Mattheus 19:16-22
Hier is een bericht van hetgeen er voorviel tussen Christus en een veelbelovend, aanzienlijk jongeling, die zich met een ernstige vraag tot Hem wendde. Hij wordt een jongeling genoemd, vers 20, en ik noemde hem aanzienlijk, niet slechts, omdat hij vele goederen had, maar omdat hij een overste was, Lukas 18:18, een overheidspersoon, een vrederechter in zijn land. Waarschijnlijk had hij gaven en talenten boven zijne jaren, anders zou hij wegens zijn jeugdigen leeftijd niet als overste hebben kunnen optreden. Nu wordt ons van dien jeugdigen heer gezegd, hoe ver hij op weg was naar den hemel, maar toch achter is gebleven.
I. Hoe ver op weg hij was naar den hemel, en hoe vriendelijk en tederlijk Christus met hem handelde. Wij hebben:
1. Des jongelings ernstige vraag aan Jezus Christus, vers 16, Goede Meester! wat zal Ik goeds doen opdat ik het eeuwige leven hebbe? Geen betere, geen meer ernstige vraag zou gedaan kunnen worden. Hij geeft Christus een eervollen titel: Goede Meester - Didaskale agathe. Het betekent niet een gebieder, maar een leermeester. Door Hem Meester te noemen, geeft hij zijne onderworpenheid en bereidwilligheid te kennen om te leren, zich te laten onderwijzen, en door Hem goede Meester te noemen, duidt hij zijne genegenheid en bijzonderen eerbied aan voor dien leraar, zoals ook Nicodemus zei: Gij zijt een leraar van God gekomen. Wij lezen van niemand, die Christus met meer eerbied heeft toegesproken dan deze leraar in Israël en deze overste. Het is goed, als iemands hoedanigheid en waardigheid zijne vriendelijkheid en beleefdheid doen toenemen. Het was achtenswaardig en zoals het een beschaafd man betaamt om dezen eretitel aan Christus te geven in weerwil van zijn tegenwoordig gering, onaanzienlijk voorkomen. Het was onder de Joden gene gewoonte om hun leraren met den titel van goede aan te spreken, nu deze jongeling dit woord hier wèl gebruikt, blijkt hieruit welk een eerbied hij voor Christus koesterde. Jezus Christus is een goede Meester, de beste der leraren, niemand onderwijst gelijk Hij, Hij onderscheidt zich door Zijne goedheid, want Hij kan medelijden hebben met de onwetenden, Hij is zachtmoedig en nederig van hart. Hij kwam tot Hem voor ene zaak van gewicht, niet om Hem te verzoeken, maar met de oprechte begeerte, om door Hem onderwezen te worden. Zijne vraag luidt: Wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? Hieruit blijkt:
a. Dat hij vast geloofde aan een eeuwig leven, hij was geen Sadduceeër. Hij was er van overtuigd, dat er ene gelukzaligheid is bereid in de toekomende wereld voor hen, die er in deze wereld op toebereid worden.
b. Dat het voor hem van groot belang was, om voor zich de zekerheid te erlangen, dat hij eeuwig zal leven, en dat hij dit leven meer begeerde dan alle genoegens en genietingen van het leven op deze aarde. Het was iets zeldzaams voor iemand van zijn leeftijd en stand, om zo in zorg te zijn over, zo veel te geven om, een toekomende wereld. De rijken zijn allicht geneigd te denken, dat het beneden hun waardigheid is, om naar zo iets te vragen, en jonge lieden denken, dat zij daar nog tijd genoeg voor zullen hebben. Maar hier was een jongeling, die bezorgd en bekommerd was over zijne ziel en de eeuwigheid.
c. Dat hij begreep, dat er iets gedaan moest worden, iets goeds, om tot die gelukzaligheid te komen. Het is door volharding in goeddoen, dat wij onverderflijkheid, het eeuwige leven zoeken, Romeinen 2:7. Wij moeten doen, en wel hetgeen goed is. Het bloed van Christus is het enige, dat ons het eeuwige leven verkrijgt (Hij heeft het voor ons verdiend), maar gehoorzaamheid aan Christus is er de verordineerde weg toe, Hebreeën 5:9.
