1 Corinthiërs 7:25-35
De apostel vat hier zijn betoog samen en geeft aanwijzing hoe met de maagden te handelen, waaromtrent wij het volgende opmerken:
I. De wijze, waarop hij het onderwerp inleidt: Aangaande de maagden nu heb ik geen bevel des Heeren. De Heere heeft mij geen uitdrukkelijke en algemene wet gegeven met betrekking tot den ongehuwden staat, maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere verkregen heb om getrouw te zijn, dat is, in het apostelschap. Hij handelt getrouw, en derhalve kan zijne leiding aangemerkt worden als een richtsnoer van Christus, want hij geeft zijn oordeel als getrouw apostel van Christus. Ofschoon Christus geen algemenen regel op dit punt gegeven heeft, toch geeft Hij leiding door een geïnspireerden apostel, een die genade van den Heere verkregen heeft om getrouw te zijn. Getrouwheid in de bediening is te danken aan de genade en barmhartigheid van Christus. Paulus was bereid om dat bij alle gelegenheden te erkennen: Ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is, 1 Corinthiërs 15:10. En dat is een grote genade van God voor hen, die getrouw in Zijn woord arbeiden, hetzij gewoon of buitengewoon.
II. De beslissing, waartoe hij komt, is dat met het oog op den nood der tijden, de ongehuwde staat verkieslijk is. Het is den mens goed alzo (ongehuwd) te zijn. Ik houd het er voor, zegt de apostel, het is mijne zienswijze. Dat is met bescheidenheid gezegd, maar desniettegenstaande met apostolisch gezag. Het is niet bloot de zienswijze van een mens, maar de besliste mening van den Geest Gods, die dus door een apostel spreekt. En het werd op die wijze gezegd om het te meer waarde te geven. Zij, die tegen den apostel vooringenomen waren, zouden dezen raad hebben kunnen verwerpen indien hij meer op den toon van gezag gegeven ware. Dienaren verliezen hun gezag niet door voorzichtige wijze van uitdrukking. Zij moeten allen alles worden, ten einde hun allen meer goed te kunnen doen. Het is goed, zegt hij, om den aanstaanden nood. Bij de stichting van hun godsdienst, werden de Christenen meedogenloos vervolgd. Hun vijanden waren zeer verbitterd tegen hen en behandelden hen met grote wreedheid. Zij stonden gedurig bloot aan de aanvallen en beledigingen van de vervolging. Dit in het oog houdend, was het niet raadzaam voor ongehuwde Christenen om van staat te veranderen. De gehuwde staat zou meer zorg en bekommering met zich brengen, zie vr. 33, 34, en dus de vervolging des te verschrikkelijker maken en hen minder instaat om die te verdragen. Christenen, hun gedrag regelend, moeten niet alleen letten op hetgeen in zichzelf geoorloofd is, maar ook op hetgeen voor hen voegzaam kan geacht worden.
III. Niettegenstaande hij tot dat besluit komt, is hij zeer zorgvuldig om hen te doen opmerken, dat hij het huwelijk in het algemeen niet afkeurt of ongepast acht. En daarom, ofschoon hij zegt: Zijt gij ongebonden van ene vrouw (dat is hetzij in den ongehuwden staat als vrijgezel of weduwnaar, hetzij maagd of weduwe) zoek geen vrouw (breng niet haastig verandering in uw toestand), voegt hij er bij: Zijt gij aan ene vrouw gebonden, zoek gene ontbinding. Dan is het uw plicht gehuwd te blijven en daarvan de voorwaarden te vervullen. En ofschoon dezulken, indien zij geroepen werden om vervolging te ondergaan, het buitengewoon moeilijk zouden hebben, toch moesten ze niet, om daaraan te ontkomen, de banden van hun plicht afwerpen of verbreken. De plicht moest vervuld worden, en de gevolgen aan God overgelaten. Maar verwaarlozing van onzen plicht is ons zelven aan de goddelijke bescherming onttrekken. Hij voegt er daarom bij: Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet, en indien ene maagd trouwt, zij zondigt niet, doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees. Trouwen op zichzelf is geen zonde, maar in dien tijd was het huwelijk iets, dat groot ongemak met zich brengen kon en aan de ijselijkheden van den toestand kon bijdragen, en daarom achtte hij het raadzaam en geschikt dat zij, die zich beheersen konden, er van zouden afzien. Maar hij voegt er bij dat hij den ongehuwden staat niet als een juk op hen leggen wilde, of door daarvan den schijn te krijgen hen in het net lokken wilde, en daarom zegt hij: Ik spaar ulieden. Hoe lijnrecht staan in dit opzicht de Roomse drogredenaars tegenover den apostel Paulus. Zij verbieden menigeen te huwelijken en verstrikken hen in de belofte van den ongehuwden staat, om `t even of ze het dragen kunnen of niet.
