Mattheus 21:33-46
Door deze gelijkenis wordt de zonde en het verderf des Joodsen volks duidelijk voorgesteld. Zij en hun leidslieden zijn hier de landlieden, en wat gezegd is ter hunner overtuiging van schuld, wordt tevens gezegd tot vermaning aan allen, die in de voorrechten delen der zichtbare kerk, om niet hoog gevoelende te zijn, maar te vrezen.
I. Wij zien hier de voorrechten der Joodse kerk, voorgesteld door het verhuren van den wijngaard aan de landlieden. Zij waren als huurders of pachters, die den wijngaard van God, den groten Eigenaar, hadden ontvangen om hem onder Hem te houden en te bewaren. Merk op:
1. Hoe God zich ene kerk in de wereld heeft gevestigd. Het koninkrijk Gods op aarde wordt hier vergeleken bij een wijngaard, voorzien van al wat nodig is om hem te bebouwen en vruchtbaar te maken.
a. Hij heeft dien wijngaard geplant. De kerk is ene planting des Heeren, Jesaja 61:3. De formering ener kerk is een werk op zich zelven, evenals het planten van een wijngaard, dat heel veel kosten en zorg vereist. Het is de wijngaard, dien Zijne rechterhand geplant heeft, Psalm 80:16, beplant met edele wijnstokken, Jesaja 5:2, een edelen wijnstok, Jeremia 2:21. De aarde brengt doornen en distels voort uit zich zelve, maar wijnstokken moeten geplant worden. Het wezen der kerk is te danken aan Gods onderscheidende genade, en daaraan, dat Hij zich openbaart aan sommigen, en niet aan anderen.
b. Hij heeft hem omtuind. Gods kerk in de wereld staat onder Zijn bijzondere bescherming. Het is ene omtuining, zoals om Job, van rondom, Job 1:10, een vurige muur, Zacheria 2:5. Overal, waar God ene kerk heeft, is zij Zijn bijzondere zorg, en zal dit altijd wezen. Het verbond der besnijdenis en de ceremoniële wet waren ene omtuining of muur des afscheidsels rondom de Joodse kerk, welke door Christus verbroken of weggenomen is, maar Hij heeft ene Evangelieordening en tucht als omtuining Zijner kerk gesteld. Hij wil niet dat Zijn wijngaard bloot ligt, zodat zij, die buiten zijn, er naar hun believen in kunnen komen, of zij, die er in zijn, er naast hun lust uit kunnen gaan, neen, er is zorg gedragen om dezen heiligen berg te omperken.
c. Hij groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren. Het brandofferaltaar was de wijnpersbak, waarheen al de offeranden gebracht werden. God heeft inzettingen vastgesteld in Zijne kerk tot behoorlijk opzicht er over, en ter bevordering harer vruchtbaarheid. Wat meer zou gedaan hebben kunnen worden, om haar in elk opzicht goed en gerieflijk te maken?
2. Hoe Hij deze zichtbare kerkvoorrechten heeft toevertrouwd aan het volk der Joden, inzonderheid aan hun overpriesters en ouderlingen. Hij heeft hem hun verhuurd als landlieden, niet omdat Hij hen nodig had, zoals grondeigenaars pachters nodig hebben, maar omdat Hij hen wilde op de proef stellen, en door hen geëerd wilde zijn. Toen God in Juda bekend was, en Zijn naam groot was in Israël, toen zij genomen werden, om God te zijn tot een volk, en tot een naam en tot lof, Jeremia 13:11, toen Hij Jakob Zijne woorden bekend maakte, Psalm 147:19, toen Zijn verbond van leven en vrede met Levi was, Maleachi 2:4, 5, toen is Zijn wijngaard verhuurd geworden. Zie een uittreksel uit het contract in Hooglied 8:11, 12. De Heer des wijngaards moest duizend zilverlingen hebben, Jesaja 7:23, de voornaamste winst was voor Hem, maar de hoeders moesten twee honderd hebben, een genoegzame en zeer troostrijke aanmoediging. En toen reisde hij buitenslands. Nadat God de Joodse kerk op den berg Sinaï geplant had, heeft Hij zich in zekeren zin teruggetrokken, zij hadden toen niet meer zulke openbare gezichten, maar alleen het geschreven woord. Of, zij verbeeldden zich, dat Hij buitenslands gereisd was, gelijk Israël, toen zij zich het gouden kalf maakten, dacht dat Mozes weggegaan was. Zij hebben den bozen dag verre van zich gedacht.