2. Dat hij bereid was, of tenminste dacht bereid te zijn, te doen wat er gedaan moest worden, om dit eeuwige leven te verkrijgen. Zij, die weten wat het in heeft, hierin tekort te komen, zullen het gaarne op elke voorwaarde willen ontvangen. Zulk een heilig geweld wordt het koninkrijk der hemelen aangedaan. Terwijl er velen zijn, die zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? behoort onze grote vraag te wezen: Wat zullen wij doen om het eeuwige leven te hebben? Wat zullen wij doen om voor eeuwig gelukkig te zijn, gelukkig in een andere wereld? Want deze wereld bezit niet hetgeen ons gelukkig kan maken.
3. De aanmoediging van Jezus Christus aan den jongeling, die Hem deze vraag deed. Het is niet Zijne wijze van doen om iemand, die met zulk ene vraag tot Hem komt, zonder antwoord weg te zenden, want er is niets dat Hem meer behaagt, vers 17. In zijn antwoord: Komt Hij op tedere wijze zijn geloof te hulp, want Hij heeft het stellig niet bedoeld als ene bestraffing, toen Hij zei: Wat noemt gij Mij goed? Maar Hij wilde in hetgeen hij zei, toen hij Hem goede Meester noemde, geloof vinden, een geloof, waarvan de jongeling zich niet bewust was, daar hij niets anders bedoelde dan Hem te erkennen en te eren als een goed man. Christus wilde er hem echter toe brengen om Hem te erkennen en te eren als goede God, want niemand is goed dan Een, namelijk God. Christus wil, dat deze jongeling Hem of zal kennen als God, of Hem niet goed zal noemen, en hiermede wil Hij ons leren allen lof, die te eniger tijd ons toegekend wordt, aan God toe te brengen. Noemen sommigen ons goed? Laat ons hun zeggen, dat alle goedheid van God komt, en dat dus niet aan ons, maar aan Hem de eer gegeven moet worden. Alle kronen moeten neergeworpen worden voor Zijn troon. God alleen is goed, en niemand is wezenlijk, oorspronkelijk en onveranderlijk goed, dan God. Zijn goedheid is uit en van Hem zelven, en alle goedheid in het schepsel komt van Hem. Hij is de bron der goedheid, Jakobus 1:17. Hij is het grote voorbeeld van goedheid, alle goedheid moet aan Hem gemeten worden, datgene is goed, dat Hem gelijk is, dat naar Zijn wil is. In onze taal noemen wij Hem God, omdat Hij goed is. Hierin, evenals in andere dingen, was onze Heere Jezus het afschijnsel van de heerlijkheid Gods, (en Zijne goedheid is Zijne heerlijkheid,) en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, en daarom wordt Hij terecht goede Meester genoemd. Hij wijst hem in Zijn antwoord op het leven, dat hij heeft te leiden. Hij opperde dat denkbeeld van: Ben Ik goed, dan ben Ik God, maar Hij verwijlde er niet bij, om den schijn te vermijden van de gedachten af te leiden van de hoofdzaak, zoals de mensen doen in hun nodeloze twistredenen over woorden. Op die vraag nu luidt het korte antwoord van Christus: Wilt gij in het leven ingaan, onderhoudt de geboden. Het voorgestelde doel is in te gaan tot het leven. In zijne vraag had de jongeling gesproken van het eeuwige leven. In Zijn antwoord spreekt Christus van leven, om ons te leren, dat het eeuwige leven het enig ware leven is. De woorden deswege zijn woorden dezes levens, Handelingen 5:20. Het tegenwoordige leven verdient nauwelijks