IV. Hij gebruikt deze gelegenheid om aan alle Christenen enige algemene regelen te geven, ten einde zich tegenover de wereld en alle wereldlijke dingen met heilige onverschilligheid te gedragen.
1. Ten opzichte van betrekkingen. Zij, die vrouwen hebben, moeten z n als niet hebbende, dat is, zij moeten het hart niet te veel hechten aan de genoegens van deze betrekking, ze moeten zijn alsof die niet bestonden. Zij weten niet hoe spoedig zij ze zullen verliezen. Deze raad moet toegepast worden op elke andere betrekking. Zij, die kinderen hebben, moeten zijn als niet hebbende. Zij zijn hun grootste genoegens, ze kunnen hun zwaarste kruis worden. En hoe spoedig kan de bloesem van dit genoegen afgesneden worden!
2. Ten opzichte van de droefenissen. Zij, die wenen, moeten zijn als niet wenende, dat is, wij mogen ons niet al te veel door onze beproevingen laten neerslaan, of ons dompelen in droefheid naar de wereld, maar temidden van al onze moeiten een heilige vreugde in God behouden, zodat zelfs in de smart ons hart verheugd is en het einde van ons verdriet blijdschap zijn kan. Des avonds is er geween, maar des morgens is er gejuich. Indien wij slechts ten hemel ingaan, zullen alle tranen ons van de ogen gewist worden, en het uitzicht daarop moet ons gematigd in onze smarten maken en onze tranen terughouden.
3. Ten opzichte van wereldse genietingen. Die blijde zijn, als niet blijde zijnde, dat is, zij moeten niet al te veel hechten aan de redenen van hun blijdschap. Zij moeten gematigd zijn in hun genot en zich los gevoelen van de genoegens, welke zij meest waarderen. Hier is de rust niet, en deze dingen zijn hun "deel" niet, en daarom moeten hun harten er niet aan gehecht zijn, en moeten zij er hun vrede en troost niet in zoeken.
4. Ten opzichte van wereldlijken handel en bezigheid. Die kopen als niet bezittende. Zij, die in handel voorspoedig zijn, in weelde toenemen en bezittingen verkrijgen, moeten deze zaken bezitten als niet bezittende. Die anders doen zetten hun harten op hetgeen niets is, Spreuken 23:5. Akkers kopen en ossen aanschaffen houdt de genodigde gasten van de bruiloft af, Lukas 14:18, 19. En indien ze de mensen niet ten enenmale verhinderen hun gedachten bij hun voornaamste belangen te bepalen, kunnen ze toch zeer veel er toe bijdragen om hen het ijverig najagen daarvan te doen verzuimen. Zij hebben den meesten kans van den prijs te verkrijgen, die van alle andere zorgen en beslommeringen hun zielen vrijhouden.
5. Ten opzichte van alle wereldse belangen. Die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende, vers 31. De wereld mag gebruikt, maar niet misbruikt worden. Zij wordt misbruikt indien ze niet gebruikt wordt tot de doeleinden, waartoe ze gegeven is, namelijk om God te eren en den mensen wèl te doen, -indien ze in plaats van olie in de raderen van onze gehoorzaamheid brandstof voor onze hartstochten gemaakt wordt, in plaats van onze dienares onze meesteres, en in onze genegenheden de plaats inneemt, welke alleen aan God toekomt. En er bestaat groot gevaar haar op al deze wijzen te misbruiken, indien wij er onze harten te veel op zetten. Wij mogen van deze wereld zoveel nemen als buiten ons hart blijven kan, en als we niet misbruiken zullen wanneer het in onze hand is.
V. Hij dringt dezen raad aan met twee redenen.
1. De tijd is kort. Wij hebben slechts weinig tijd om in de wereld te blijven, slechts korte gelegenheid om wereldse dingen te bezitten en te genieten. Het is bepaald een zeer kort tijdsverloop. `t Zal spoedig voorbij zijn. De tijd staat op het punt van opgenomen te worden in de eeuwigheid. Daarom moeten we ons hart niet hechten aan wereldse genietingen. Laat u niet door wereldse zorgen en beslommeringen bedwelmen. Bezit hetgeen ge spoedig zult moeten achterlaten, zonder te gedogen dat het u bezit. Waarom zult ge uw hart geven aan hetgeen waarvan ge eerlang afstand doen moet?
