Mattheus 23:1-12
In al Zijn predíken vinden wij Christus jegens generlei soort van mensen zo streng als jegens deze schriftgeleerden en Farizeeën, want niets is ook zo lijnrecht tegenovergesteld aan den geest van het Evangelie als de aard en het gedrag van dat geslacht van mensen, die onder den dekmantel van vroomheid slechts hoogmoed, wereldsgezindheid en tirannie verborgen. Toch waren dezen de afgoden en lievelingen van het volk, die dachten, dat zo er slechts twee mensen naar den hemel gingen, een van hen een Farizeeër moest zijn. Nu richt Christus hier Zijne rede tot de scharen en tot Zijne discipelen, vers 1, ten einde hun vergissing omtrent deze schriftgeleerden en Farizeeën in het licht te stellen, door hen in hun ware kleuren te schilderen, en aldus het vooroordeel weg te nemen, dat sommigen uit de scharen tegen Christus en Zijne leer hadden opgevat, omdat die tegengestaan werd door de mannen hunner kerk, die zich de leidslieden des volks noemden. Het is goed om met het ware karakter der mensen bekend te zijn, opdat wij niet misleid worden door grote namen, wijdse titels en aanspraak op macht en gezag. Er moet den mensen gesproken worden van de wolven, Handelingen 20:29, de honden, Filippenzen 3:2, de bedrieglijke arbeiders, 2 Corinthiërs 11:13, opdat zij er op hun hoede tegen zijn. En niet slechts de gemengde scharen, maar zelfs de discipelen hebben deze waarschuwingen van node, want ook van Godvruchtige mensen kunnen de ogen verblind worden door wereldse pracht en grootheid. In deze rede nu:
I. Erkent Christus hun ambt als uitleggers van de wet. De schriftgeleerden en Farizeeën, -dat is: het gehele sanhedrin, die het roer der kerkregering in handen hadden en schriftgeleerden werden genoemd, en van wie sommigen Farizeeën waren-zijn gezeten op den stoel van Mozes, vers 2, als leraren en verklaarders der wet. En daar de wet van Mozes de burgerlijke wet was van hun staat of rijk, deden zij dienst als rechters, en vormden zij dus een gerechtshof. Onderwijzen en rechtspreken schijnen gelijkluidende woorden te zijn, dat is: woorden van gelijke betekenis. Vergelijk 2 Kronieken 19:5, 6, 8. Zij waren geen ommegaande rechters, maar een vast en blijvend gerechtshof, dat uitspraak deed in geschillen. Zij waren gezeten op den stoel van Mozes, niet gelijk hij was als middelaar tussen God en Israël, maar alleen zoals hij was als opperrechter, Exodus 18:26. Of wel, wij kunnen het toepassen niet op het sanhedrin, maar op de andere Farizeeën en schriftgeleerden, die de wet verklaarden, en het volk leerden hoe haar toe te passen in bijzondere gevallen. De hoge houten stoel, die gemaakt was voor Ezra, den vaardigen schriftgeleerde in de wet van Mozes, wordt hier de stoel van Mozes genoemd, omdat Mozes dien had in elke stad, Handelingen 15:21. Op dezen stoel predikten zij hem, dat was hun ambt, en het was goed en eervol. Het was nodig, dat er sommigen zouden zijn, uit wier mond het volk de wet kon zoeken, Maleachi 2:7. Menig goed ambt wordt waargenomen door slechte mensen, het is niets nieuws, dat de snoodsten van des mensen kinderen verhoogd worden, zelfs tot op den stoel van Mozes, Psalm 12:8 :en waar dit het geval is, worden die mensen niet geëerd door den zetel, maar de zetel is onteerd door de mensen. Zij, die toen op Mozes' stoel zaten, waren zo schrikkelijk ontaard, dat het voor den groten profeet tijd was om op te staan en een anderen stoel op te richten. 