3. En zo hebben wij het voordeel boven hen dat dit woord van de prediking ons tot het doel brengt; want wij, die geloofd hebben en in het nieuwtestamentisch verbond zijn ingegaan, gaan werkelijk op de weg waarop wij ons bevinden tot de rust in en hebben daarmee het begin van de vervulling van die blijde boodschap verkregen, die hun nog werd onthouden, zoals Hij, de Heere, in het reeds eerder (
hoofdstuk 3:11) aangehaalde psalmwoord gezegd heeft: "Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: nooit zullen zij ingaan tot Mijn rust" (
Psalm 95:11). God heeft vanaf het begin duidelijk genoeg verklaard wat Hij met Zijn rust (
Vers 9v.) bedoelde en waaraan wij dus ook moeten denken, hoewel (liever "omdat Zijn werken van de grondlegging van de wereld af al volbracht waren, als reeds volbracht waren, omdat zij Zijn raadsbesluit waren en voor Hem de Eeuwige, de God voor wie geen tijd bestaat, reeds aanwezig waren.
In de loop van de denkbeelden van dit gedeelte is, wegens de grote kortheid van de diepzinnige uitdrukkingen van de schrijver, een zekere duisterheid, die door enige ontwikkeling van zijn leer en de leer van de Schrift over dit onderwerp moet worden opgehelderd. Volgens Vers 8 was de rust in Kanaän, waarnaar Jozua de Israëlieten leidde, niet de rust van God die aan het volk in de woestijn beloofd was; maar dezelfde rust die ons nu nog wacht, had God hun aangeboden. Zij hadden die echter door hun ongeloof verloren. Hierin ligt nu het denkbeeld dat bij de ontwikkeling van Gods openbaring voortdurend de geschiedenis terugkeert: op elke trap van de openbaring van Zijn genade jegens zondaren, biedt God hun geheel Zijn heil aan. Onder elk omhulsel waarmee Hij Zijn waarheid in de jaren van de kindsheid omsluierde, lag zij geheel en reeds toen konden de gelovigen alles ontvangen. Maar omdat God de enkelen niet zonder het geheel voltooit (hoofdstuk 11:40 b), hield (ofschoon enigen geloofden) het algemeen ongeloof van hen aan wie Hij Zijn heil had aangeboden, op elke stap de voltooiing opnieuw terug. Zo moest Mozes de Israëlieten meer geven dan de wet (vgl. Romeinen 10:6), maar door hun schuld bleven zij vreemd aan de gerechtigheid uit het geloof. Ook Christus wilde de kinderen van Jeruzalem vergaderen, als een hen haar kuikens; maar zij wilden niet. Hadden zij gewild, dan was het rijk van God op een andere wijze tot hen gekomen. Maar nu kan geen verwerping van de genade van God van de zijde van de mensen haar steeds heerlijker ontwikkeling verhinderen of beletten; veelmeer schijnt zij, als de zon die opgaat na de nacht, steeds heerlijker straalt zij, rijzend uit het ongeloof van de mensen tot Gods eer. Zo moest ook het verlangen naar de ware rust van God, die de Israëliet aangeboden was, erheen leiden dat zij onder Jozua in Kanaän slechts een aardse, in alle delen onvoldoende, steeds verstoorde rust vonden, die het verlangen naar de ware rust opwekte, maar niet bevredigde. En zo staat dan de ingang in de rust van God voor het volk van de Heere nog te wachten, de viering van de eeuwige sabbat na de tweede schepping, waarvan de eerste sabbatviering het symbool is.