Romeinen 13:7-10
Ons wordt hier onderricht gegeven in rechtvaardigheid en liefdadigheid.
I. In rechtvaardigheid, vers 7. Zo geeft dan een iegelijk wat gij schuldig zijt, voornamelijk aan de overheid, want dit behoort bij het voorafgaande, en evenzo aan allen, met wie wij in aanraking komen. Rechtvaardig zijn is een iegelijk geven wat men hem schuldig is, een ieder het zijne geven. Alles wat wij hebben, bezitten wij als rentmeesters, anderen hebben er ook belang bij en moeten het hun ontvangen. Geeft wat gij schuldig zijt aan God in de eerste plaats, aan uzelven, aan uwe gezinnen, aan uwe betrekkingen, aan de maatschappij, aan de gemeente, aan de armen, aan hen met wie gij in aanraking komt door kopen, verkopen, wisselen enz. Geeft een iegelijk het hem toekomende, en dat gewillig en van harte, niet terugtrekkende hetgeen gij volgens de wet verschuldigd zijt. Hij onderscheidt:
1. Verschuldigde schatting: Schatting dien gij de schatting, tol dien gij den tol schuldig zijt. De meeste landen, waarin het Evangelie het eerst verkondigd werd, waren in dien tijd onderworpen aan het Romeinse juk en waren tot delen of wingewesten van het keizerrijk gemaakt. Hij schreef dit aan de Romeinen, die, indien zij rijk waren, onderworpen waren aan schattingen en belastingen, en op de eerlijke en getrouwe betaling daarvan wordt hier door den apostel aangedrongen. Sommigen maken het onderscheid tussen schatting en tol, dat de eerste de geregelde belastingen waren en de andere bij bepaalde gelegenheden geëist werden, maar beide moeten even getrouw en nauwgezet betaald worden als ze wettig ingevorderd worden. Onze Heere werd geboren toen Zijn moeder heengegaan was om beschreven te worden en Hij gaf Zijn goedkeuring aan het betalen van belasting aan den keizer. Menigeen, die zich in andere dingen rechtvaardig betoont, maakt er geen gewetensbezwaar van om sommige belastingen te ontduiken, en verdedigt dat met de valse en ten onrechte geliefkoosde stelling dat het geen zonde is den koning tekort te doen, maar zulks rechtstreeks tegen de wet van Paulus in. Schatting wie gij de schatting en tol wie gij den tol schuldig zijt.
2. Verschuldigde eerbied: Vreze dien gij de vreze, ere dien gij de ere schuldig zijt. Dit heeft betrekking niet alleen op het ontzag, dat wij onzen overheden schuldig zijn, maar het ziet op allen, die boven ons geplaatst zijn, ouders, meesters, allen die in den Heere boven ons staan, volgens het vijfde gebod: Eert uwen vader en uwe moeder, zie Leviticus 19:3 :Een ieder zal zijne moeder en zijnen vader vrezen, niet met een vrees van verbijstering, maar met een liefhebbende, eerbiedige, achtensvolle en gehoorzame vreze. Indien die achting voor onze meerderen niet in ons hart woont, zullen wij geen enkelen anderen plicht goed vervullen.
3. Behoorlijk betalen van onze schulden, vers 8. Zijt niemand iets schuldig, dat is, blijft niet in schuld bij een ander, wanneer gij tot betaling instaat zijt, in elk geval niet langer dan uw schuldeiser u stilzwijgend uitstel geeft. Geef een iegelijk het zijne. Besteedt het niet voor uzelven: spaart het nog veel minder voor uzelven, terwijl gij het anderen schuldig zijt. De godloze ontleent en geeft niet weer, Psalm 37:21. Velen, die zelf zeer gevoelig voor moeiten zijn, denken niet aan de zonde van schulden-hebben.