2. Goede en nuttige ambten moeten niet worden afgeschaft, omdat zij soms in de handen zijn van slechte mensen, die er misbruik van maken. Wij moeten den stoel van Mozes niet neerwerpen, omdat schriftgeleerden en Farizeeën hem in bezit hebben, maar het oordeel overlaten aan Hem die alleen over het hart oordelen kan. Daarom zegt Hij, vers 3, Al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat, en doet het. Voorzover zij op den stoel van Mozes zijn gezeten, dat is: de wet, door Mozes gegeven, lezen en prediken - welke wet toen nog in volle kracht was-en overeenkomstig die wet richten en oordelen, moet gij hen horen, daar zij u de geschreven wet doen gedenken. De schriftgeleerden en Farizeeën maakten er hun werk van de Schrift te bestuderen, en ze waren wèl vertrouwd met de taal, de geschiedenis en de zeden en gewoonten er van, alsmede met den stijl en de spreekwijze der Schrift. Nu wilde Christus, dat het volk gebruik zou maken van de hulp, die zij hun geven konden voor het verstaan der Schrift, en dienovereenkomstig zouden handelen. Zolang hun uitleggingen den tekst ophelderden, en niet verdraaiden of verdierven, het gebod Gods verduidelijkten, maar niet krachteloos maakten, zolang moest er naar hen gehoord worden, en moesten zij worden gehoorzaamd, maar met voorzichtigheid en oordeel des onderscheids. Van goede waarheden moet men geen slechte gedachten koesteren, omdat zij door slechte leraren worden gepredikt, evenmin als van goede wetten, omdat zij door slechte overheidspersonen worden uitgevoerd. Hoewel het zeer begerenswaardig is, dat ons voedsel ons door engelen gebracht wordt, is het toch even voedzaam en gezond, als God het ons door raven zendt, en dan moeten wij het nemen en er Gode dankbaar voor zijn. Onze Heere stelt dit vooraf, om de vitterij af te snijden, die sommigen wegens Zijn volgende rede te berde zouden brengen, alsof Hij, door de schriftgeleerden en Farizeeën te veroordelen, bedoeld had de wet van Mozes in minachting te brengen, en er de mensen van af te houden, terwijl Hij toch niet gekomen is om de wet te ontbinden, maar te vervullen. Het is verstandig om de tegenwerpingen te voorkomen, die tegen rechtvaardige bestraffing en zonden ingebracht kunnen worden, inzonderheid als het nodig is om te onderscheiden tussen het ambt en den ambtenaar, opdat de bediening niet gelasterd worde, als de bedienaren worden gelaakt.
II. Hij veroordeelt de mannen, de ambtsdragers. Hij had de scharen geboden te doen wat zij hen leerden, maar hier voegt Hij er de waarschuwing bij van niet te doen zoals zij deden, zich te wachten voor hun zuurdesem.
Doet niet naar hun werken. Hun overleveringen waren hun werken, hun afgoden, de werken hunner verbeelding. Of: Doet niet naar hun voorbeeld. Leerstelling en gedrag zijn geesten, die beproefd moeten worden, en waar het nodig is, moeten zij zorgvuldig van elkaar gescheiden en onderscheiden worden, en gelijk wij geen verdorven leerstellingen moeten aannemen om den wille van lofwaardige handelingen van hen, die ze leren, zo moeten wij ook geen slecht voorbeeld volgen, om den wille van de goede leerstellingen van hen, die dat slechte voorbeeld geven. De schriftgeleerden en Farizeeën roemden evenzeer op hun goede werken, als op de rechtzinnigheid van hun leer, en zij hoopten er door gerechtvaardigd te worden, Lukas 18:11, 12, en toch waren die dingen, waaraan zij zo grote waarde hechtten, verfoeilijk in de ogen van God. In dit en de volgende verzen noemt onze Heiland enige bijzonderheden van hun werken, waarin wij hen niet moeten navolgen. In het algemeen wordt hun geveinsdheid ten laste gelegd en bedrog in den Godsdienst, ene misdaad, waarnaar geen menselijke rechtbank onderzoek kan doen, omdat wij slechts kunnen oordelen naar het uiterlijke, maar God, die het hart doorgrondt, kan van veinzerij overtuigen, en niets is er, dat Hem meer mishaagt, want Hij begeert waarheid. In deze verzen worden hun vier dingen ten laste gelegd.