2. De gedaante dezer wereld gaat voorbij, vers 31, het kleed, de figuur, de verschijning dezer wereld gaat voorbij. Het is een dagelijks-veranderende gedaante. Het is een onophoudelijke vloed. Het is slechts de gedaante van een wereld. Alles in haar is schijn, geen werkelijkheid, het is afwisselende schijn bovendien en zal spoedig voorbij zijn. Welk een geschikte en krachtige bewijsgrond om het voorafgaand advies te sterken! Hoe dwaas is het zich te hechten aan afschijnsels, de veranderende en verdwijnende inbeeldingen van een droom! De mens wandelt als een beeld, Psalm 39:7, in een droombeeld, temidden van de ijdele en wisselende dingen. En zou hij dan zeer gehecht aan of zeer ontroerd zijn door zulk een toneel?
VI. Hij zet zijn algemenen raad kracht bij door hen te waarschuwen tegen de beslommeringen door wereldse zorgen veroorzaakt. En ik wil dat gij zonder bekommernissen zijt, vers 32. Inderdaad is zorgeloosheid een gebrek, een wijze behandeling van wereldlijke belangen is plicht, maar bezorgd, vol zorg te zijn, angstige en ontmoedigende zorg er over te hebben, is zonde. Alle zorg, die de ziel verontrust en haar afleidt van de verering van God, is kwaad, want we moeten den Heere aanhangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden, vers 35. De gehele ziel zal werkzaam zijn wanneer God aangebeden wordt. De aanbidding houdt op wanneer de ziel door iets anders afgeleid, of door vreemde zaken en overwegingen herwaarts en derwaarts getrokken wordt. Zij, die de Godsverering te leiden hebben, behoren daarop te letten en te maken dat ze geheel daarmee vervuld zijn. Maar hoe is dat mogelijk, wanneer de ziel geheel door aardse zorgen ingenomen wordt? Het is wijs van een Christen indien hij zijn uitwendige zaken zo regelt of zulk een beroep kiest, dat hij niet door de zorgen afgeleid wordt, zodat hij den Heere met een onbezorgd en rustig hart kan aanbidden. Dat is de algemene stelregel, waardoor de apostel de Corinthiërs wenst geregeerd te zien. De Christenen behoren geoefend te zijn in aanwending van dezen regel. Die levensstaat is voor iemand de beste, welke de beste is voor zijne ziel en hem het best buiten de zorgen en strikken dezer wereld houdt. Volgens dezen regel behandelt de apostel de vraag hem door Corinthiërs betreffende het huwelijk voorgelegd. Hij zegt ten opzichte daarvan: ter wille van de aanstaande verdrukkingen is het nu, in `t algemeen, terwijl Christenen met ongelovigen gehuwd zijn, en misschien genoodzaakt waren te huwen, verkieslijk zo mogelijk ongehuwd te blijven, teneinde zich vrij te houden van zorgen en moeilijkheden en meer gelegenheid te geven voor den dienst van God. In `t algemeen is `t waar: hoe minder wereldlijke zorgen we hebben, des te meer vrijheid voor den dienst van God. De gehuwde staat bracht toen-en brengt wellicht altijd-de meeste wereldlijke zorgen met zich. Die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen, vers 33. En de vrouw die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen. Maar de ongetrouwde man en vrouw denken aan de dingen des Heeren, hoe zij den Heere zullen behagen, en beide naar ziel en lichaam heilig zijn, vers 32-34. Niet alsof de gehuwde ook niet naar ziel en lichaam heilig kan zijn. De ongehuwde staat op zich zelve is niet reiner en heiliger dan het huwelijk, maar de ongehuwde is beter in de gelegenheid om den godsdienst tot zijn hoofdonderwerp te maken, want hij behoeft minder door de zorgen dezer wereld afgeleid te worden. Het huwelijk is de levensstand, die dergelijke zorgen meer dan andere met zich brengt. In dien staat moet de een steeds zorgen hoe hij den ander zal behagen, ofschoon dit in sommige tijden en gevallen moeilijker zijn zal dan in andere. Om deze reden raadt de apostel, dat zij die vrij zijn zich van het huwelijk onthouden zullen, indien ze niet door andere oorzaken genoodzaakt worden er toe over te gaan. En omdat dezelfde reden ook in andere tijden bestaat, is het goed steeds op dezen regel te letten. En dezelfde reden moet altijd over het huwelijk doen beslissen, dat is: het kan ook zijn dat de ongehuwde staat meer dan het huwelijk van den dienst van God aftrekt, hetgeen in meer dan een geval mogelijk is. Dat is de algemene regel, welken ieder in zijn eigen geval naar eigen beslissing toepassen moet, en daarnaar moet hij beoordelen of hij al dan niet trouwen zal. Die levensstaat moet gekozen worden, waarin de Christen den meesten kans op hulp en de minste hindernissen heeft in den dienst van God en de bevordering van zijn eigen zaligheid.