leven genoemd te worden, want het is slechts een gestadig sterven. Of wel: in het leven, namelijk het geestelijk leven, dat het begin en de voorsmaak is van het eeuwige leven. Hij wenste te weten, hoe hij het eeuwige leven kon hebben, Christus zegt hem hoe hij kan ingaan tot het leven. Wij hebben het door de verdienste van Christus, ene verborgenheid, die toen nog niet ten volle geopenbaard was, en daarom laat Christus dit voor het ogenblik rusten, spreekt Hij er nu niet van, maar de weg om tot het leven in te gaan, is gehoorzaamheid, en op dien weg worden wij door Christus gewezen. Het is door bij geloof deugd te voegen, dat ons de ingang in het eeuwig koninkrijk toegevoegd zal worden, 2 Petrus 5:11. Christus, die ons leven is, is de weg tot den Vader, en tot het zien en genieten van God. Hij is de enige weg, maar de gehoorzaamheid des geloofs is de weg tot Christus. Er is een volle ingang tot het leven hiernamaals bij den dood, op den groten dag, doch alleen diegenen zullen tot het leven ingaan, die nauwgezet hun plicht betrachten. Het is de naarstige, getrouwe dienstknecht, die dan zal ingaan tot de vreugde zijns Heeren, en die vreugde zal zijn eeuwig leven wezen. Er is thans een ingang tot het leven, wij, die geloofd hebben, gaan in de rust. Hebreeën 4:3. Wij hebben vrede, en vertroosting, en blijdschap in het gelovig vooruitzicht van de heerlijkheid, die geopenbaard staat te worden, en ook daarvoor is oprechte gehoorzaamheid volstrekt noodzakelijk. De voorgeschreven weg is: onderhoud de geboden. De geboden Gods te onderhouden, naarmate zij geopenbaard en ons bekend gemaakt zijn, is de enige weg ten leven en ter gelukzaligheid, en oprechtheid hierin wordt in en door Christus aangenomen als onze evangelische volmaaktheid, daar er voorziening is gemaakt voor onze vergeving als wij berouw hebben over onze tekortkomingen. Door Christus zijn wij verlost van de veroordelende kracht der wet, maar de bevelende kracht der wet is in de handen van den Middelaar gegeven, en onder die hand zijn wij nog voor Christus onder de wet, 1 Corinthiërs 9:21, onder haar als regel, maar niet onder haar als verbond. In het onderhouden der geboden is ook geloof begrepen in Jezus Christus, want dat is het grote gebod, 1 Johannes 3:23, en het was een der wetten van Mozes, dat, als de grote Profeet verwekt zou zijn, zij naar Hem moesten horen. Om hier en hiernamaals gelukkig te zijn, is het niet genoeg de geboden Gods te kennen, wij moeten ze ook onderhouden, er in blijven als in onzen weg, ze onderhouden als onzen leefregel, ze houden als onzen schat, en met zorg, als den appel van ons oog. Op zijn verder aandringen en verzoek noemt Christus enige bijzondere geboden, die hij moet onderhouden, vers 18, 19. De jongeling zei tot Hem: Welke? Zij, die de geboden Gods willen doen, moeten ze vlijtig zoeken, er naar vragen, om te weten wat zij zijn. Ezra had zijn hart gericht om de wet des Heeren te zoeken en te doen, Ezra 7:10. Er zijn vele geboden in de wet van Mozes, goede Meester, laat mij weten welke die zijn, welker onderhouding nodig is voor de zaligheid. In antwoord hierop noemt Christus enige, inzonderheid die van de tweede tafel der wet.
