Hooglied 8:8-12
Christus en Zijn bruid genoegzaam hun liefde voor elkaar bevestigd hebbende, en het er over eens zijnde dat zij aan beide zijden sterk is als de dood en onaantastbaar, beraadslagen nu tezamen, als liefhebbende man en vrouw, over hun zaken, en overwegen wat zij zullen doen. Man en vrouw, die hun hart aan elkaar verbonden hebben, bedenken tezamen hoe te handelen met hun betrekkingen en met hun bezittingen, en dienovereenkomstig beraadslagen deze twee gelukkigen hier met elkaar over een zuster en over een wijngaard.
I. Zij beraadslagen hier over hun zuster, hun kleine zuster, en hoe over haar te beschikken.
1. De bruid stelt haar zaak voor met tere medelijdende zorg, vers 8. Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft, zij is nog niet volwassen, wat zullen wij onze zuster doen in die dag als men van haar spreken zal, zodat wij wèl voor haar zullen doen?
A. Dit kan verstaan worden als gesproken door de Joodse kerk betreffende de heidenwereld. God had zich de Joodse kerk ondertrouwd, en zij was rijk begiftigd, maar wat zal er worden van de arme heidenen, de onvruchtbare, die niet had gebaard en de eenzame Jesaja 54:1. Hun toestand (zeggen de vrome Joden) is zeer droevig, zij zijn zusters, kinderen van dezelfde vaders, God en Adam, maar zij zijn klein, omdat zij niet geëerd zijn niet de kennis van God, zij hebben geen borsten, geen goddelijke openbaring, geen Schriften, geen leraren, geen borsten van vertroosting, die hun aangeboden worden, waaraan zij zouden kunnen zuigen, daar zij vreemdelingen zijn voor hei verbond van de belofte, zelf geen borsten van onderricht hebbende om hun kinderen te geven ten einde hen op te kweken, I Petrus 2:2. Wat zullen wij voor hen doen? Wij kunnen hen slechts beklagen, en voor hen bidden, Heer, wat zult Gij voor hen doen? De heiligen in Salomo's tijd konden uit Davids psalmen weten dat God genade voor hen had weggelegd, en zij baden dat zij verhaast zou worden voor hen. Thans zijn de tijden veranderd, de heidenen zijn Christus ondertrouwd, en zij behoren de vriendelijkheid te vergelden door eenzelfde verlangen naar de wederbrenging van de Joden, onze oudste zuster, die eens borsten had, maar er nu geen heeft. Als wij het in die zin opvatten, dan hebben de ongelovige nakomelingen van deze vrome Joden dit gebed van hun vaderen weersproken, want toen de dag kwam, wanneer van, of voor, de heidenen gesproken zou worden en deze tot Christus gebracht, hebben zij, in plaats van te bedenken wat zij voor hen konden doen, gekomplotteerd om alles wat zij konden tegen hen te doen, hetgeen de maat van hun ongerechtigheid vol heeft doen worden, I Thessalonicenzen 2:16. Of,
B. Het kan toegepast worden op alle anderen die tot de verkiezing van de genade behoren, maar nog niet geroepen zijn zij zijn van verre verwant aan Christus en fijne kerk, en zusters van beide, andere schapen, die van deze stal niet zijn, Johannes 10:16. Zij hebben geen borsten, zijn nog niet vast geworden, Ezechiël 16:7, hebben geen genegenheid voor Christus, geen beginsel van genade. De dag zal komen wanneer voor hen gesproken zal worden, wanneer de uitverkorenen zullen worden geroepen, tot Christus zullen worden gelokt door de evangeliedienaren, de vrienden van de bruidegom. Dat zal een heerlijke dag zijn, een dag van bezoeking. Wat zullen wij doen in deze dag om het huwelijk te bevorderen, hun schuwheid te overwinnen en hen te bewegen om Christus aan te nemen en zich als reine maagden aan Hem voor te stellen? Zij, die door genade zelf tot Christus zijn gebracht, moeten bedenken wet zij kunnen doen om ook anderen tot Hem te brengen, het grote doel te bevorderen van het evangelie, hetwelk is zielen aan Christus te ondertrouwen, en zondaars te bekeren lot Hem, van wie zij waren afgeweken. 