II. Gods verwachting van huur van deze landlieden te zullen ontvangen, vers 34. Het was een billijke verwachting, want wie plant een wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? Naar verhouding dat leraren en gemeente van de voorrechten der kerk genieten, verwacht God vrucht van hen.
1. Hij was niet haastig in zijne verwachtingen, hij verlangde geen voorlopige huur, hoewel hij zulke grote onkosten had gedaan, maar wachtte tot de tijd der vruchten genaakte, en nu Johannes predikte, dat het koninkrijk Gods nabij was gekomen, was die tijd aangebroken. God wacht om genadig te zijn, teneinde ons tijd te geven.
2. Zij waren niet nabij: Hij verwachtte niet, dat zij op hun eigen risico zouden komen op straffe van anders hun pacht te verbeuren, maar Hij zond Zijne dienstknechten tot hen, om hen aan hun plicht te herinneren, en aan den betaaldag der huur, en om hen te helpen bij het inhalen der vruchten. Deze dienstknechten waren de profeten van het Oude Testament, die gezonden werden tot het volk der Joden, om hen te bestraffen en te onderwijzen.
3. Zij waren niet hard, het was slechts om de vruchten te ontvangen. Hij eiste niet meer dan zij konden opbrengen, slechts enige van de vruchten, die Hij geplant had-een waarnemen van de wetten en inzettingen, die Hij hun gegeven had. Wat zou er gedaan kunnen worden, dat redelijker of billijker is? Israël was een uitgeledigde wijnstok, ja het was een ontaarde plant geworden van een vreemden wijnstok, en bracht stinkende druiven voort.
III. De slechtheid der landlieden in het mishandelen der boden, die tot hen gezonden waren.
1. Toen Hij hun Zijne dienstknechten zond, mishandelden zij hen, hoewel zij de vertegenwoordigers waren van den Meester zelven, en in Zijn naam hebben gesproken. De roepstemmen en bestraffingen des woords zullen, indien zij de mensen niet winnen en vertederen, hen slechts verharden en verbitteren. Zie hier, wat steeds min of meer het lot is geweest van Gods getrouwe boden,
a. Te lijden: alzo hebben zij vervolgd de profeten, die gehaat werden met een zeer wreden haat. Zij hebben hen niet slechts veracht en gesmaad, maar hen behandeld alsof zij de ergste misdadigers waren-zij hebben hen geslagen, gestenigd en gedood. Zij sloegen Jeremia, doodden Jesaja, stenigden Zacharia, den zoon van Jojada in het voorhof van het huis des Heeren. Indien zij, die zelven Godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, vervolgd zullen worden, hoeveel te meer dan niet zij, die ook anderen hiertoe aansporen. Het was vanouds Gods twistzaak met de Joden, dat zij Zijne profeten hebben mishandeld, 2 Kronieken 36:16.
b. Het is hun lot geweest, om die vervolging te lijden van de eigen huurders van hun Meester, dezen waren de landlieden, die hen aldus hebben behandeld, de overpriesters en ouderlingen, die gezeten waren op den stoel van Mozes en den Godsdienst beleden, dezen waren de bitterste vijanden van de profeten des Heeren, die hen uitwierpen en doodden, en zeiden: Dat de Heere heerlijk worde, Jesaja 66:5, Jeremia 20:1, 2, 26:11. Zie nu:
a. Hoe God in Zijne goedheid jegens hen volhardde. Hij zond andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, hoewel de eersten niet slaagden maar mishandeld werden. Hij zond hun Johannes de Doper, hem hebben zij onthoofd, en toen zond Hij hun Zijne discipelen, om den weg voor Hem te bereiden. O welk een rijkdom van geduld en lankmoedigheid Gods is het, dat Hij de Evangeliebediening in Zijne kerk, hoe ook veracht en vervolgd, toch laat voortbestaan.
b. Hoe zij volhardden in hun boosheid. Zij deden hun desgelijks. De ene zonde baant den weg tot een andere zonde van dezelfde soort. Zij, die dronken zijn van het bloed der heiligen, doen den dronkene tot den dorstige en roepen steeds: Geef, geef.