II. Van liefdadigheid. Zijt niemand iets schuldig, opheilete, gij zijt niemand iets schuldig, lezen sommigen hier. Wat gij ook schuldig zijt aan enige betrekking of aan iemand met wie gij te doen hebt, het wordt alles uitnemend samengevat en begrepen in deze schuld van liefde. Niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben, dat is een schuld, die voortdurend moet betaald worden en steeds open blijft staan. Liefde is een schuld. De wet van God en het belang der mensheid maken haar dat. Zij is niet iets waaromtrent ons vrijheid gelaten is, maar zij wordt ons opgelegd als het beginsel en de hoofdsom van alles, wat wij aan elkaar verplicht zijn, want de liefde is de vervulling der wet, niet volmaakt, maar een grote stap in die richting. Zij is het kort begrip van al de plichten van de tweede tafel, die hij opnoemt in vers 9, en deze onderstellen de liefde tot God, zie 1 Johannes 4:20. Indien de liefde oprecht is, wordt zij aangenomen als de vervulling der wet. Zeker, wij dienen een goeden meester, die al onze verplichtingen heeft samengevat in een enkel woord, en dat zulk een goed en zulk een zoet woord: liefde, de schoonheid en de overeenstemming van het heelal. Liefhebben en geliefd worden is al de blijdschap, vreugde en gelukzaligheid van een redelijk wezen. God is liefde, 1 Johannes 4:16, en liefde is Zijn beeld in de ziel, waar die is, daar is de ziel behoorlijk verzacht en het hart bekwaam gemaakt voor alle goed werk. Ten einde nu te bewijzen dat de liefde de vervulling der wet is, geeft hij ons:
1. Een aanduiding van verscheidene geboden, vers 9. Hij noemt de laatste vijf van de tien geboden op, die hij alle beschouwt als samengevat in de koninklijke wet: Gij zult uwen naasten liefhebben als uzelven, met dezelfde oprechtheid waarmee gij uzelven liefhebt, ofschoon niet in dezelfde mate en graad. Hij, die zijn naasten liefheeft als zich zelven, zal begerig zijn naar het welzijn van zijns naasten lichaam, bezittingen en goeden naam, als naar dat van zijn eigene. Daarop is de gulden regel gebouwd om anderen te doen wat wij wensen dat ons gedaan zal worden. Indien er geen beperkingen gemaakt waren door menselijke wetten en geen straffen vastgesteld op de overtredingen (hetgeen door de boosheid van de menselijke natuur noodzakelijk gemaakt is) dan zou de wet der liefde op zich zelve voldoende zijn om al de beledigingen en onrechtvaardigheden te voorkomen en onder de mensen vrede en goed orde te bewaren. Bij de opsomming van deze geboden stelt de apostel het zevende voor het zesde, en zegt in de eerste plaats: Gij zult geen overspel doen, want ofschoon dit gewoonlijk doorgaat voor liefde (schande dat zulk een heerlijk woord zo onophoudelijk misbruikt wordt!) is het in werkelijkheid een evengrote verkrachting van de liefde als moord en doodslag. Wij zien daaraan dat de broederlijke liefde in de eerste plaats is liefde voor de zielen onzer broederen. Hij, die anderen tot zonde verzoekt, en hun zielen en gewetens verontreinigt, al wendt hij daarbij de hartstochtelijkste liefde voor, haat hen, Spreuken 7:15, 18, evenzeer als de duivel hen haat, die krijg voert tegen de zielen.
2. Een algemene regel ten opzichte van de natuur der broederlijke liefde. De liefde doet den naasten geen kwaad, vers 10. Hij, die in de liefde wandelt, dat is die bezield en geregeerd wordt door het beginsel der liefde, doet geen kwaad. Hij bedenkt of bedrijft geen kwaad tegen zijn naasten, tegen iemand wie ook met wie hij in aanraking komt. Oek ergazetai. Het ontwerpen van kwaad is inderdaad doen van kwaad. Zo zegt Micha 2:1 :Wee dien, die ongerechtigheid bedenken en kwaad werken op hun legers. De liefde bedenkt en bedoelt geen kwaad voor iemand, en is ten sterkste gekeerd tegen het doen van iets, dat uitlopen kan op vooroordeel tegen, belediging of kwetsing van iemand. Zij werkt geen kwaad, dat is: zij verbiedt alle kwaaddoen, er wordt hier veel meer bedoeld dan gezegd, het is niet alleen: zij doet geen kwaad, maar zij doet alle mogelijke goed, zij bedenkt alle goede en vrijgevige daden. Want het is niet alleen zonde kwaad tegen den naaste te bedenken, het is evenzeer zonde het goede te onthouden aan degenen, wie men het verschuldigd is, beide worden tezamen verboden, Spreuken 3:27-29. Hieruit blijkt dat de liefde de vervulling der wet is en aan al haar bedoelingen beantwoordt, want wat is dat anders dan ons terug te houden van het kwaad en ons aan te sporen tot het goede? Liefde is een levend handelend beginsel van gehoorzaamheid aan de gehele wet. De gehele wet is in het hart geschreven, indien de liefde daarin woont.