2. Christus beslist spoedig wat te doen in dit geval, en Zijn bruid stemt met Hem in vers 9. Zo zij een muur is, indien het goede werk eens begonnen is met de heidenen, met de zielen, die binnengeroepen moeten worden indien de kleine zuster, als voor haar gesproken zal worden door het evangelie, het woord slechts wil aannemen, en zich wil opbouwen op Christus, het fundament en haar handelingen wil richten tot de Heer, zoals de muur tot het huis, dan zullen wij een paleis van zilver op haar bouwen, of haar opbouwen tot zo'n paleis, wij zullen het goede werk dat begonnen is voortzetten, totdat het een paleis wordt, de muur van steen een paleis van zilver, dat meer is dan hetgeen waarop keizer Augustus zich beroemde, namelijk dat hij wat hij als tichelsteen vond als marmer heeft gelaten. Deze kleine zuster zal, als zij eens verbonden is met de Heer, tot een heilige tempel opgroeien, een woonstede Gods in de Geest, Efeziers 2:21, 22. Zo zij een deur is, als dit paleis voltooid zal zijn, en de deuren van deze muur opgericht zullen wezen, hetgeen het laatst gedaan werd Nehemia 7:1, dan zullen wij haar rondom bezetten met cederen planken, wij zullen haar zorgvuldig en krachtdadig beschermen, opdat haar geen schade wordt toegebracht. Wij zullen het doen Vader, Zoon en Heilige Geest werken samen om het gezegende werk voort te zetten en te voltooien als de tijd er voor gekomen is. Al hetgeen nodig is zal in orde gebracht worden, en het werk des geloofs zal volbracht zijn. Hoewel het begin van de genade gering is, zal haar laatste toch zeer vermeerderd worden. De kerk is in zorg over hen, die nog niet geroepen zijn. "Laat Mij geworden," zegt Christus, "ik zal alles doen wat nodig is om voor hen gedaan te worden. Vertrouw het Mij slechts toe."
3. De bruid maakt gebruik van deze gelegenheid, om met dankbaarheid Zijn vriendelijkheid voor haar te erkennen, vers 10. Zij wil Hem zeer gaarne haar kleine zuster toevertrouwen, want zij zelf heeft grote ervaring van Zijn genade, zij voor zich is er alles aan verschuldigd: ik ben een muur, en mijn borsten zijn als torens. Dit zegt zij niet om haar kleine zuster te verwijten dat zij geen borsten heeft, maar om zich ten haar opzichte te vertroosten, daar Hij, die haar gemaakt had tot hetgeen zij is, die haar op zichzelve had opgebouwd en haar tot rijpheid heeft doen opgroeien, dezelfde vriendelijkheid kon en wilde doen voor hen, wier toestand haar zo ter harte ging. Toen was ik in Zijn ogen als een die gunst vindt. Zie,
A. Waar zij zich op laat voorstaan, namelijk dat zij gunst gevonden heeft in de ogen van Jezus Christus, diegenen zijn gelukkig, voor eeuwig gelukkig, die de gunst hebben van God en door Hem zijn aangenomen.
B. Hoe zij het goede werk Gods in haar toeschrijft aan Gods welwillendheid jegens haar. "Hij heeft mij tot een muur gemaakt, en mijn borsten als torens, en toen heb ik daarin, meer dan in iets anders, Zijn liefde jegens mij ervaren." Heil u, die aldus hooglijk bevoorrecht zijt, want in u is Christus geformeerd.
C. Welk behagen God heeft in de werken van Zijn eigen handen. Als wij tot een muur gemaakt zijn, een koperen muur, Jeremia 1:18, 15:20, die vast staat tegen het blazen van de tirannen, Jesaja 25:4, dan verlustigt God er zich in om ons goed te doen.
D. Met welk een blijdschap en triomf wij behoren te spreken van Gods genade jegens ons, en met welk een voldoening wij behoren terug te zien op de bijzondere tijden en gelegenheden, wanneer wij in Zijn ogen waren als degenen die gunst hebben gevonden, dat waren onvergetelijke dagen. II. Zij beraadslagen hier over een wijngaard, die zij hebben op het land, de kerk van Christus op aarde, beschouwd onder het beeld van een wijngaard, vers 11, 12. Salomo had een wijngaard te Baäl-Hamon, had een koninkrijk in het bezit van een menigte, een talrijk volk. Gelijk hij een type was van Christus, zo was zijn wijngaard een type van de kerk van Christus. Onze Heiland heeft ons een sleutel gegeven tot deze verzen in de gelijkenis van de wijngaard, die aan ondankbare landlieden verhuurd was Match. 91:33. De voorwaarden waren dat ieder van de huurders of pachters, aan wie zoveel van de wijngaard was toegewezen als duizend wijnstokken bevatte, een jaarlijkse pacht zou opbrengen van duizend zilverlingen, want wij lezen, Jesaja 7:23, dat in een vruchtbare grond duizend wijnstokken waren van duizend zilverlingen.