2. Ten laatste zond Hij tot hen Zijn Zoon. Wij hebben Gods goedheid gezien in het zenden, en hun slechtheid in het mishandelen, van Zijne dienstknechten, maar nu worden ten laatste èn Gods goedheid èn hun slechtheid nog overtroffen.
a. Nooit is lieflijker genade betoond dan in de zending van den Zoon. Dit geschiedde het laatst. Al de profeten waren voorboden en voorlopers van Christus. Hij was het laatst gezonden, want, indien niets anders een goede uitwerking op hen teweeg zou brengen, dan zou dit toch voorzeker wèl hierdoor geschieden, daarom werd dit tot het laatst bewaard, als laatste hulpmiddel. Zij zullen Mijn Zoon ontzien, en daarom zal Ik Hem zenden. Het kon redelijkerwijs verwacht worden, dat de Zone Gods, toen Hij onder hen verscheen, ontzien zou worden, en ontzag voor Christus zal een krachtig beginsel zijn van vruchtbaarheid en gehoorzaamheid tot eer van God, indien zij slechts den Zoon eren, is alles gewonnen. Zij zullen Mijn Zoon ontzien, want Hij komt met meer gezag bekleed dan waarmee de dienstknechten konden komen, aan Hem is het oordeel overgegeven, opdat allen Hem zouden eren. Er is groter gevaar in Hem af te wijzen, dan in de wet van Mozes te verachten.
b. Nooit is zonde meer zondig gebleken dan in de mishandeling van Hem, en die zou nu binnen twee of drie dagen plaatshebben. Merk op: hoe zij beraamd werd, vers 38, Den Zoon ziende. Toen Hij kwam, dien het volk erkende en volgde als den Messias, die of de huur betaald wilde hebben, of gerechtelijk beslag zou leggen. Dit bracht hun erfpacht in gevaar, en toen besloten zij er een stout stuk voor te wagen, in het bezit te blijven van hun rijkdom en hun aanzien, door Hem uit den weg te ruimen, die er de enige hinderpaal voor was. Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, Pilatus en Herodes, de vorsten dezer wereld, wisten niet wat zij deden, want indien zij het geweten hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben, 1 Corinthiërs 2:8. Maar de overpriesters en ouderlingen wisten, dat deze de erfgenaam was, tenminste sommigen van hen, en daarom: Komt, laat ons hem doden. Velen worden gedood om hetgeen zij hebben. Het voornaamste waarom zij afgunstig op Hem waren, en waarom zij Hem haatten en vreesden, was Zijn invloed op het volk, en hun hosanna's, die, zo Hij slechts uit den weg was, zij voor zich zelven dachten te verwerven. Zij gaven voor, dat Hij moest sterven, teneinde het volk te redden van de Romeinen, Johannes 11:48, 50, maar in werkelijkheid moet Hij sterven om hun geveinsdheid en tirannie te behoeden voor de hervorming, die het verwachte koninkrijk van den Messias ongetwijfeld teweeg zou brengen. Hij drijft de kopers en verkopers uit den tempel, daarom: Laat ons Hem doden, en dan zullen wij zijne erfenis aan ons behouden. Als zij zich slechts van Jezus konden ontdoen, dachten zij vrij spel te hebben om dan alles te doen wat zij wilden in de kerk, alle overleveringen en inzettingen der ouden in stand te kunnen houden en het volk naar hun welgevallen tot onderwerping te kunnen dwingen. Aldus beraadslagen zij tezamen tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde, maar die in den hemel woont zal lachen, als Hij ziet, hoe zij hun doel voorbij schieten, want, daar zij dachten Hem te doden en dan bezit te nemen van Zijne erfenis, ging Hij door Zijn kruis naar Zijne kroon, en zij werden verpletterd met een ijzeren scepter, en hun erfenis werd in bezit genomen, Psalm 2:2, 3, 6, 9. Hoe dit complot werd ten uitvoer gebracht, vers 39. Daar zij het er zo op toelegden Hem te doden ter verzekering van hun eigen grootheid en macht, en Hij zozeer begeerde te sterven ingevolge Zijn voornemen om Satan ten onder te brengen en Zijne uitverkorenen te behouden, was het geen wonder, dat zij Hem weldra namen en doodden, toen Zijne ure was gekomen. Hoewel de Romeinse macht Hem veroordeelde, ligt het toch ten laste van de overpriesters en ouderlingen, want zij waren niet slechts de vervolgers en aanklagers, maar de voornaamste werktuigen om den gruwel te volvoeren, en hadden dus grotere zonde.
