor ons te spreken.
3. En zo werd de vraag dan gedaan, vers 25, Deze, vallende op de borst van Jezus -en Hem aldus gemakkelijk iets kunnende influisteren-zei tot Hem: Heere! wie is het? Nu toont Johannes hier:
a. Achting voor zijn medediscipel, en bewilliging in zijn voorstel. Hoewel Petrus de eer niet had, die hij toen genoot, heeft hij het toch niet versmaad, om zijn wenk op te volgen. Zij, die aan Christus' borst liggen, kunnen dikwijls iets leren van hen, die aan Zijne voeten liggen, dat hun nuttig zal wezen, en door hen herinnerd worden aan iets, waaraan zij zelven niet denken. Johannes was bereid Petrus hierin ter wille te zijn, daar hij er zo goed toe in de gelegenheid was. Laat ons de gaven, naar de genade die ons gegeven is, besteden ten beste van allen, Romeinen 12:6.
b. Eerbied voor zijn Meester. Hoewel hij Christus dit in het oor fluisterde, noemt hij Hem toch Heere, de gemeenzaamheid, die hem toegestaan was, heeft zijn eerbied voor zijn Meester niet verminderd. Het betaamt ons zelfs bij ons bidden in het verborgene eerbiedig te zijn in onze uitdrukkingen, de betamelijkheid in acht te nemen, waar geen menselijk oog ons ziet, even goed als in de openbare bijeenkomsten. Hoe inniger de gemeenschap is, die Godvruchtige zielen met Christus hebben, hoe meer zij Zijne waardigheid en hun eigen onwaardigheid zullen beseffen, Genesis 18:27.
4. Christus heeft de vraag spoedig beantwoord, maar Hij heeft het antwoord Johannes in het oor gefluisterd, zoals blijkt uit vers 29, zodat de overigen er nog niet mede bekend werden. Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb -in een soort van saus- geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, terwijl Johannes nauwkeurig Zijne beweging waarnam, gaf Hij ze Judas, en Judas nam haar geredelijk aan, niet vermoedende wat er het doel mede was, maar blijde met iets, dat hem smaakte.
a. Christus duidde den verrader aan door een teken. Hij zou Johannes zijn naam hebben kunnen noemen. (De man, de onderdrukker en vijand is deze boze Judas, hij is de verrader en niemand anders), maar aldus wilde Hij Johannes doen opmerken, hiermede te kennen gevende hoe nodig het is voor de Evangeliedienaren om een geest van onderscheiding te hebben, want de valse broederen, voor wie wij op onze hoede moeten zijn, worden ons niet bekendgemaakt door woorden, maar door tekenen, zij moeten door ons gekend worden aan hun vruchten, aan hun geest, hun gezindheid, er is veel zorg en vlijt voor nodig om een recht oordeel over hen te hebben.
b. Dat teken was ene bete-een stuk brood waarschijnlijk-die Christus hem gaf, een zeer geschikt teken, omdat er de vervulling der Schrift in was, vers 18, dat de verrader iemand zou wezen, "die brood met Hem at," toen hij Zijn metgezel en disgenoot was. Er lag ook een grote betekenis in opgesloten, en het leert ons, dat Christus soms ene bete geeft aan verraders, aardse rijkdom, wereldlijke eer en genoegens zijn ene bete (als ik ze aldus eens mag noemen) die de Voorzienigheid soms aan boze mensen in handen geeft. Judas dacht wellicht, dat hij een gunsteling was, wijl hij die bete ontving, zoals Benjamin aan Jozefs tafel een gerecht in het bijzonder ontving, zo zal de voorspoed der dwazen, als een bedwelmende bete, hen verderven. Dat wij niet beledigend moeten zijn jegens hen, van wie wij weten dat zij boosaardig jegens ons gezind zijn. Christus heeft aan Judas even vriendelijk spijzen gereikt als aan de overigen, die aanzaten, hoewel Hij wist, dat hij toen Zijn dood beraamde. Indien dan uwen vijand hongert, zo spijzigt hem, dat is handelen, zoals Christus gehandeld heeft.