1. Hun zeggen en doen waren twee. Hun gedrag was op generlei wijze in overeenstemming met hun prediking of hun belijdenis, want zij zeggen het en doen het niet. Zij leren uit de wet hetgeen goed is, maar door hun wandel worden zij gelogenstraft, en zij schijnen voor zich zelven een anderen weg naar den hemel gevonden te hebben, dan dien zij aan anderen wijzen. Dit wordt opgehelderd en op hen toegepast in Romeinen 2:17-24. Van alle zondaren zijn die het minst te verontschuldigen, die zich zelven zonden veroorloven, welke zij in anderen veroordelen. Dit raakt inzonderheid slechte leraars, wier deel gewis met de geveinsden zal zijn, Hoofdstuk 24:51. Immers wat groter geveinsdheid kan er zijn, dan anderen aan te sporen om te geloven en te doen, wat men zelf niet gelooft en nalaat. De zodanige breken af door hun praktijk, wat zij hebben opgebouwd door hun prediking, zo uitnemend predikende op den kansel, dat het jammer is, dat zij van den kansel aftreden, maar van den kansel afgekomen zijnde, zo slecht levende, dat het jammer is, dat zij er ooit weer opkomen. Zij zijn gelijk klokken, die anderen ter kerk roepen, maar zelven buiten de kerk hangen, of gelijk handwijzers, die anderen den weg wijzen, maar zelven stilstaan. Uit hun mond zullen zij geoordeeld worden. Dit is toepasselijk op allen, die zeggen en niet doen, die een schoonschijnende belijdenis doen van den Godsdienst, maar niet leven naar deze belijdenis, die fraaie beloften doen, maar ze niet volbrengen, vol zijn van goede redeneringen, aan allen om hen heen de wet kunnen voorschrijven, maar ledig zijn van goede werken, grote praters, maar kleine doeners, de stem is Jakob's stem, maar de handen zijn Ezau's handen. Zij kunnen schoon spreken: Ik ga, Heere, maar zij zijn niet te vertrouwen, want er zijn zeven gruwelen in hun hart.
2. Zij waren zeer streng in het opleggen aan anderen van die dingen, aan den last waarvan zij zelven zich niet wilden onderwerpen, vers 4. Zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen. Zij drongen niet slechts aan op het nauwgezette waarnemen van de geringste omstandigheden der wet, hetgeen een juk genoemd wordt, Handelingen 15:10, en dat wel met grotere strengheid dan God zelf, maar zij voegden er nog hun woorden aan toe, en legden hun eigen verzinselen en overleveringen op als ene wet, onder bedreiging van zware straffen in geval van overtreding. Zij beminden het hun gezag te tonen en hun heerschappij uit te oefenen, heersende over het erfdeel Gods, en zeggende tot de zielen der mensen: buigt u neer, dat wij over u gaan, getuige hun menigvuldige toevoegsels aan de wet van het vierde gebod, waardoor zij den sabbat tot een last maakten op der mensen schouderen, terwijl hij bedoeld en bestemd was tot ene verheuging van hun hart. Aldus hebben deze herders met geweld en wreedheid de schapen geweid, Ezechiël 34:4. Zie nu echter hun geveinsdheid, maar zij willen die met hun vingeren niet verroeren. Zij wilden zich zelven niet oefenen in die dingen, die zij anderen oplegden. Zij drongen aan bij het volk op ene nauwgezetheid in het waarnemen van den Godsdienst, waardoor zij zelven niet gebonden wilden zijn, in het geheim overtraden zij hun eigen overleveringen, waarop zij in het openbaar bij anderen aandrongen. Zij gaven toe aan hun hoogmoed door aan anderen de wet voor te schrijven, maar in hun eigen levenswijze gingen zij met hun gemak en genoegen te rade. Zo is er tot smadelijk verwijt aan het adres van de Roomse priesters gezegd, dat zij vasten op wijn en lekkernijen, terwijl zij het volk dwingen om te vasten op water en brood, en de boetedoeningen afwijzen voor zich zelven, die zij aan de leken opleggen. Zij wilden geen vinger uitsteken om den last des volks te verlichten, terwijl zij toch zagen, hoe zij er onder gebukt gingen. Als dit met hun belang strookte, wisten zij wel uitleggingen te geven van Gods wet, die haar krachteloos maakten, maar van hun eigen verzinselen wilden zij niet, dat men in het minste of geringste zou afwijken. Hoe tegenovergesteld was dit met het gedrag van Christus' apostelen, die aan anderen de Christelijke vrijheid wilden toestaan, welke zij, om den vrede en de stichting der kerk te bevorderen, zich zelven ontzeiden! Zij wilden aan anderen gene lasten opleggen dan in noodzakelijke dingen, en die lasten waren licht en gemakkelijk te dragen, Handelingen 15:28. Hoe zorgzaam spaart Paulus hen, aan wie hij schrijft! 1 Corinthiërs 7:28, 9:12.