Dezen. hebt gij genomen, Handelingen 2:23. Hem beschouwende als onwaardig om te leven, wierpen zij Hem buiten den wijngaard, buiten de heilige kerk, waarvan zij waanden den sleutel te hebben, buiten de heilige stad, want Hij werd gekruist buiten de poort, Hebreeën 13:12, alsof Hij de schande en smaad was, die de heerlijkheid was van het volk Israël. Aldus hebben zij, die de dienstknechten vervolgden, den Zoon vervolgd, gelijk de mensen Gods dienstknechten behandelen, zo zouden zij Christus zelven behandelen, indien Hij in hun midden was.
IV. Hier is hun oordeel, gehoord uit hun eigen mond, vers 40, 41. Hij vraagt het hun zelven: Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen? Hij legt hun de zaak voor om hen des te meer te overtuigen, opdat zij, het recht Gods wetende tegen degenen, die zulke dingen doen, des te mind er te verontschuldigen zouden zijn. Gods handelingen zijn zo onwraakbaar, dat men slechts een beroep op de zondaren zelven behoeft te doen, om er het rechtvaardige en billijke van in te zien. God zal gerechtvaardigd worden in Zijn spreken. Zij konden geredelijk antwoorden. Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen. Velen kunnen gemakkelijk de treurige gevolgen voorspellen van de zonden van anderen, die niet willen zien wat het einde van hun eigen zonden zal zijn.
1. In deze vraag veronderstelt de Heiland dat de heer van den wijngaard komen zal om met hen af te rekenen. God is de heer van den wijngaard, de bezitting is Zijne, en Hij zal dit hun doen weten, die thans heerschappij voeren over Zijn erfdeel, alsof het alles hun toebehoorde. De Heer van den wijngaard zal komen. In hun hart zeggen de vervolgers: Hij vertoeft te komen, Hij ziet niet, Hij zal het niet eisen, maar, hoewel Hij hen lang verdraagt, zullen zij bevinden dat Hij hen niet altijd zal verdragen. Voor mishandelde heiligen en leraren is het troostrijk, dat de Heere nabij is, de Rechter staat voor de deur. Als Hij komt, wat zal Hij den vleselijken belijders doen? Wat zal Hij den wreden vervolgers doen? Zij moeten ter verantwoording worden geroepen, thans hebben zij hun dag, maar Hij ziet, dat Zijn dag komt.
2. In hun antwoord gaan zij uit van de veronderstelling, dat het een schrikkelijke afrekening zal zijn. De misdaad blijkt zo zwart, dat gij er zeker van kunt zijn:
a. Dat Hij deze bozen zal verderven, hun oordeel is verderf. Laat de mensen nooit verwachten kwaad te doen en wel te varen. Dit werd vervuld aan de Joden in het ontzettend verderf, dat over hen gebracht werd door de Romeinen ongeveer veertig jaren na dit tijdstip, een weergaloos verderf onder de treurigst denkbare omstandigheden. Het zal vervuld worden aan allen, die in de voetstappen treden van hun goddeloosheid. De hel is een eeuwig verderf, en het zal een ontzettend verderf zijn voor allen, die het meest genoten hebben van de voorrechten der kerk, zonder er enig nut uit te hebben afgeleid voor hun ziel. Het heetste vuur der hel zal het deel wezen van geveinsden en vervolgers.
