Johannes 9:8-12
Een zo wonderbare gebeurtenis, als het geven van het gezicht aan een blindgeborene, moest wel het onderwerp wezen van alle gesprekken, maar velen sloegen er niet meer acht op dan op andere in omloop zijnde geruchten, die slechts het wonder zijn van een dag. Maar er wordt ons hier meegedeeld wat de geburen er van zeiden ter bevestiging van het feit. Hetgeen in het eerst niet geloofd wordt zonder nauwkeurig onderzoek, kan later zonder gewetensbezwaar erkend worden. Er worden hier twee dingen over deze zaak besproken:
I. Of dit wel dezelfde man was, die tevoren blind is geweest, vers 8.
1. De geburen, die nabij de plaats woonden, waar hij geboren en opgevoed was, en wisten, dat hij blind was, moesten zich wel verbazen, toen zij zagen, dat hij zien kon, dat hij plotseling en volkomen het gezicht had gekregen, en zij zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde? Het schijnt, dat die man een gewoon bedelaar was, niet instaat zijnde om te werken voor zijn brood, en aldus ontheven van de verplichting der wet: zo iemand niet wil werken, dat hij ook niet ete. Als hij niet lopen kon, zat hij neer, indien wij voor God niet kunnen werken, dan moeten wij rustig stilzitten voor Hem. Toen hij niet kon arbeiden, en zijn ouders niet instaat waren hem te onderhouden, bedelde hij. Zij, die geen middelen van bestaan hebben, moeten zich niet, zoals de onrechtvaardige rentmeester, schamen te bedelen, niemand schame zich over iets anders dan over zonde. Er zijn gewone bedelaars, die de voorwerpen zijn der algemene liefdadigheid, en die onderscheiden behoren te worden, en wij moeten de bijen niet laten verhongeren om den wille der hommels of der wespen, die zich onder haar kunnen bevinden. Wat dezen man betreft:
a. Gods voorzienigheid had het wijselijk beschikt, dat hij, aan wie dit wonder zou geschieden, een gewoon bedelaar was, en dus algemeen bekend was en opgemerkt werd, waardoor de waarheid van het wonder des te zekerder getuigd werd, en er waren meer getuigen tegen de ongelovige Joden, die niet wilden geloven, dat hij blind was geweest, dan wanneer hij in zijns vaders huis onderhouden was geworden.
b. Het was een des te groter voorbeeld van Christus neerbuigende goedheid dat Hij, (als ik dit zo zeggen mag) zich meer moeite schijnt te geven voor de genezing van een gewonen bedelaar, dan voor anderen. Als het nuttig was, dat Zijne wonderen zouden geschieden aan hen, die om de een of andere reden algemeen opgemerkt werden, dan koos Hij daartoe hen. die het waren door hun armoede en ellende, niet door hun waardigheid of hun hoog aanzien.
2. In antwoord op deze vraag zeiden sommigen: Hij is het. Hij is dezelfde man, en dezen zijn getuigen voor de waarheid van het wonder, want zij hadden hem lang stekeblind gekend. Anderen, die dachten, dat het onmogelijk was, dat aan een blindgeborene zo plotseling het gezicht kon gegeven worden zeiden hierom, -en om geen andere redenen-hij is het niet, hij is hem gelijk, en zo moet het dan, naar hun eigen bekentenis, indien hij het is, een groot wonder zijn, dat aan hem geschied is. En dit kan ons ene aanleiding zijn om te denken aan de wijsheid en macht van God, waardoor Hij zo groot ene verscheidenheid in het gelaat van mannen en vrouwen gegeven heeft, dat geen twee zo aan elkaar gelijk zijn, of men kan ze toch van elkaar onderscheiden, hetgeen nodig is voor de maatschappij, voor den omgang der mensen onder elkaar, en voor de rechtsbedeling. Wij moeten hierbij ook denken aan de wondervolle verandering, die door de bekerende genade Gods teweeggebracht wordt bij hen, die tevoren snood en goddeloos zijn geweest, maar na hun bekering een zo merkbare verander ing hebben ondergaan, dat men hen niet voor dezelfde mensen zou houden.