3. Zij waren geheel en al voor den uiterlijken schijn, maar bekommerden zich niet om het wezen van den Godsdienst, vers 5, Al hun werken doen zij om van de mensen gezien te worden. Wij moeten goede werken doen, opdat zij, die ze zien, God mogen verheerlijken, maar wij moeten onze goede werken niet uitbazuinen, opdat anderen ze zullen zien en ons zullen verheerlijken. Daarvan beschuldigt onze Heiland de Farizeeën in het algemeen, gelijk Hij dit tevoren gedaan heeft ten opzichte van hun gebeden en hun geven van aalmoezen. Al hun begeerte, geheel hun doel was om door de mensen geprezen te worden, daarom was al hun streven er op gericht, om van de mensen gezien te worden, ten einde een schoon gelaat te tonen naar het vlees. In die plichten van den Godsdienst, die onder het oog der mensen vallen, was niemand zo ijverig en overvloedig als zij, maar in alles wat ligt tussen God en de ziel, in de binnenkamer, in de verborgen schuilhoeken van hun hart wilden zij voor verontschuldigd gehouden worden. De gedaante der Godzaligheid zal hun den naam geven van te leven, en dat is ook al wat zij begeren en bedoelen, daarom bekommeren zij zich niet om de kracht er van, die voor het leven onmisbaar is. Hij, die alles doet om gezien te worden, doet alles tevergeefs, doet niets ter zake dienende. Hij noemt twee dingen, die zij deden om van de mensen gezien te worden.
a. Zij maken hun gedenkcedels breed. Dat waren kleine rollen papier of perkament, waarop met grote keurigheid deze vier paragrafen der wet geschreven waren, Exodus 13:3-10, 11-16, Deuteronomium 6:4-9, 11:13-21. Deze rolletjes werden genaaid in leder, en gedragen op het voorhoofd en den linkerarm. Het was ene overlevering der ouden betrekkelijk Exodus 13:9 en Prediker 7:3, waar de uitdrukkingen zinnebeeldig schijnen, niets anders te kennen gevende, dan dat wij de dingen Gods in onze gedachten moeten houden, even zorgvuldig alsof wij ze tussen onze ogen gebonden hadden en ze dus altijd zagen. Nu hebben de Farizeeën deze gedenkcedelen breed gemaakt, opdat men er hen voor heiliger, strenger en ijveriger voor de wet door zou aanzien dan anderen. Het is een Godvruchtige eerzucht om te begeren in werkelijkheid heiliger te zijn dan anderen, maar het is een hovaardige eerzucht om dit slechts te willen schijnen. Het is goed om uit te munten in wezenlijke vroomheid, maar niet om uit te munten in uiterlijken schijn, want overdrijving wordt met recht van valsheid verdacht, Prediker 27:14. Het is het mom der geveinsdheid om zoveel ophef te maken van het uitwendige van den Godsdienst, veel nodiger is het om blijken en bewijzen te geven van de goede gezindheid der ziel.
b. Zij maken de zomen van hun klederen groot. God heeft den Joden bevolen zich snoertjes te maken aan de hoeken hunner klederen, Numeri 15:38, om hen van andere volken te onderscheiden, en om hen er aan te herinneren, dat zij een bijzonder volk zijn. Maar de Farizeeën vergenoegden er zich niet mede om deze zomen (waarin die snoertjes bevestigd waren) te hebben zoals iedereen ze had, hetgeen zou beantwoorden aan het doel waarmee God hun dit bevolen had, neen, zij moeten groter zijn dan die van anderen, ten einde te beantwoorden aan hun eigen doel om van de mensen gezien te worden, en den indruk te geven, dat zij Godsdienstiger waren dan anderen. Maar zij, die aldus hun gedenkcedelen breed en de zomen hunner klederen groot maken, terwijl hun hart eng is en ontbloot van de liefde tot God en hun naaste, kunnen thans wel anderen bedriegen, maar ten laatste zullen zij zelven bedrogen uitkomen.