b. Hij zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren. God zal ene kerk in de wereld hebben in weerwil van de onwaardigheid en den tegenstand van velen, die er de voorrechten van misbruiken. Het ongeloof en de eigenzinnigheid van den mens zullen het woord Gods niet krachteloos maken. Indien de een niet wil, zal de ander willen. Wat de Joden overlieten was een feestmaal voor de heidenen. De vervolgers kunnen wel de leraren doden, maar de kerk niet vernietigen. De Joden verbeeldden zich, dat zij ongetwijfeld het volk waren, en dat met hen wijsheid en heiligheid te gronde moesten gaan. Indien zij afgesneden werden, hoe zou God dan ene kerk in de wereld hebben? Maar als God mensen gebruikt om Zijn naam hoog te houden, dan is het niet omdat Hij hen nodig heeft, en evenmin is Hij hun iets verplicht. Indien wij tot ene verwoesting en ene aanfluiting gesteld werden, zou God op onze puinhopen een andere kerk kunnen doen opbloeien, want Hij is nooit verlegen, wat Hij Zijn groten naam doen zal, wat er ook van ons, van ons volk en onze plaats moge worden.
V. De verdere toelichting en toepassing hiervan door Christus zelf, hun zeggende, dat zij recht geoordeeld hadden.
1. Hij licht dit toe door te verwijzen naar ene Schriftuurplaats, die hierdoor in vervulling kwam, vers 42, Hebt gij nooit gelezen in de Schriften? Ja, ongetwijfeld hebben zij die plaats dikwijls gelezen en gezongen, maar er nooit over nagedacht. Door gebrek aan nadenken ontgaat ons het nut van hetgeen wij lezen. De plaats door Hem aangehaald is Psalm 118:22, 23, het context, waaraan de kinderen hun hosanna's ontleenden. Hetzelfde woord biedt aan Christus' vrienden en volgelingen stof tot lof en vertroosting, dat van schrik en veroordeling spreekt voor Zijne vijanden. Zulk een tweesnijdend zwaard is het woord van God. Die Schriftuurplaats: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, is ene verklaring van de voorgaande gelijkenis, inzonderheid van dat deel er van, dat betrekking heeft op Christus.
a. Het verwerpen van den steen door de bouwlieden is hetzelfde als der landlieden mishandeling van den Zoon, die hun gezonden was. De overpriesters en de ouderlingen waren de bouwlieden, zij hadden het opzicht over de Joodse kerk, die Gods gebouw was, zij wilden aan Christus gene plaats toestaan in hun gebouw, wilden Zijne leer en Zijne wetten niet opnemen in hun staatsregeling, zij wierpen Hem op zijde als een veracht, gebroken vat, een steen, die slechts geschikt was om vertreden te worden.
b. Het stellen van dien steen tot hoeksteen is hetzelfde, als het verhuren van den wijngaard aan andere landlieden. Hij, die verworpen werd door de Joden, werd omhelsd en aangenomen door de heidenen, en voor die kerk, waarin geen verschil is tussen besnijdenis en voorhuid, is Christus alles in allen. Zijn gezag over de Evangeliekerk, Zijn invloed op haar, Zijn besturen van haar als haar Hoofd, Zijne samenvoeging van haar als de hoeksteen, zijn de grote tekenen van Zijne verhoging. In weerwil dus van de boosaardigheid der overpriesters en ouderlingen, is Hem een deel gegeven van velen, en ontving Hij Zijn koninkrijk, hoewel zij niet wilden, dat Hij over hen zou heersen. c. De hand van God in dat alles. Van den Heere is dit geschied. Zelfs Zijne verwerping door de Joodse bouwlieden was door den bepaalden raad en voorkennis Gods, Hij heeft het toegelaten en bestuurd, en zoveel te meer nog was dit het geval met Zijn worden tot een hoofd des hoeks, Zijne rechterhand en Zijn heilige arm hebben dit gewrocht. Het was God zelf, die Hem uitermate heeft verhoogd, en Hem een naam heeft gegeven, welke boven allen naam is, en het is wonderlijk in onze ogen. De goddeloosheid der Joden, die Hem verwierpen, is wonderlijk, hoe mensen zo tegen hun eigen belangen in bevooroordeeld kunnen zijn. Zie Jesaja 29:9, 10, 14. De eer, welke Hem bewezen wordt door de heidenwereld, niettegenstaande de mishandeling, Hem aangedaan door Zijn eigen volk, is wonderlijk, dat Hij, die veracht en verafschuwd werd door de mensen, aangebeden zou worden door koningen, Jesaja 49:7. Maar van den Heere is het geschied.