Ten eerste, dat, hetwelk ons eigen leven en het leven van onzen naaste aangaat: Gij zult niet doden. Ten tweede, onze eigen kuisheid en die van onzen naaste, die ons even lief moet wezen als het leven, Gij zult geen overspel doen. Ten derde. Onze eigen en onzes naasten bezitting, gelijk die omtuind is door de wet op den eigendom: Gij zult niet stelen. Ten vierde, dat hetwelk betrekking heeft op waarheid en onzen eigen goeden naam en dien van onzen naaste: Gij zult gene valse getuigenis geven, noch voor uzelven, noch tegen uwen naaste, want aldus wordt het hier in het algemeen genomen. Ten vijfde. Dat hetwelk de plichten betreft van bijzondere betrekkingen van bloedverwantschap: Eer uwen vader en uwe moeder. Ten zesde. Die veelomvattende wet der liefde, die de bron en hoofdsom is van al deze plichten, waaraan zij allen ontstromen, en waarin zij allen vervuld worden, Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven, Galaten 5:14, Romeinen 13:9, die koninklijke wet, Jakobus 2:8. Sommigen denken, dat dit hier niet bijgevoegd is als de hoofdsom en inhoud van de tweede tafel der wet, maar als de bijzondere strekking en betekenis van het tiende gebod: Gij zult niet begeren, hetwelk bij Markus luidt: Gij zult niemand tekortdoen, aanduidende dat het mij niet geoorloofd is voordeel of winst voor mij zelven te zoeken door het verlies van anderen, of door hun vermindering, want dat is begeren, en mij zelven meer lief te hebben dan mijn naaste, dien ik behoor lief te hebben als mij zelven, en te behandelen zoals ik wens behandeld te worden. Onze Heiland noemt hier slechts de plichten ons opgelegd door de tweede tafel der wet, niet alsof de eerste van minder belang ware, maar: 1. Omdat zij, die thans op den stoel van Mozes zaten, deze voorschriften in hun prediking of geheel veronachtzaamden, of grotelijks misvormden en verdierven. Terwijl zij zeer aandrongen op het vertienen van de munte, en de dille, en den komijn, werden het oordeel, de barmhartigheid, en het geloof, de hoofdsom en inhoud van de tweede tafel der wet, voorbijgezien, Hoofdstuk 23:23. Hun prediking liep geheel over plechtigheden, maar maakte geen gewag van de zeden, daarom heeft Christus het meest den nadruk gelegd op hetgeen zij het meest veronachtzaamden. Gelijk de ene waarheid de andere waarheid niet mag verdringen, zo is het ook met plichten, iedere waarheid en elke plicht heeft haar of zijn eigen plaats, en moet daarin gelaten worden, maar de billijkheid eist, datgene het meest te helpen instandhouden, hetwelk het meest in gevaar is geheel verdrongen of teniet gedaan te worden. Dat is de tegenwoordige waarheid, waarvoor wij geroepen zijn te getuigen, die niet slechts tegengestaan, maar geheel veronachtzaamd wordt.
2. Omdat Hij hem, en ons allen, wilde leren, dat zedelijke eerlijkheid een onmisbare tak is van het Christendom, en dienovereenkomstig beoefend moet worden. Hoewel een bloot zedelijk mens nog alles behalve een volkomen Christen is, is een onzedelijk mens stellig geen waar Christen, want de genade Gods leert ons matig en rechtvaardig, zowel als Godzalig te leven. De plichten van de eerste tafel der wet hebben wel meer van het wezen van den Godsdienst, maar die van de tweede tafel hebben er meer het blijk en bewijs van. Ons licht brandt in liefde tot God, maar het schijnt in liefde tot onzen naaste.
II. Wij zien hier dat hij, hoe veelbelovend hij ook scheen, toch tekort kwam, en tevens waarin hij faalde. Hij faalde door twee dingen.