4. Zij streefden zeer ijverig naar den voorrang en naar meerderheid van gezag over anderen, en daarop verhovaardigden zij zich dan. Hoogmoed was de heersende zonde in de Farizeeën, de zonde, die hen het lichtelijkst omringde, en tegen welke onze Heere Jezus bij alle gelegenheden heeft getuigd.
a. Hij beschrijft hun hoogmoed, vers 6, 7. Zij begeerden en dongen naar ereplaatsen en betoon van eerbied. Bij alle gelegenheden, waarbij zij in het openbaar verschenen, zoals op feesten en in de synagogen, verwachtten zij, en verkregen zij ook naar den lust en begeerte van hun hart, vooraanzitting en voorgestoelten. Hun werden de beste plaatsen en in alles de voorrang toegekend, als personen van groot aanzien en verdienste, en men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe dit hun naar den zin was, zij zochten de eersten te zijn, 3 Johannes 9. Het is niet de vooraanzitting en het zitten op de voorgestoelten, dat veroordeeld wordt, -iemand moet wel vooraan zitten-maar het beminnen er van. Als de mensen zoveel waarde hechten aan zo onbeduidend ene ceremonie als het zitten op de hoogste plaats, het voor anderen binnentreden in een vertrek en dergelijke nietigheden meer, als zij dit zoeken, zich hierop laten voorstaan, het kwalijk nemen als het hun niet wordt toegestaan, wat is dit dan anders dan een afgod te maken van zich zelven, er voor neer te vallen en hem te aanbidden-dat wel de ergste soort van afgoderij is! Dat is overal verkeerd, maar bovenal in de synagogen. Dáár ere te zoeken voor ons zelven waar wij komen om ere en heerlijkheid toe te brengen aan God, en ons voor Hem te verootmoedigen, dat is met God te spotten in plaats van Hem te dienen. David was gaarne bereid aan den dorpel van Gods huis te zijn, zo ver was hij er vandaan om er de vooraanzitting te begeren, Psalm 84:11. Het riekt naar hoogmoed en geveinsdheid als de mensen niet anders naar de kerk willen gaan, dan om er een fraaie vertoning te maken. Zij waren ook begerig naar eerbewijzingen en eretitels. Zij beminden de begroetingen op de markten, hadden het gaarne, dat de mensen den hoed voor hen afnamen en hun eerbied betoonden, als zij hen op straat tegenkwamen. O hoe het hun behaagde, hoe het hun ijdelheid streelde, als men hen aanwees en zei: Dat is hij, als men plaats voor hen maakte onder het volk op de markt: Terug, daar komt een Farizeeër, maakt plaats voor hem! en gecomplimenteerd te worden met den hogen en wijdsen titel Rabbi, Rabbi! Dit was spijs en drank en lekkernij voor hen, en daarin vonden zij evenveel voldoening als Nebukadnezar in zijn paleis toen hij zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb? De begroetingen zouden hun niet half zoveel genoegen gedaan hebben, als zij niet op de markt waren geschied, waar ieder kon zien hoezeer zij geëerd werden, en hoe hoog zij bij het volk stonden aangeschreven. Het was slechts even voor Christus' tijd, dat de Joodse leraars, de meesters in Israël, den titel van Rabbi, Rab, of Rabban hadden aangenomen, waarvan de betekenis was groot of veel, en gebruikt werd in den zin van Doctor of Mijnheer. En zij legden daar zoveel nadruk op, dat zij als een grondregel stelden: Hij, die zijn leermeester groet, en hem niet Rabbi noemt, maakt dat de Goddelijke Majesteit van Israël wijkt, zoveel Godsdienstige waarde hechtten zij aan iets, dat toch niets anders was dan een blijk van welgemanierdheid! Dat hij, die onderwezen wordt in het woord, eerbied betoont aan hem, die hem onderwijst, is betamelijk: maar dat hij, die onderwijst, dit bemint en het eist, en misnoegd is zo het wordt nagelaten, dat is zondig en verfoeilijk, en in plaats van te onderwijzen, heeft hij nog de eerste les te leren in de school van Christus, namelijk nederigheid.