2. Hij past dit toe op hen, en toepassing is de ziel der prediking.
a. Hij past het oordeel toe, dat zij hadden uitgesproken, vers 41, en wel op hen zelven, niet het eerste gedeelte er van betreffende den kwaden dood der landlieden (Hij kon het niet dragen daarvan te spreken) maar het laatste gedeelte, het verhuren van den wijngaard aan andere landlieden, want schoon dit zeer treurig was voor de Joden, was het heerlijk voor de heidenen. Weet dan, dat den Joden de kerk ontnomen zal worden, Het koninkrijk Gods zal van u weggenomen worden. Dit wegzenden van de landlieden is hetzelfde oordeel als de ontmanteling van den wijngaard om hem bloot te leggen, Jesaja 5:5. Der Joden was gedurende langen tijd de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid, Romeinen 9:4. Hun waren de woorden Gods toebetrouwd , Romeinen 3:2, en het heilige pand van den geopenbaarden Godsdienst, en het hoog houden van Gods naam in de wereld, Psalm 76:2, 3, maar dit zal niet langer zo zijn. Zij waren niet slechts onvruchtbaar in het gebruik van hun voorrechten, maar onder voorwendsel daarvan hebben zij het Evangelie van Christus tegengestaan, en ze zodoende verbeurd, en eerlang zou dit blijken. Het is een rechtvaardige zaak, als God kerkelijke voorrechten ontneemt aan hen, die er niet alleen tegen zondigen, maar ook er mede zondigen, Openbaring 2:4, 5. Het koninkrijk Gods werd van de Joden weggenomen, niet slechts door het tijdelijk oordeel, dat over hen kwam, maar door de geestelijke oordelen, onder welke zij waren, hun verblindheid, hunne hardheid van hart, hun toorn tegen het Evangelie, Romeinen 11:8 -10 , 1 Thessalonicenzen 2:15. Dat de heidenen toegelaten zullen worden. God behoeft ons niet om verlof te vragen, of Hij ene kerk in de wereld zal hebben, als Zijn wijnstok in de ene plaats uitgerukt wordt, dan zal Hij een andere plaats vinden om hem er in te planten. Hij zal het een volk geven, dat zijne vruchten voortbrengt. Zij, die geen volk zijn geweest en niet ontfermd waren, zijn de gunstgenoten des hemels geworden. Dat was de verborgenheid, waarvan Paulus sprak, Romeinen 11:30, 33, en waardoor de Joden zich zo beledigd achtten, Handelingen 22:21, 22. Bij de eerste planting van Israël in Kanaän was de val der heidenen de rijkdom van Israël, Psalm 135:10, 11, en zo was bij hun ontworteling de val van Israël de rijkdom der heidenen, Romeinen 11:12. Het zal gaan tot een volk, dat zijne vruchten voortbrengt. Christus weet van tevoren wie Evangelievruchten voort zal brengen in het gebruik van Evangeliemiddelen, want onze vruchtbaarheid is gans en al het werk Zijner handen, en Gode zijn al Zijne werken bekend. Zij zullen vruchten voortbrengen beter dan de Joden dit gedaan hebben, God heeft meer heerlijkheid ontvangen van de Nieuw Testamentische kerk dan van de Oud Testamentische, want als Hij verandering brengt in Zijne beschikking, verliest Hij er niet bij. De Schriftuurplaats, die Hij heeft aangehaald, vers 42, past Hij toe ter hunner verschrikking, vers 44. Deze steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is gezet tot een val van velen in Israël, en wij hebben hier het oordeel van twee soorten van mensen, tot wier val Christus blijkt te zijn gezet. Sommigen ergeren zich door onwetendheid aan Christus in Zijn staat van vernedering. Als deze steen op den grond ligt, waar de bouwlieden hem geworpen hebben, vallen zij er in hun blindheid en