Handelingen 4:32-37
In deze verzen wordt ons een algemeen denkbeeld gegeven-en het is een zeer schoon denkbeeld- van den geest, of gezindheid, en den toestand van deze in waarheid oorspronkelijke kerk, het is conspectus sæculi - een blik op die eeuw van kindsheid en onschuld.
I. De discipelen hadden elkaar hartelijk lief. Zie, hoe goed en liefelijk het was te aanschouwen hoe de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en ene ziel, vers 32, en er was geen twist of verdeeldheid onder hen. Merk hier op:
1. Er was ene menigte van gelovigen, zelfs in Jeruzalem, waar de kwaadwillige invloed van de overpriesters hèt sterkst was, waren er drie duizend bekeerd op een dag, en vijf duizend op een anderen dag, en behalve dezen werden er nog dagelijks aan de gemeente toegedaan. Ongetwijfeld werden zij ook allen gedoopt, hebben zij allen belijdenis afgelegd van hun geloof, want dezelfde Geest, die de apostelen begiftigde met kloekmoedigheid om het geloof van Christus te prediken, begiftigde hen met moed om het te belijden. De toeneming, of wasdom, der kerk is hare heerlijkheid, en de menigte dergenen die geloven meer dan hare hoedanigheid. Nu is de kerk verlicht, en haar licht is gekomen, als de zielen tot haar komen gevlogen als ene wolk, en als duiven tot hare vensters, Jesaja 60:1, 8.
2. Zij waren allen een hart en ene ziel. Er waren velen, zeer velen, van verschillenden leeftijd, en stand, en temperament, die, voordat zij geloofden, wellicht vreemd waren, voor elkaar, maar toen zij elkaar in Christus hadden ontmoet, zijn zij zo innig met elkaar verbonden geworden, alsof zij elkaar jaren lang gekend hadden. Wellicht hadden zij voor hun bekering tot verschillende sekten onder de Joden behoord, of waren zij in geschil met elkaar geweest in staatkundige of burgerlijke aangelegenheden, maar nu was dit alles ter zijde gelegd en vergeten, en zij waren eensgezind in het geloof van Christus, en daar zij allen den Heere aanhingen, hingen zij elkaar aan in heilige liefde. Dit was de gezegende vrucht van Christus' gebod aan Zijne discipelen, eer Hij ging sterven, elkaar lief te hebben, en van Zijn gebed voor hen, dat zij allen een mochten wezen. Wij hebben reden te geloven, dat zij zich tot onderscheidene groepen hebben gevormd, die onder hun onderscheidene leraren te zamen ter Godsverering bijeenkwamen op plaatsen, die het geschiktst waren, in betrekking tot hun woningen. En toch werd hier geen naijver of wantrouwen door opgewekt, want zij waren allen een hart en ene ziel, en hadden hen, die tot andere groepen behoorden, even lief, als die van hun eigene groep, of vergadering. Zo was het toen, en wij mogen er niet aan wanhopen, om het wederom te zien, als de Geest van Boven op ons uitgestort zal zijn.
II. De leraren hebben hun arbeid krachtdadiglijk voortgezet, en hebben er groten voorspoed op gehad, vers 33. De apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus. De leer, die zij predikten. was de opstanding van Christus, een feit, dat niet slechts strekte tot bevestiging van de waarheid van Christus' heiligen Godsdienst, maar met de juiste verklaring en toelichting er van, en de juiste gevolgtrekkingen er uit afgeleid, ook dienden tot ene korte opsomming van de plichten, voorrechten en vertroostingen der Christenen. De opstanding van Christus, recht verstaan en benuttigd, zal ons inleiden in de grote verborgenheden van den Godsdienst. Met de grote kracht, waarmee de apostelen getuigenis gaven van de opstanding, kan bedoeld zijn: 1. De grote kracht en moed, waarmee zij deze leer beleden en verkondigden. Zij deden het niet stil en beschroomd, maar met opgewektheid en vastheid, als degenen, die voor zich zelven ten volle overtuigd waren van de waarheid er van, en vurig begeerden, dat anderen hun overtuiging zouden delen. Of:
2. De wonderen, die zij deden ter bevestiging van hun leer. Met werken van grote kracht gaven zij getuigenis van de opstanding van Christus, terwijl God zelf, in hen, mede getuigde.
III. De liefelijkheid van den Heere onzen God was over hen en hun werk. Er was grote genade over hen allen, niet alleen over de apostelen, maar over alle gelovigen, charis megalê genade, waarin iets groots was (prachtig en zeer buitengewoon) was over hen allen.
1. Christus stortte overvloedige genade over hen uit, die hen bekwaam maakte voor veel en groten dienst, door hen te begiftigen met grote kracht, zij kwam over hen van Boven.
2. Er waren blijkbare vruchten van deze genade in alles wat zij zeiden en deden, vruchten, die hun eer aandeden, en hen beval in de gunst van God, daar zij in Zijne ogen van grote waarde waren.
3. Sommigen denken, dat hier ook de genade in lag opgesloten, die zij bij de mensen hadden. Iedereen zag liefelijkheid en voortreffelijkheid in hen, en eerde hen.