b. Hij waarschuwt Zijne discipelen er tegen om hun hierin gelijk te zijn, zij moeten hierin niet doen naar hun werken. Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden, vers 8 enz. Hier is dus een verbod van hoogmoed. Er wordt hun hier verboden: Ten eerste. Om eretitels en heerschappij te eisen voor zich zelven, vers 8-10. Het wordt tweemaal herhaald: Gij zult niet Rabbi genaamd worden, noch zult gij meesters genoemd worden, of gids. Niet alsof het ongeoorloofd is burgerlijke beleefdheid te betonen aan hen, die onze voorgangers zijn in den Heere, integendeel, het is een blijk van eerbied en achting, die wij hun verschuldigd zijn, maar:
1. Christus' dienstknechten moeten den naam van Rabbi of Meester niet aannemen om zich hierdoor van anderen te doen onderscheiden. Het strookt niet met de eenvoudigheid van het Evangelie, dat zij de eerbewijzingen begeren en aannemen, die hun gegeven worden, die in de paleizen der koningen zijn. 2. Zij moeten het gezag en de heerschappij niet aannemen, welke door deze titels worden aangeduid, zij moeten niet meesterachtig zijn, niet heersen over hun broederen, of over het erfdeel Gods, alsof zij heerschappij hadden over het geloof der Christenen. Wat zij van den Heere hebben ontvangen, moeten allen ontvangen van hen, maar in andere dingen moeten zij hun mening en hun wil niet als regel en maatstaf stellen voor andere mensen, en er onbepaalde gehoorzaamheid aan eisen. De redenen voor dit verbod zijn
a. Een is uw Meester, namelijk Christus, vers 8, en wederom in vers 10. Christus is onze Meester, onze Leraar, onze Gids. Als George Herbert den naam van Christus noemde, voegde hij er gewoonlijk bij "Mijn Meester". Christus alleen is onze Meester, leraren zijn slechts de ondermeesters in de school van Christus. Christus alleen is de Meester, de grote Profeet, dien wij moeten horen, en door wie wij ons moeten laten regeren en besturen, wiens woord ons ene Godsspraak en ene wet moet zijn, Zijn Voorwaar Ik zeg u, moet ons genoeg wezen. En zo Hij alleen onze Meester is, dan is het in Zijne dienstknechten een wederrechtelijke toe-eigening van Christus' eer, die Hij aan geen ander zal geven, indien zij zich aanstellen als dictators, en aanspraak maken op onfeilbaarheid en oppermacht.
b. Gij zijt allen broeders. Leraren zijn niet slechts broeders van elkaar, maar ook van het volk, en daarom voegt het hun niet om meesters te zijn. En wij zijn allen jongere broeders, want anders zou de oudste op voortreffelijkheid in hoogheid en sterkte of macht voor zich aanspraak maken, Genesis 49:3. Om dat te vermijden en te voorkomen is Christus zelf de eerstgeborene onder vele broederen, Romeinen 8:29. Gij zijt allen broeders, gelijk gij allen discipelen zijt van dezelfden Meester. Schoolmakkers zijn broeders, en moeten als zodanig elkaar helpen om hun lessen te leren, maar het zal volstrekt niet toegestaan worden, dat een der scholieren op des meesters plaats gaat zitten en de wet voorschrijft aan de school. Indien wij allen broeders zijn, dan moeten wij niet vele meesters zijn, Jakobus 1:3.
Ten tweede. Hun wordt verboden zulke titels aan anderen te geven, vers 9, Gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde, stelt niemand aan tot vader van uwen Godsdienst, dat is, tot stichter, leider of bestuurder er van. De vaders van ons vlees moeten vaders genaamd worden, en als zodanig moeten wij hen ontzien, maar God alleen moeten wij erkennen als den Vader der geesten, Hebreeën 12:9. Onze Godsdienst moet niet ontleend worden aan, of afhankelijk zijn van, enigen mens. Wij zijn wedergeboren tot het geestelijk en Goddelijk leven niet uit vergankelijk zaad, maar door het woord Gods, niet uit den wil des vlezes, noch uit den wil des mans, maar uit God. Wij moeten niet zweren bij het woord van enig schepsel, van de wijsten noch de besten. Paulus noemt zich een vader van hen, voor wier bekering hij het middel geweest is. 1 Corinthiërs 4:15, Filemon 10, maar hij maakt er geen aanspraak op om over hen te heersen, en hij gebruikt dien titel niet om gezag aan te duiden, maar genegenheid. Daarom noemt