zorgeloosheid over, en worden verpletterd. Hun geërgerd zijn aan Christus zal Hem niet schaden, evenmin als de persoon, die over een steen struikelt en valt, den steen kwetst, maar het zal hen zelven schaden, zij zullen vallen en verpletterd en verstrikt worden, Jesaja 8:14, 1 Petrus 2:7, 8. Het ongeloof der zondaars zal hun verderf zijn. Er zijn anderen, die Christus tegenstaan uit boosaardigheid, Hem weerstaan in Zijn staat van verhoging, als deze steen tot een hoofd des hoeks is geworden, op hen zal Hij vallen, en wel door hun eigen toedoen, zoals de Joden door den uitroep: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen, en Hij zal hen vermorzelen. De eersten schijnen de zonde en het verderf aan te duiden van alle ongelovigen, deze is de grotere zonde en het zwaardere verderf van vervolgers, die de verzenen tegen de prikkels slaan, en daarin volharden. Christus' koninkrijk zal een zware steen zijn voor allen, die pogen het omver te werpen, of uit zijne plaats te rukken. Zacheria 12:3. Deze steen, zonder handen van den berg afgehouwen, zal elke macht die tegenstaat verpletteren, Daniël 2:34, 35. Sommigen beschouwen dit als ene toespeling op de wijze van terdoodbrenging door stenigen, bij de Joden in gebruik. De boosdoeners werden eerst met geweld van een hoge stelling op een groten steen geworpen, die hen zeer kneusde, maar daarna wierpen zij een groten steen op hen, die hen verpletterde. Hoe dit zij, op deze of op gene wijze zal Christus hen ten enenmale verdoen, die tegen Hem strijden. Indien zij zo sterk zijn, dat zij niet verpletterd zijn door op dezen steen te vallen, dan zal de steen toch op hen vallen en hen verpletteren. Hij zal koningen verslaan, Hij zal het vol dode lichamen maken, Psalm 110:5, 6. Niemand heeft ooit zijn hart verhard tegen God en voorspoed gehad. Eindelijk, Het onthaal, dat deze rede van Christus vond bij de overpriesters en ouderlingen, die Zijne gelijkenissen hebben gehoord.
1. Zij verstonden, dat Hij van hen sprak, vers 45, en dat zij in hetgeen zij gezegd hadden, vers 41, hun eigen vonnis hadden uitgesproken. Voor een schuldig geweten is geen aanklager nodig, en soms zal het den leraar de moeite besparen van te zeggen: Gij zijt die man. Verander slechts den naam, en het is uwe geschiedenis, die verhaald wordt. Zo levend en krachtig is het woord Gods, en zulk een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten, dat het voor slechte mensen (indien hun geweten niet gans toegeschroeid is) gemakkelijk is te bemerken, dat het van hen spreekt.
2. Zij zochten Hem te vangen. Als zij, die de bestraffing des woords horen, bemerken dat het van hen spreekt, zal dit hun, zo het hun niet zeer veel goeds doet, zeer veel kwaad doen. Indien zij niet verslagen in het hart worden door overtuiging van zonde en berouw, zoals zij, van wie gesproken wordt in Handelingen 2:37, dan zal hun het hart barsten van toorn en woede, zoals aan hen, van wie wij lezen in Handelingen 5:33.
3. Zij durfden het niet, uit vreze voor de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet, hoewel niet voor den Messias, dit hield de Farizeeën in bedwang. De vrees voor het volk weerhield hen om kwaad te spreken van Johannes, vers 29, en hier om kwaad te doen aan Christus. God heeft velerlei middelen om het overblijfsel der grimmigheden op te binden, en de grimmigheid, die tot uitbarsting komt, zal Hem loffelijk maken, Psalm 76:11.