1. Door hoogmoed en een ijdelen waan omtrent zijn eigen verdienste en kracht. Dat is het verderf van duizenden, die ongelukkig en ellendig blijven door zich in te beelden, dat zij gelukkig zijn. Toen Christus hem zei welke geboden hij moest onderhouden, antwoordde hij minachtend: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af, vers 20. Zoals hij nu de wet verstond, als verbiedende slechts de uitwendige daad der zonde, geloof ik dat hij de waarheid zei, en Christus wist het, want Hij heeft hem niet tegengesproken, ja in Markus wordt gezegd: Jezus beminde hem, in zoverre was hij dus goed en heeft hij Christus behaagd. Paulus acht het een voorrecht, dat op zich zelven niet te versmaden is, hoewel het in Christus' ogen als drek is, dat hij, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijk is, Filippenzen 3:6. Zijne waarneming van deze geboden was algemeen: Al deze dingen heb ik onderhouden. Hij begon dit reeds vroeg, en was er standvastig in, van mijne jonkheid af . Een mens kan vrij zijn van grove zonden, en toch gene genade hebben. Zijne handen kunnen niet bezoedeld zijn door uitwendige onreinheid, en toch kan hij door de ongerechtigheid van zijn hart voor eeuwig omkomen. Wat zullen wij dan denken van hen, die hiertoe niet genaken, wier bedrog en onrechtvaardigheid, wier dronkenschap en onreinheid tegen hen getuigen, dat zij tegen al deze wetten gezondigd hebben van hun jonkheid af, hoewel zij den naam van Christus genoemd hebben? O het is treurig nog achter te blijven bij hen, die den hemel niet zullen bereiken. Het was ook prijzenswaardig, dat hij begeerde te weten wat nu verder zijn plicht was: Wat ontbreekt mij nog? Hij was er van overtuigd, dat er nog iets nodig was om voor God zijne werken aan te vullen, of volkomen te maken, en daarom wenst hij te weten waarin dit bestond, omdat hij, zo hij zich niet in zich zelven vergiste, bereid was het te doen. Het nog niet verkregen hebbende, scheen hij er toch naar te jagen. En hij wendde zich tot Christus, wiens leer verondersteld werd de Mozaïsche wet te verbeteren en te volmaken. Hij wenste te weten wat de bijzondere voorschriften waren van zijn Godsdienst ten einde er zich gans en al in te kunnen volmaken. Wie zou beter kunnen spreken? Maar, zelfs in hetgeen hij hier zei, toonde hij zijne onwetendheid en dwaasheid. De wet beschouwende in haar geestelijken zin en betekenis, had hij ongetwijfeld tegen al deze geboden gezondigd. Indien hij bekend ware geweest met de strekking en de geestelijke betekenis van de wet, dan zou hij, in plaats van te zeggen: Al deze dingen heb ik onderhouden, wat ontbreekt mij nog? met smart en schaamtegevoel gezegd hebben: Al die wetten heb ik overtreden, wat zal ik doen om vergeving van zonden te erlangen? Hoe men het ook beschouwt, zijn zeggen riekte naar hoogmoed en verwaandheid, er was te veel in van dat roemen, hetwelk uitgesloten is door de wet des geloofs, Romeinen 3:27, en uitsluit van rechtvaardigmaking, Lukas 18:11, 14. Evenals de Farizeeën schatte hij zich te veel naar het schoonschijnende van zijne belijdenis voor de mensen, en was er trots op, waardoor het goede er in bedorven werd. Dat woord: Wat ontbreekt mij nog? was wellicht minder ene uitdrukking van verlangen naar verder onderricht, dan ene vraag om lof voor zijn gewaande volmaaktheid, en als het ware een tarten van Christus om hem een enkele zaak te noemen, ten opzichte waarvan hij tekort kwam.
2. Hij faalde ook door een buitensporige liefde voor de wereld en zijne genietingen er in. Dat was de noodlottige rots, waarop hij schipbreuk leed. Merk op: Hoe hij in deze zaak op de proef werd gesteld, vers 21, Jezus zei tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop al wat gij hebt. Christus liet de zaak van zijn hoog geroemde gehoorzaamheid aan de wet voor wat zij was, en sprak daar nu niet meer over, want dit zou een meer afdoende wijze zijn van hem aan hem zelven te ontdekken, dan een twistgesprek over de strekking der wet zou geweest zijn.