IV. Zij waren zeer vrijgevig jegens de armen, en zij waren dood voor deze wereld. Dit was een even groot blijk van Gods genade in hen, als ieder ander, en heeft hen zo zeer aanbevolen in de achting des volks.
1. Zij drongen niet aan op hun recht van eigendom, waarop kinderen zelfs zo naijverig zijn, en waarin wereldlingen roemen, zoals Laban, toen hij zei: Al wat gij ziet is mijn, Genesis 31:43, en Nabal: mijn brood en mijn water, 1 Samuël 25:11. Deze gelovigen waren zo vervuld van de hoop op een erfdeel in de andere wereld, dat deze wereld als niets voor hen was, Niemand zei, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, vers 32. Zij hebben het recht van eigendom niet opgeheven, maar zij waren er onverschillig voor. Zij noemden hetgeen zij hadden niet hun eigen, bij wijze van hoogmoed en verwaandheid, er op snoevende, of er op vertrouwende. Zij noemden het niet hun eigen, omdat zij, in liefde, alles om Christus wil hadden verlaten, en voortdurend verwachtten wegens hun aanhankelijkheid aan Hem van alles beroofd te worden. Zij zeiden niet dat iets hun eigen was, want wij kunnen niets ons eigen noemen dan de zonde. Wat wij in de wereld hebben is meer van God dan van ons zelven, wij hebben het van Hem, moeten het gebruiken voor Hem, en zijn er Hem voor verantwoordelijk. Niemand zei, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, idion -het zijne in het bijzonder, want hij was gaarne mededelende, en begeerde niet zijne bete alleen te eten, maar wat hij van zich en zijn gezin kon missen, wilde hij gaarne aan zijne naasten afstaan. Zij, die goederen hadden, bekommerden er zich niet om nog op te leggen maar waren gaarne bereid uit te geven, en zich zelven te bekrimpen om hun broederen te helpen. Geen wonder, dat zij een hart en ene ziel waren, als zij ook los waren van de schatten dezer wereld, want meum en tuum -mijn en dijn -zijn de grote twiststokers. Uit der mensen al te sterk vasthouden van het hun, en hun grijpen naar meer dan het hun, ontstaan de krijgen en vechterijen. 2. Zij waren overvloedig in liefdadigheid, zodat inderdaad alle dingen hun gemeen waren, want, vers 34, er was ook niemand onder hen, die gebrek had, of er werd voor gezorgd om in dat gebrek te voorzien. Zij, die door de openbare liefdadigheid onderhouden waren, werden waarschijnlijk daarvan uitgesloten, toen zij Christenen werden, en daarom was het betamelijk, dat de gemeente voor hen zou zorgen. Gelijk er vele armen waren, die het Evangelie hadden aangenomen, zo waren er ook enige rijken, die in staat waren hen te onderhouden, en de genade Gods maakte hen er toe gewillig. Zij, die veel verzamelen, houden niets over, omdat hetgeen zij over hebben, voor hen is, die weinig verzamelden, opdat dezen geen gebrek hebben, 2 Corinthiërs 8:14, 15. Het Evangelie heeft alle dingen gemeen gemaakt, niet in dier voege, dat de armen de rijken mogen beroven, maar zo, dat de rijken er toe bestemd zijn, om de armen te helpen. Velen van hen hebben hun goederen verkocht, ten einde een fonds te stichten voor liefdadigheid: zo velen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, vers 34. Dr. Lightfoot heeft uitgerekend dat dit het jubeljaar was voor het Joodse volk, het vijftigste jaar (het acht en twintigste jubeljaar sedert zij zich veertien honderd jaar te voren in Kanaän hadden gevestigd). Daar nu hetgeen in dat jaar verkocht werd niet voor het volgende jubeljaar weer in het bezit van den verkoper kon komen, kon het land toen tot een goeden prijs verkocht worden, en zo kwam er door den verkoop van dat land veel geld in. Nu wordt ons hier gezegd:
A. Wat zij met het geld, dat aldus verkregen was, deden: zij legden het aan de voeten der apostelen -zij gaven het hun om er over te beschikken naar het hun goeddacht. Waarschijnlijk diende het ook om in hun eigen onderhoud te voorzien, immers van waar zouden zij het anders gehad hebben? De apostelen wilden, dat het aan hun voeten gelegd werd ten teken van hun heilige minachting van den rijkdom dezer wereld, zij achtten het meer gepast, dat het aan hun voeten gelegd werd, dan in hun handen. Dáár neergelegd zijnde, werd het niet opgelegd, maar door geschikte personen uitgedeeld naar dat elk van node had. Er moet grote zorgvuldigheid in acht worden genomen bij de uitdeling van geld, door de openbare liefdadigheid bijeengebracht. Ten eerste. Opdat het gegeven worde aan de zodanige, die het werkelijk van node hebben, daar zij niet in staat zijn zelf behoorlijk in hun onderhoud te voorzien, hetzij vanwege een hogen leeftijd, of omdat zij nog kinderen zijn, of door ziekte, lichaamsgebreken, zwakheid van verstand, gebrek aan vernuft, of aan werkzaamheid van geest, tegenspoeden, verliezen, verdrukking, of omdat zij een talrijk gezin ten hunnen laste hebben. Voor hen, die om een dezer, of om andere redenen, werkelijk in nood zijn, en gene bloedverwanten of vrienden hebben, om hun te hulp te komen-maar bovenal, voor hen, die gebrek lijden weldoende, en om het getuigenis van een goed geweten, behoort gezorgd te worden, voorzien te worden in hun behoefte met verstand en overleg, zo dat de geschonkene hulp hun werkelijk ten goede komt. Ten tweede. Dat het gegeven wordt aan ieder, voor wie het bestemd is, naar dat hij van node heeft, zonder aanzien des persoons en zonder partijdigheid. Evenals in de rechtsbedeling geldt ook bij de bedeling der armen de regel: ut parium par sit ratio, dat zij, die even behoeftig en even verdienstelijk zijn, ook gelijkelijk geholpen moeten worden, en dat de liefdegave evenredig moet zijn aan de behoefte.
