1 Corinthiërs 4:14-16
Hier beroept Paulus zich op hun betrekking tot hem als hun vader. Hij zegt hun:
1. Hij heeft hun geen verwijten maar vermaningen geschreven, niet met den gal van een vijand maar met de ontfermingen van een vader. Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u, vers 14. Bij het bestraffen der zonden moeten we zeer teder handelen ten opzichte van den goeden naam en de hervorming van den zondaar. Wij moeten zoveel in ons is trachten onderscheid te maken tussen hem en zijne zonden, en zorg dragen dat we geen wrok tegen hem tonen, of hem aan den wrevel en het verwijt der wereld blootstellen. Verwijten, die het laatste doen, verbitteren slechts, terwijl vriendelijke en tedere vermaningen beterschap kunnen brengen. Wanneer de ontfermingen van een vader verenigd zijn met de vermaningen van een dienaar, bestaat er hoop dat die ineensmelten en zacht zijn zullen, maar wie geselt als een vijand of als een beul zal slechts tot tegenstand drijven en onwilligheid kweken. Iemand blootstelen aan openlijke beschaming is het beste middel om hem schaamteloos te maken.
2. Hij toont hun op welke gronden hij aanspraak maakt op zijn vaderlijke rechten en hen zijn kinderen noemt. Zij mogen vele leermeesters en onderwijzers gehad hebben, maar hij was hun vader. Want in Christus Jezus had hij hen door het Evangelie geteeld, vers 15. Door zijn dienst waren zij Christenen geworden. Hij had het fondament ener gemeente onder hen gelegd. Anderen konden daarop slechts gebouwd hebben. Welke andere leraars ze ook hadden, hij was hun geestelijke vader. Hij eerst bracht hen van heidenen en afgoderij tot het geloof des Evangelies en de verering van den waren levenden God. Hij was het werktuig hunner nieuwe geboorte, en daarom maakte hij aanspraak op de betrekking van een vader tot hen en voelde de ingewanden eens vaders voor hen. Merk op: Daar is gewoonlijk, en behoort altijd te zijn, de innigste betrekking tussen getrouwe dienaren en hen, die zij door het Evangelie in Christus Jezus geteeld hebben. Zij moeten elkaar liefde bewijzen als ouders en kinderen.
3. Hier hebben we hetgeen, waarop hij vooral bij hen aandringt: Zo vermaan ik u dan, zijt mijne navolgers, vers 16. Later legt hij dit uit en beperkt het, Hoofdstuk 11:1. Weest mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus. Volgt mij voorzover ik Christus volg. Komt zo dicht mogelijk achter mijn voorbeeld aan in al die dingen, waarin ik mij beijver Zijne voetstappen te drukken. Weest mijne discipelen zover ik mij betoon een getrouw dienaar en discipel van Christus te zijn. Maar niet verder! Ik wil niet dat ge mijne discipelen zijt, doch de Zijne. Maar ik hoop dat ik mij een getrouw uitdeler van de verborgenheden van Christus en een getrouw dienaar van mijn meester Christus betoond heb, en volgt mij zover en treedt in mijne voetstappen. Dienaren behoren zo te leven dat de mensen in hun voetstappen treden kunnen en hun voorbeeld navolgen. Zij behoren hun gidsen te zijn door hun leven zowel als door hun woorden, hun voor te gaan op den weg ten hemel en zich niet tevreden te stellen met dien slechts aan te wijzen. Wanneer de leraren tot leidslieden gesteld zijn, moeten de anderen hen navolgen. Zij behoren hen te volgen zover ze overtuigd zijn, dat ze daardoor in leer en wandel Christus navolgen.