Kom, zegt Christus, indien gij u oprecht wilt betonen in uwe gehoorzaamheid -want oprechtheid is onze Evangelische volmaaktheid- indien gij u wilt opheffen tot hetgeen Christus aan de wet van Mozes heeft toegevoegd, indien gij tot het leven wilt ingaan en aldus volkomen gelukzalig wilt zijn, want hetgeen Christus hier voorschrijft is geen overdreven plichtsvervulling, maar in strekking en bedoeling onze noodzakelijke en onvermijdelijke plicht. Wat Christus tot hem zei, zei Hij in zoverre tot ons allen, namelijk zo wij ons wezenlijk als Christenen willen betonen, en ten laatste als erfgenamen des eeuwigen levens willen bevonden worden, dan behoren wij deze twee dingen te doen:
a. Wij moeten op praktische wijze de hemelse schatten verkiezen boven al de schatten dezer wereld. Die heerlijkheid moet in ons oordeel en onze schatting den voorrang hebben boven deze heerlijkheid. Wij verdienen geen dank of lof als wij den hemel verkiezen boven de hel, de slechtste mens ter wereld zou wel blijde zijn met dat Jeruzalem als een toevlucht, wanneer hij niet langer hier kan blijven, en dit dus in het vooruitzicht te hebben, maar het tot onze keuze te maken, en het te verkiezen boven deze aarde-dat is in waarheid Christen te zijn. Nu moeten wij als blijk hiervan, Ten eerste, Verkopen wat wij in de wereld hebben, tot eer van God, en in Zijn dienst: Verkoop wat gij hebt, en geef het den armen. Indien er dringende aanleiding is voor liefdadigheid, zo verkoop uwe bezittingen ten einde aan de behoeftigen hulp te kunnen bieden, gelijk de eerste Christenen dit met het oog op dat voorschrift ook gedaan hebben, Handelingen 4:34. Verkoop wat gij kunt missen voor Godvruchtige doeleinden, al uw overtolligheden, indien gij er op geen andere wijze goed mede kunt doen, verkoop het. Wees er los van, bereid en gewillig om het af te staan voor de ere Gods en tot hulp en bijstand der armen. Een Godvruchtige minachting van de wereld en medelijden met de armen en beproefden zijn voor allen een onmisbare voorwaarde tot zaligheid, en in hen, die het hebben, is het geven van aalmoezen een noodzakelijk blijk van die verachting voor de wereld en dit medelijden met onze broederen, daaraan zullen wij in den groten dag getoetst worden, Hoofdstuk 25:35. Hoewel velen, die zich Christenen noemen, niet handelen alsof zij het geloofden, is het toch zeker, dat, zo wij Christus aannemen, wij de wereld moeten laten varen, want wij kunnen niet God dienen en den mammon. Christus wist, dat gierigheid de zonde was, die dezen jongeling het lichtst omringde, dat hij hetgeen hij bezat wel op eerlijke wijze had verkregen, maar dat hij er niet blijmoedig afstand van kon doen, en hierdoor trad zijne onoprechtheid aan het licht. Het gebod was als de roeping van Abraham: Ga gij uit uw land naar het land, dat Ik u wijzen zal. Gelijk God de gelovigen beproeft door hun sterkste genadegaven, zo toetst Hij de geveinsden aan hun sterkst bederf. Ten tweede. Wij moeten rekenen op hetgeen wij hopen en verwachten in de andere wereld als een overvloedige beloning voor alles wat wij in deze wereld voor God hebben verlaten of verloren: Gij zult een schat hebben in den hemel. Wij moeten voor hetgeen wij opofferen in Zijn dienst vertrouwen, dat God het ons rijkelijk zal vergoeden in gelukzaligheid. Het bevel klonk hard: Verkoop hetgeen gij hebt, en geef het weg, en men zou al spoedig met de tegenwerping kunnen komen, dat men zich zelven het naast is, en daarom voegt Christus er terstond de verzekering bij van een schat in den hemel. Christus' beloften maken dat Zijne geboden licht te volbrengen zijn, en Zijn juk wordt er niet slechts draaglijk door, maar lieflijk en aangenaam, toch was deze belofte evenzeer ene beproeving van des jongelings geloof, als Zijn gebod een op de proef stelling was van zijne liefdadigheid en zijne minachting van de wereld.