B. Er wordt hier bijzonder melding gemaakt van iemand, die merkwaardig was om zijne grootmoedige liefdadigheid. Het was Barnabas, die later Paulus' medearbeider is geweest. Let hier: Ten eerste. Op het bericht, dal nopens hem wordt gegeven, vers 36. Zijn naam was Joses, hij was van den stam van Levi, want er waren Levieten onder de Joden der verstrooiing, die waarschijnlijk bij hun Godsverering in de synagoge voorgingen, en hun, naar den plicht van dien stam, de goede kennis des Heeren leerden. Hij was geboren in Cyprus, ver van Jeruzalem, daar zijne ouders, hoewel Joden, zich aldaar gevestigd hadden. Er wordt nota van genomen, dat de apostelen, nadat hij zich bij hen had gevoegd, zijn naam hadden veranderd. Het is mogelijk, dat hij een der zeventig discipelen is geweest, en, toenemende in gaven en genade een voornaam en uitstekend man is geworden, zeer geacht door de apostelen, die hem, ten teken van hun waardering een' naam gegeven hebben, Barnabas -de zoon van profetie (zoals de eigenlijke betekenis er van is), daar hij met buitengewone gaven van profetie begiftigd was. Maar de Hellenistische Joden (zegt Hugo de Groot) noemden bidden paraklêsis, en daarom is het hier door dat woord overgezet: Een zoon der vermaning, (volgens sommigen) iemand die een uitnemend vermogen had om te genezen en te overreden, of te bewegen, wij hebben er een voorbeeld van in Hoofdstuk 11:22-24. Een zoon der vertroosting (zo lezen wij het) een die zelf grotelijks wandelde in de vertroosting des Heiligen Geestes -een blijmoedig Christen, en dit verruimde zijn hart in liefdadigheid jegens de armen, of wel, iemand, die uitnemend was in het vertroosten van het volk des Heeren, en het spreken van vrede tot ontroerde en bekommerde harten, hij had hierin ene bewonderenswaardige gemakkelijkheid. Er waren twee onder de apostelen, die Boanerges -zonen des donders -genoemd werden, Markus 3:17, maar nu was er een zoon der vertroosting onder hen. Ieder had zijne eigene, bijzondere gave. Niemand hunner moet een ander bedillen, maar allen moeten elkaar helpen en aanvullen, laat de een de wonde peilen, en laat de ander haar verbinden en genezen. Ten tweede. Op het bericht van zijne liefdadigheid en. grote mildheid om in de openbare noden te voorzien. Hier wordt bijzonder nota van genomen, vanwege de uitnemende diensten, die hij later aan de kerke Gods heeft bewezen, inzonderheid door het Evangelie te brengen aan de Heidenen, en, opdat het niet den schijn zou hebben, dat dit uit kwaadwilligheid jegens zijn eigen volk, voortkwam, vinden wij hier zijne welwillendheid voor de Joodse bekeerlingen vermeld. Of wellicht wordt ons dit hier meegedeeld, omdat het een voorbeeld was voor anderen: alzo hij een akker had, hetzij in Cyprus, waar hij was geboren, of in Judea, waar hij nu woonde, of ergens anders, het is niet met zekerheid te zeggen, maar hij verkocht hem, niet om elders voordeliger te kopen, maar als een waar Leviet, die wist den Heere God van Israël tot zijn erfdeel te hebben, koesterde hij minachting voor een aards erfdeel, wilde er niet meer mede belast zijn, maar bracht het geld en legde het aan de voeten der apostelen, om voor liefdegaven gebruikt te worden. En zo heeft hij zich, als bestemd zijnde om een prediker van het Evangelie te wezen, los gemaakt van de zaken van dit leven, en bij het opmaken van de rekening bleek het, dat hij er niet bij verloren heeft dit geld aan de voeten der apostelen te hebben gelegd, toen hij zelf onder de apostelen gerekend werd door dit woord van den Heiligen Geest: Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb, Hoofdstuk 13:2. Aldus heeft hij voor den eerbied, dien hij de apostelen als apostelen bewees, het loon eens apostels