3. Dit geschil werd spoedig beslist door den man zelven. Hij zei: ik ben het. Ik ben diezelfde man, die nog zo kort geleden zat en bedelde. Ik ben het, die een voorwerp was van der mensen liefdadigheid, maar die nu zie, en een toonbeeld ben van de genade en barmhartigheid Gods. Wij bevinden niet, dat de geburen zich omtrent die zaak tot hem hebben gewend, maar hij, het twistgesprek horende, trad tussenbeide en maakte er een einde aan. Het is ene daad van gerechtigheid, die wij onzen naasten verschuldigd zijn, om hun dwalingen te herstellen en, voor zoveel wij dit kunnen, hun de zaken in het rechte licht voor te stellen. Geestelijk toegepast leert het ons, dat zij, die door Gods genade zaligmakend verlicht zijn, bereid moeten wezen te erkennen wat zij geweest zijn eer die gezegende verandering in hen gewrocht was, 1 Timotheus 1:13, 14.
II. Hoe zijne ogen geopend werden, vers 10-12. Zij willen zich nu "daarheen wenden en dat grote gezicht bezien", en er verder navraag naar doen. Hij heeft niet voor zich laten trompetten, toen Hij deze aalmoes deed, en Zijne genezingen niet als op een schouwplaats verricht, en toch, gelijk ene stad op een berg, konden zij niet verborgen blijven. Er zijn twee dingen, waarnaar de geburen een onderzoek instellen:
1. De wijze, waarop de genezing geschied was: Hoe zijn u de ogen geopend? De werken des Heeren zijn groot, daarom moeten zij gezocht worden, Psalm 111:2. Het is goed om de methode van Gods werken na te gaan, en dan zullen zij er ons des te wonderlijker om blijken te zijn. Wij kunnen dit geestelijk toepassen: het is wonderlijk dat blinde ogen geopend worden, maar nog wonderlijker is het te zien, hoe zij geopend worden, hoe zwak de middelen zijn, die worden aangewend, en hoe sterk de tegenstand is, die overwonnen moet worden. In antwoord op deze vraag geeft de arme man hun een duidelijk en volledig verslag van hetgeen gebeurd was: De mens, genaamd Jezus, maakte slijk -en ik werd ziende, vers 11. Zij, die bijzondere blijken van Gods macht en goedheid hebben ervaren, in tijdelijke of geestelijke dingen, moeten ten allen tijde bereid zijn hun ervaringen mede te delen tot eer van God en tot onderwijzing en stichting van anderen. Zie David's verzamelingen van ervaringen, de zijnen en van anderen: Psalm 34:5-7. Wij zijn het schuldig aan onzen Weldoener en aan onze broederen, Gods gunsten gaan aan ons verloren, als zij zich verliezen in ons en niet verder gaan.
2. Naar de Werker er van, vers 12. Waar is die? Sommigen vroegen dit wellicht uit nieuwsgierigheid, Waar is hij, dat wij hem zien zullen? Iemand, die zulke genezingen tot stand brengt, is wel iemand om te willen zien, men zou er uren ver voor lopen om hem te aanschouwen. Anderen vroegen het wellicht uit kwaadwilligheid. "Waar is hij, dat wij hem mogen grijpen?" Er was een bevel uitgevaardigd om Hem te ontdekken en gevangen te nemen, hoofdstuk 11:57, en de onnadenkende menigte zal in weerwil van alle rede en billijkheid, slechte gedachten koesteren van iemand, aan wie men een slechten naam heeft gegeven. Sommigen deden die vraag omdat zij, naar wij hopen, welgezind waren. "Waar is hij, opdat wij kennis met hem kunnen maken? Waar is hij, opdat wij tot hem mogen komen en delen in de gunsten, waarmee hij zo vrijgevig is? Hierop had hij niets te antwoorden dan: Ik weet het niet. Nadat Christus hem naar het badwater Siloam had gezonden, schijnt Hij zich terstond terug te hebben getrokken, (zoals Hij deed, vers 13 van hoofdstuk 5) en bleef niet totdat de man was teruggekeerd, alsof Hij twijfelde aan de uitwerking, of wachtte op des mans dankbetuiging. Nederige zielen smaken meer genot in goed te doen dan in er later van te horen, het zal tijd genoeg zijn er van te horen in de opstanding der rechtvaardigen. De man had Jezus nooit gezien, want toen hij het gezicht had ontvangen, had hij zijn Geneesmeester verloren, en waarschijnlijk vroeg hij: Waar is Hij? Geen van al de nieuwe en verwonderlijke voorwerpen, die zich aan hem voordeden, konden hem zo lieflijk zijn als het zien van Christus, maar vooralsnog wist hij niets meer van Hem, dan dat Hij-en terecht- Jezus, d.i. Zaligmaker genoemd werd. Zo zien wij in het werk der genade wel de verandering, maar niet de hand, die haar gewerkt heeft, want de weg des Geestes is als die des winds, waarvan gij het geluid hoort, maar waarvan gij niet weet van waar hij komt, of waar hij heengaat.