b. Wij moeten ons zelven geheel en volstrekt overgeven aan de leiding en het bestuur van onzen Heere Jezus: Kom herwaarts, volg Mij. Dit schijnt hier te bedoelen een voortdurend vergezellen van Zijn persoon, waarvoor het verkopen van alles, wat hij in de wereld had, even noodzakelijk was, als het voor de andere discipelen geweest is om hun beroep of bedrijf te verlaten. Maar van ons wordt geëist, dat wij Christus volgen, dat wij nauwgezet Zijne instellingen waarnemen, ons stipt gedragen naar Zijn voorbeeld, en ons blijmoedig onderwerpen aan Zijne beschikkingen over ons, en door een oprechte en algemene gehoorzaamheid Zijne wetten onderhouden, en dit alles uit het beginsel van liefde tot Hem en afhankelijkheid van Hem, en met een heilige geringschatting van alle dingen in vergelijking met Hem. Dit is Christus volkomen volgen. Alles te verkopen en aan de armen te geven zal tot niets nut zijn, tenzij wij komen en Christus volgen. Indien ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en de liefde niet had, het zou mij gene nuttigheid geven. Op deze voorwaarden nu, en geen mindere, is de zaligheid te verkrijgen, en het zijn zeer gemakkelijke en billijke voorwaarden, en dit zullen zij ook toeschijnen aan hen, die er toe gebracht zijn om haar gaarne tot elke voorwaarde te willen verkrijgen. Zie nu hoe de zwakke zijde van dien jongeling ontdekt werd, vers 22. Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg, want hij had vele goederen. Hij was een rijk man, en beminde zijn rijkdom, en daarom ging hij weg. Hij hield niet van het eeuwige leven op deze voorwaarden. Zij, die veel in de wereld hebben, zijn in de grootste verzoeking om het lief te hebben, en er hun hart op te zetten. Zodanig is de bekoring van wereldsen rijkdom, dat zij, die hem het minst nodig hebben, hem het meest begeren, als het vermogen toeneemt, dan is er gevaar dat wij er het hart op zetten, Psalm 62:11. Indien hij slechts twee penningen in de gehele wereld had bezeten, en er ware hem dan bevolen ze aan de armen te geven, of indien hij slechts een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles had gehad, en er ware hem bevolen daarvan een koek te maken voor een armen profeet, dan zou de proef-zou men zo denken-veel zwaarder geweest zijn, toch zijn deze proeven doorstaan, Lukas 21:4, 1 Koningen 17:14, hetgeen ons aantoont, dat de liefde tot de wereld sterker trekt dan de dringendste nood. De heersende liefde tot de wereld houdt velen terug van Christus, die een goede begeerte naar Hem schenen te hebben. Grote bezittingen zijn voor hen, die er boven verheven zijn, grote hulpmiddelen om vorderingen te maken op den weg naar den hemel, evenals zij voor hen, die er in verstrikt raken, een grote belemmering zijn. Toch was er iets eerlijks, iets oprechts in, dat hij, toen hem de voorwaarden niet bevielen, wegging, daar hij niet voorwendde in te stemmen met iets, dat hij toch niet van harte kon aannemen. Beter aldus dan te doen zoals Demas, die, den weg der gerechtigheid gekend hebbende, daarna, uit liefde tot de tegenwoordige wereld, er zich van afgewend heeft, tot smaad van zijne belijdenis. Daar hij geen volkomen Christen kon zijn, wilde hij toch ook geen geveinsde wezen. Toch was hij een nadenkend man, en welgezind, daarom is hij bedroefd weggegaan. Hij had ene neiging tot Christus, en wilde Hem ongaarne verlaten. Menigeen gaat verloren door de zonde, die hij met weerzin bedrijft, bedroefd verlaat hij Christus, en is er toch nooit bedroefd om Hem verlaten te hebben, want, indien hij het wèl ware, hij zou tot Hem terugkeren. Aldus was dezes mans rijkdom ene kwelling des geestes voor hem, toen hij hem ter verzoeking was, wat zal dan later zijne smart wezen, als zijne bezittingen weg zullen zijn, en ook alle hoop op het eeuwige leven weg is.