VII. Judas zelf, in plaats van hierdoor overtuigd te worden van zijne boosheid, werd er des te meer in bevestigd, en de waarschuwing, hem gegeven, was hem ene reuke des doods ten dode, want nu volgt:
1. Dat de duivel hierop bezit van hem nam, vers 27:Na de bete, toen voer de Satan in hem, niet om hem droefgeestig te maken, noch om hem van zijn verstand te beroven, hetgeen de bezetenheid bij sommigen uitwerkte, noch om hem in het vuur of in het water te jagen, gelukkig zou het voor hem geweest zijn, indien dit het ergste ware geweest, of indien hij met de zwijnen in de zee versmoord ware geworden, maar Satan ging tot hem in, om hem een blijvend vooroordeel tegen Christus en Zijne leer in te blazen, hem verachting van Hem te doen opvatten, als iemand, wiens leven van luttel waardij was, een geldgierige begeerte in hem op te wekken naar het loon der ongerechtigheid, en een vast besluit om voor niets terug te deinzen, ten einde dat loon te verkrijgen. Maar:
a. Was Satan dan niet reeds tevoren in hem? Hoe wordt er dan nu gezegd: toen voer de Satan in hem? Judas was reeds al dien tijd een duivel geweest, Hoofdstuk 6:70, een zoon der verderfenis, maar nu heeft Satan meer ten volle bezit van hem verkregen, een rijkelijker ingang tot hem bekomen. Zijn plan, om zijn Meester te verraden, was nu tot rijpheid gekomen en een vast besluit geworden, nu keert hij terug met zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, Lukas 11:26. Ofschoon de duivel in iedere goddelozen mens is, die zijne werken werkt, Efeze 2:2, komt hij soms toch duidelijker en krachtiger tot hen in dan op andere tijden, als hij hen tot de een of andere zeer ontzettende boosheid aandrijft, waarvoor de mensheid en het natuurlijk geweten met schrik terugdeinzen. Verraders van Christus hebben veel van den duivel in zich. Christus spreekt van de zonde van Judas als groter dan die van iemand anders van Zijne vervolgers.
b. Hoe is Satan tot hem ingekomen na de bete? Wellicht bemerkte hij terstond, dat dit het middel was om hem te ontdekken, en heeft hem dit doldriftig en wanhopend in zijn besluit doen voortgaan. Velen worden door de gaven van Christus' milddadigheid nog slechter gemaakt, worden gestijfd en verhard in hun onboetvaardigheid door hetgeen het tot boetvaardigheid had moeten leiden. De vurige kolen, die op hun hoofd worden gehoopt, zullen hen verharden, in plaats van hen te vertederen.
2. Hierop zond Christus hem weg, en gaf hem over aan de lusten van zijn hart. Jezus dan zei tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk. Dit moet niet verstaan worden alsof Christus hem raadde deze boosheid te bedrijven, of dat Hij hem er de volmacht toe gaf, maar of:
a. Als hem overlatende aan de leiding en de macht van Satan. Christus wist, dat Satan tot hem in was gegaan, bezit van hem had genomen, en nu geeft Hij hem op als hopeloos. De onderscheidene methodes, door Christus aangewend tot zijne overtuiging, zijn zonder uitwerking gebleven, en daarom: "Wat gij doet, zult gij haastelijk doen, indien gij besloten zijt u te verderven, ga voort en zie wat er het ge- volg van zijn zal". Als de boze geest gewillig toegelaten wordt, zal de goede Geest terecht wijken. Of: b. Als hem tartende, om dan nu maar zijn ergste te doen: "Gij smeedt een complot tegen Mij, breng het dan nu ten uitvoer, hoe eerder hoe beter, Ik vrees u niet, gij zult Mij bereid vinden". Onze Heere Jezus was zeer voortvarend om voor ons te lijden en te sterven, en ieder uitstel in de voltooiing Zijner onderneming scheen Hij, als het ware, moede te zijn. Christus spreekt van Judas' verraad als van iets, dat hij nu deed, iets waaraan hij bezig was, hoewel hij het nog slechts voornemens was. Zij, die kwaad beramen, zijn in Gods schatting reeds bezig het te doen.