hij hen niet zijn aan hem verplichte, maar zijn lieve kinderen, 1 Corinthiërs 4:14. De reden, hiervoor gegeven is: Een is uw Vader, namelijk die in de hemelen is. God is onze Vader, en is alles in alles in onzen Godsdienst. Hij is er de bron van en de stichter, Hij is er het leven van en de Heere, van Hem alleen als den oorsprong, is ons geestelijk leven afgeleid en voortgevloeid, van Hem is het afhankelijk. Hij is de Vader der lichten, Jakobus 1:17, die ene Vader, uit wie, door wie en tot wie alle dingen zijn, en wij in Hem. Daar Christus ons geleerd heeft te zeggen: Onze Vader, die in de hemelen zijt, zo laat ons niemand vader noemen op aarde, geen mens, want de mens is een worm, uit het stof der aarde gevormd als wij, en inzonderheid niet op aarde, want op aarde is de mens zondig, er is niemand op aarde rechtvaardig, niemand, die goed doet en niet zondigt, en daarom is niemand geschikt om vader genoemd te worden. Hier is een voorschrift van nederigheid en wederzijdse onderdanigheid, vers 11, De meeste van u zal uw dienaar zijn, zich niet slechts zo noemen (wij weten van iemand, die zich Servus servorum Dei -Knecht der knechten Gods, noemt, maar handelt als rabbi, en vader, en meester, en Dominus Deus noster -De Heere onze God, en wat al niet meer! maar hij zal dit zijn. Neem het als een belofte. Hij zal de meeste geacht worden, en het hoogst staan aangeschreven in de gunst van God, die het onderdanigst en dienstvaardigst is. Of als een voorschrift, een bevel: Hij, die bevorderd is tot ene waardigheid, een post van vertrouwen en eer in de kerk, laat die uw dienstknecht zijn. Laat hem niet denken, dat zijne ereplaats gemak voor hem meebrengt, neen, hij, die de meeste is, is niet een heer maar een dienaar. Paulus, die zijn voorrecht kende, zowel als zijn plicht, heeft zich, hoewel van allen vrij zijnde, allen dienstbaar gemaakt, 1 Corinthiërs 9:19, en onze Meester heeft er bij Zijne discipelen herhaaldelijk op aangedrongen om nederig te zijn, en zich zelven te verloochenen, zachtmoedig en voorkomend te wezen, en overvloedig te zijn in alle dienstbetoon der Christelijke liefde, en daarvan heeft Hij zelf ons het voorbeeld gegeven. Een goede reden voor dit alles, vers 12.
Ten eerste. De straf, bestemd voor de hoogmoedigen: Wie zich zelven verhogen zal, die zal vernederd worden. Indien God hun bekering geeft, dan zullen zij vernederd worden in hun eigen ogen, en er zich zelven om verfoeien. Indien zij zich niet bekeren, dan zullen zij vroeg of laat vernederd worden in de ogen der wereld. Op het toppunt van zijne hoogheid en zijn hoogmoed is Nebukadnezar tot een metgezel en gelijke der dieren geworden, werd Herodes tot een prooi der wormen gemaakt, en Babylon, dat gezeten was als een koningin, werd de smaad der natiën. De trotse priesters heeft God verachtelijk en onwaardig gemaakt, Maleachi 2:9, en den profeet, die valsheid leert, heeft Hij de staart doen worden, Jesaja 9:14. Maar indien er op de hovaardigen al gene merktekenen der vernedering gezet worden in deze wereld, dan zal toch de dag komen, wanneer zij tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing zullen ontwaken, Daniël 12:2, zo overvloedig vergeldt de Heere degenen, die hoogmoed bedrijft! Psalm 31:24.
Ten tweede. De bevordering, weggelegd voor de nederigen. Wie zich zelven zal vernederen, die zal verhoogd worden, Nederigheid is het versiersel, dat kostelijk is voor God. In deze wereld hebben de nederigen de eer van welaangenaam te zijn aan den heiligen God, en geacht te zijn door wijze en vrome mensen, bekwaam gemaakt te zijn voor, en ook dikwijls geroepen te worden tot, de meest-eervolle bedieningen, want eer is gelijk de schaduw, die vliedt voor hen, die haar najagen en haar willen grijpen, maar hen daarentegen volgt, die voor haar vlieden. In de andere wereld echter zullen zij, die zich met berouw over hun zonden en in gehoorzaamheid aan God en inschikkelijkheid jegens hun broederen hebben verootmoedigd, verhoogd worden om den troon der ere te verwerven, en niet alleen erkend maar ook gekroond worden ten overstaan van engelen en van mensen.