Merk op:
1. Christus kerk is Zijn wijngaard, een aangename en zeer bijzondere plaats, bevoorrecht met velerlei eer, Hij verlustigt zich er in om er in te wandelen, zoals een man in zijn wijngaard, en Hij heeft behagen in zijn vruchten.
2. Aan ieder van ons heeft Hij die wijngaard toevertrouwd, als hoeders ervan, de voorrechten van de kerk zijn het goede, dat Hij ons overgegeven heeft om als een heilig pand te worden bewaard, de dienst van de kerk moet ons werk zijn, onze taak, naar onze gaven en bekwaamheden zijn, Zoon, ga heen, werk heden in Mijn wijngaard. In de staat van de onschuld moest Adam de Hof bebouwen en die bewaren.
3. Hij verwacht huur van hen, die in deze wijngaard gebruikt worden en aan wie hij werd toevertrouwd. Hij komt zoekende vrucht, en eist evangelieplichten van allen, die evangelievoorrechten genieten. Iedereen, van welke rang of stand hij ook zij, moet aan Christus eer en heerlijkheid toebrengen, en enige dienst doen in het belang van Zijn koninkrijk in de wereld uit aanmerking van de weldaden en het voordeel, genoten in zijn aandeel van het voorrecht van de wijngaard.
4. Hoewel Christus de wijngaard aan de hoeders verhuurd heeft, is het toch Zijn wijngaard, en Hij heeft er altijd het oog op ten goede, want indien Hij hem niet dag en nacht behoedde, Jesaja 27:2, 3) dan zouden de hoeders aan wie Hij hem verhuurd heeft, er dus de wachters van zijn, tevergeefs waken, Psalm 127:1. Sommigen houden de woorden van vers 12 voor Christus woorden. Mijn wijngaard die Ik heb, is voor Mijn aangezicht, en zij merken op hoe Hij Zijn eigendomsrecht er in laat uitkomen, het is Mijn wijngaard, die Ik heb, zo dierbaar is Hem Zijn kerk, zij is de Zijne in de wereld, Johannes 13:1, daarom wil Hij haar altijd onder Zijn bescherming hebben. Ze is Zijn en eigendom, en Hij zal voor haar zorgen.
5. De kerk, die de voorrechten geniet van de wijngaard, moet ze altijd voor ogen hebben, het hoeden van de wijngaard vereist voortdurende zorg en vlijt. Maar het zijn veeleer de woorden van de bruid. Mijn wijngaard, die ik heb, is voor mijn aangezicht. Zij had haar schuld en dwaasheid betreurd van haar eigen wijngaard niet gehoed te hebben, Hoofdstuk 1:6, Naar nu besluit zij zich te verbeteren. Ons hart is onze wijngaard, die wij moeten behoeden boven al dat te behoeden is, en daarom moeten wij er ten allen tijde een wakend oog op houden.
6. Onze grote zorg moet wezen om onze huur te betalen voor hetgeen wij van Christus wijngaard hebben, en wel toe te zien dat wij er niet achterop in geraken, de dienstknechten niet teleurstellen, die Hij zendt om de vruchten te ontvangen, Mattheus 21:34. Gij, o Salomo moet duizend zilverlingen hebben, en gij zult ze hebben, het voornaamste van de winst behoort aan Christus, aan Hem en Zijn lof moeten al onze vruchten gewijd zijn.
7. Als wij nauwlettend zorgen om aan Christus de lof te geven voor onze kerkvoorrechten, dan kunnen wij voor onszelf de vertroosting en het voordeel er van nemen. Als de eigenaar van de wijngaard heeft ontvangen wat Hem toekomt, dan zullen de hoeders ervan goed betaald worden voor hun zorg en moeite zij zullen twee honderd hebben, welke som ongetwijfeld als een goede winst beschouwd werd. Zij, die voor Christus werken, werken voor zichzelf, en zullen er onuitsprekelijk veel bij winnen.