3. Die aan tafel waren aangezeten begrepen niet wat Hij bedoelde, omdat zij niet gehoord hadden wat Hij Johannes had ingefluisterd, vers 28, 29. Niemand dergenen, die aanzaten, hetzij van de discipelen of van de gasten, behalve Johannes, verstond, waartoe Hij hem dat zei.
a. Zij vermoedden niet, dat Christus het zei tot Judas, als tot een verrader, omdat het niet bij hen opkwam, dat Judas een verrader was of zou blijken te zijn. Zulk gebrek aan scherpzinnigheid is verschoonbaar in de discipelen van Christus. De meesten zijn gereed genoeg, om, als zij in het algemeen van boze of verkeerde dingen horen spreken, te zeggen: "Die of die is zeker bedoeld", maar Christus' discipelen hadden zo goed geleerd om elkaar lief te hebben, dat het hun niet gemakkelijk viel te leren elkaar te verdenken, de liefde denkt geen kwaad.
b. Daarom hielden zij het er voor, dat het tot hem gezegd was als bestuurder van de huishouding of penningmeester, hem order gevende tot de ene of andere uitgave. Hun vermoeden in dit geval ontdekt ons waarvoor onze Heere Jezus gewoonlijk order gaf tot het besteden van geld-het weinige dat Hij had-en zo leert het ons den Heere te eren met onze goederen. Zij dachten, dat er wat geld besteed moest worden, hetzij voor werken der Godsvrucht: Koop hetgeen wij van node hebben voor het feest. Hoewel Hij ene kamer leende, om er het pascha in te eten, heeft Hij de provisie toch voor den maaltijd gekocht. Datgene moet men achten wel besteed te zijn, wat besteed wordt voor hetgeen nodig is om Gods inzettingen onder ons te onderhouden, en wij hebben te minder reden om die uitgaven met tegenzin te doen, nu onze Evangelische eredienst veel minder onkosten veroorzaakt dan de eredienst onder de wet. Of in werken van liefdadigheid: dat hij den armen wat geven zou. Hieruit blijkt: Ten eerste. Dat onze Heere Jezus, hoewel zelf van aalmoezen levende, Lukas 8:3, toch ook aalmoezen gaf aan de armen, een weinig van een weinig. Ofschoon Hij daarvan wel verontschuldigd had kunnen worden, niet alleen omdat Hij zelf arm was, maar ook omdat Hij op andere wijze zoveel goed deed, zo velen om niet genezende, heeft Hij toch, om ons een voorbeeld te stellen, gegeven tot ondersteuning der armen van hetgeen Hij tot onderhoud had van Zijn gezin, zie Efeze 4:28. Ten tweede. Dat de tijd van een Godsdienstig feest een geschikte tijd werd geacht voor werken van liefdadigheid. Toen Hij het pascha vierde, gaf Hij order om iets aan de armen te geven. Als wij Gods milddadigheid jegens ons ondervinden, dan moet ons dit milddadig maken jegens de armen.
4. Hierop legt Judas er zich met ijver en kracht op toe om zijn plan tegen Hem te volvoeren: Hij ging terstond uit. Er wordt nota genomen:
a. Van zijn spoedig vertrek. Hij ging terstond en verliet het huis. Uit vreze van nog klaarder aan het gezelschap ontdekt te worden, want, indien dit zou gebeuren, dan verwachtte hij, dat allen op hem zouden aanvallen en hem zouden doden, of ten minste zijn opzet zouden verhinderen. Hij ging uit als iemand, die het gezelschap van Christus en van de apostelen moede is. Christus behoefde hem niet uit te werpen, hij wierp zich zelven uit. Het zich onttrekken aan de gemeenschap der gelovigen is gewoonlijk de eerste openlijke daad van een afvallige, en dus het begin van zijn openlijken afval. Hij ging uit om zijn plan te volvoeren om hen op te zoeken, met wie hij den koop ging sluiten, en om de overeenkomst er van te regelen. Nu Satan in hem was gevaren, haastte hij hem voort, opdat hij niet misschien zijne dwaling zou inzien en er berouw van zou hebben.
b. Van den tijd van zijn heengaan: het was nacht. Hoewel het nacht was, een ongeschikte tijd om zaken te doen, heeft hij, Satan in hem gevaren zijnde, de koude en de duisternis als geen bezwaar geacht op zijn weg. Dit moest ons beschaamd maken wegens onze traagheid en lafhartigheid in den dienst van Christus, dat des duivels dienaren zo ijverig en onverschrokken zijn in zijn dienst. Omdat het nacht was, want dat gaf hem het voordeel van onopgemerkt te blijven, zijne daad dus in het verborgene te kunnen doen. Hij wilde niet gaarne gezien worden bij zijne onderhandeling met de overpriesters, en daarom koos hij den duisteren nacht als den geschiktsten tijd voor zulke werken der duisternis. Zij, wier werken boos zijn, hebben de duisternis liever dan het licht. Zie Job 24:13 en verder.